Zoek op de website

Noordhorn

Gemeente Zuidhorn

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Noordhorn.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het dorp Noordhorn, ligt ten noorden van Zuidhorn, op eene zandige hoogte, in eene zuidelyke en noordelyke strekking. Eene breede sloot, waarover men voor eenige jaren, een steenen brugje in plaats van een houten vervallene gemaakt heeft, nog het Hoogebeunje genaamd, scheidt genoemde dorp van Zuidhorn. Het dorp heeft misschien zynen naam ontleend van een hoek lands, toen het by de eerste bevolking bewoond is geworden, en de ommestreken nog zee was. In het Oldambt geeft men thans nog aan een’ hoek (b.v. hy zit in den hoek van den haard) ook wel den naam “hy zit in den horn van den haard”; dus horn, beteekent zoo veel als hoek en hiervandaan Noordhorn of noordhoek, en het bygevoegde Noord, ter onderscheiding van Zuidhorn. Deze beide dorpen maken te zamen de burgerlyke gemeente Zuidhorn uit.
Noordhorn is een aangenaam gelegen dorp; wegens de passage der rytuigen naar – en van Groningen en Vriesland, wordt het zeer verlevendigd. In vorige tyden plagten de rytuigen achter aan den Westkant van het dorp langs te ryden, alwaar de algemeene rydweg was. Naderhand is deze passagie verlegd, misschien ook om het dorp meer te verlevendigen, slechts van eenige schreden lands, heeft men eenen weg aangelegd, zoo dat thans de passagie tot min of meer aan het midden des dorps gaat, en dan westelyk afdraait; waarom deze thans nog de nieuwe weg genoemd wordt.
Onder het dorp Noordhorn vindt men de buurt Oxwerd aan eenen voorouden dyk gelegen, alwaar men zwaar kleiland vindt.
Hetzelve strekt zich uit naar het dorp Niezyl, ten westen van Noordhorn.
Wat het woord Oxwerd beteekent, durf ik niet stellig verklaren, doch myne gedachten zal ik mede deelen: misschien kan hetzelve tot eene opheldering verstrekken.
“In den tyd, toen Oxwerd, binnen gedykt is, vond men er zeker vetweideryen: en omdat er toen eene hoogte was, waar het vee moest weiden, gaf men deze hoogte een naam van Oswierd pf Ossewierde, en my dunkt dat dit des naamsoorspong moet zyn; zoo dat men by eene verandering dezelve Oxwerd, heeft genaamd.”
Even ten Zuiden van de buurt Oxwerd vindt men thans nog eenen appelhof, dat toen ter tyd den naam droeg Uildersma, waarvan hedendaags hier nog eene familie is, die dezen hof, benevens eenen boerenplaats naby den zelven gelegen toebehoord hebben, en zijn naar denzelven titelen. Sedert langen tyd geeft men aan genoemden hof, den naam: het oude hof, omdat naderhand een ander appelhof, naby de boerenplaats is aangelegd.
Waarschynlyk heeft hier eene heerlykheid gestaan; want genoemd hof is omringd met eene breede gracht, vóór denzelven vindt men nog eene breede poort; Sedert jaren is deze in verval, en bovengenoemde familie hebben het door mondelinge overlevering, dat deze poort zoo breed was, dat men op het verwelf van dezelve plagt te zitten met een gezelschap te theedrinken.

Drie of vier stukken lands ten Oosten van eene kolk, en ten noorden van den Heereweg van Noordhorn naar Niezyl, vindt men aan den zoogenoemden ouden dyk een stuk lands, dat nog Brandsenborg heet; waarschynlyk heeft hier ook eene heerlykheid gestaan, want hetzelve is inwendig vol stukken steen en kalk.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Onder de buurt Oxserd, aan den dyk thans den algemeenen rydweg, vindt men twee kolken eene groote en eene kleine kolk; de laatste is meest ingeslykt en uitgedroogd. Ook wordt deze kolk het Ipegat genoemd – Wat deze kolken aanbelangt, dezelve zyn ontstaan door eene doorbraak van eene zyl of sluis, welke hier geweest moet zyn, en waarvan men op genoemde plaats, heden daags de overblyfselen in den grond nog gedurig vindt. Zou deze zyl niet al doorgebroken zyn geweest voor dat men Niezyl gedoopt heeft, en daarom Niezyl genoemd?
Deze kolk heeft zyne uitwatering in het zoogenaamde Stille diep, en ontlast zich vervolgens in het hoofddiep of de vaart naar Strobos. By den winter is men hier onderscheidene malen aan het aaltuiken geweest, en men vond op eene diepte van 32 voeten, wel veel slyk en modder, doch een vasten grond kon men er niet ontdekken.
Men heeft te Noordhorn ook eene vaart, de Schipsloot genaamd; deze ontvangt al het water uit Humsterland (dat ten noorden van Noorhorn ligt), en ontlast zich vervolgens in de vaart naar Stroobos. Ten westen van deze vaart vindt men laag kleiland, en ten oosten van dezelve, hoog zandland, alwaar misschien de zee voor dat dit kleiland was ingedykt, tegen aan gespoeld heeft.
Aan den noordkant van Noordhorn, vindt men eene zandige hoogte, aan welker beide zylen men kleiland aantreft. Deze hoogte strekt zich uit tot Humsterland, dezelve is voorzien en als bezaaid met kleie straatsteenen of vlintjes.
Eenige voeten onder den grond ontdekt men hier gedurig zware keisteenen, en min of meer 2½ voet onder de bovenste oppervlakte des grond, op deze zandige hoogte moet eene buitengewoon groote keisteen liggen, welke volgens zeggen van anderen 25 à 26 voeten omtrek zoude hebben. –
Ook heeft men hier herhaalde malen by het graven eener put, zulke keisteenen gevonden, dat men dezelve niet konde wegnemen, en daarom het werk moest staken.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

Het dorp Noordhorn heeft een groot en uitmuntend wel onderhoudend bosch even benoorden het dorp, toebehoorende aan mevrouw de Wedw. van den Heer Geertsema van Sjallema; van welk bosch vele ingezetenen by den zomer gebruik maken, om zich voor de warme zonnestralen in het aangename lommer te beschermen. Hetzelve bestaat meest uit eiken- en beukenboomen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Men vindt hier ook onderscheidene soorten van Medicinale planten, welke volgens zeggen van deskundigen nergens in deze provincie beter en meer soorten gevonden worden, die aan dezen grond eigen zyn.

De landbouwers fokken hier meest zelf de koeÿen en paarden aan, en de schapenteelt wordt mede door hen beoefend.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid dezes dorps bestaat gedeeltelyk uit klei, zand en rood-doorn.
Het dorp zelf is op eene zandige hoogte gebouwd, zoo dat onze tuinen zandachtig zyn, en daar straatvuilnis na verloop van jaren met het zand vermengd is, en thans eenen gemengden grond uitmaakt.
Ten Westen dezes dorps vindt men zwaar kleiland, dat ten Noorden en Oosten almede is, doch niet zoo zwaar. Eene Streek ten Noorsen en Zuiden met het dorp vereenigd, is zandland, dat zeer zacht en eenigzins gemengd is, alwaar lekkere aardappelen wassen. Zoodra men over het trekdiep of de vaart naar Stroobos komt, ontwaart men eenen geheel anderen grond, de Noordhornerga genoemd, dat zeer laag land is, en by hoogwater door twee groote watermolens, de Hoop en de Verwachting genaamd, wordt boven gehouden.
Een, ja somtyds een halve voet onder de oppervlakte des gronds komende, vindt men op zich zelven eene geheel onvruchtbare aarde, rooddoorn genaamd. Onder dit rooddoorn zit hier algemeen de darg, welke min of meer drie voet onder de bovenste oppervlakte te voorschyn komt. De bovenste oppervlakte dezes gronds, is eenigzins kleiachtig, en tevens weinig vruchtbaar, omdat dezelve te vroeg is binnengedykt, en er dus geen slyk genoeg is aangespoeld.

_____

Als men van de Westkant aankomt naar Noordhorn, heeft het dorp wel een aardig voorkomen; aan de Zuidzyde ziet men dan den pelmolen, aan de Noordzyde eenen roggemolen, en in het midden den fraaÿen toren, onmiddelyk verbonden aan de kerk. – Voorts is er een Boekweitmolen, welke op die wyze is ingerigt, dat men er ook mosterd op maalt.
Vervolgens vindt men er een genees- en Heelmeester.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de fabryken zyn er twee vyfschacht- en linneweveryen, twee yzersmederyen, drie broodbakkers, een Lederbereider en onderscheidene handwerkers, als: een Schilder – en Kamerbehanger, Stelmakers, Kuipers, timmerlieden en Metselaars, Schoenmakers, Verwers en glazemakers, Horologie– en Uurwerkmakers, Grossiers in sterke dranken, winkeliers en Herbergen geen gebrek.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Wat de luchtsgesteldheid betreft, dezelve is hier zeer gezond, wegens de hooge en zandige ligging: doch by warme Zomerdagen kunnen de zeedampen en uitwasemingen der slooten, die er veelal zeer slecht uitzien, wel verkoelende avonden veroorzaken, en daardoor een zinkingachtige of rheumatieke ongesteldheid te weeg brengen, waaraan hier vele menschen moeten lyden, vooral die genen, welke van de zandlanden zich hier ter woon nederzetten, en derhalve aan de inademing dezer lucht niet gewoon zyn.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is eene gereformeerde kerk, welke van binnen er sobertjes uitziet en een fraaÿe toren, ter hoogte van 120 voeten. Ook is er eene nieuwe school in 1819 gebouwd, ter lengte van 34 en breedte 22 voeten.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Al de ingezetenen moeten meest hun bestaan van den Landbouw en de veeteelt hebben, want hoe voordeeliger het den Landbouwer gaat, hoe meer deze laat werken aan zyne woning. Op zyn land, aan zyne boerengereedschappen, kleederen, huissieraad enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier algemeen den platduitschen tongval; b.v. iemand die des avonds wordt uitgekleed zegt men: hy boit hem al uut. Zoo ook onder de kinderen, gelyk of het een zoontje of dochtertje is: ’t jong is al op bed, heste ’t jong op d’arm? Ook wanneer men het woord weinig bedoelt, zegt men: er is jampt niet meer ien, dat is: er is weinig meer in. Wanneer er iemand is, die iets te zoek gebragt heeft, zegt men: heste dien buusdoek weer wegkontjet? wederom wanneer sommige zelfstandige naamwoorden volstrekt enkelvoudig zyn, gebruikt men dezelve hier meervoudig; b.v. Is er nog tabak in uwe doos? Ja er is nog goun ien. Is er nog zand in het vat? Ja er is nog goun ien: Kookt de chocolade al? Ja zy komen er al aan, (dat is, dat het omhoog komt ryzen.) enz. doch de beschaving in taal neemt langzamerhand toe.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Het karakter dezer ingezetenen is over het algemeen niet openhartig; zy zyn zeer achterhoudend, doch tevens met medelyden der armen en ellendigen bezield. Hunne levenswyze is zeer gematigd en geregeld op den tyd eten, en op zynen tyd te bed. Des morgens staan zy vroeg op en des avonds na tien uren vindt men hen zelden meer van het bed.

Men houdt hier thans veel van de Godsdienst, de kerk wordt des zondags vry sterk bezocht, en de dwepery is hier grootendeels verbannen.
Over het algemeen als het luiden der klok hun des morgens acht uren aankondigt, verlaat ieder zyn werk, en men gaat naar de tafel, waar dan ontbeten wordt. Even zoo is ook het middag eten om twaalf uren, doch des avonds eet men op eenen zeer ongelyken tyd; de Boerenstand en de daglooners welke laatste wederom aan den Boerenstand onderworpen zyn, eten des avonds als de torenklok om zes uur luidt, maar de Burgery eet doorgaans twee uren later. –

De vermaken en uitspanningen zyn jagt en visschery en harddraveryen en kermissen worden niet onbezocht gelaten.

De bruiloften na het inzegenen van huwelyken, worden hier niet meer gehouden, ten minsten zeer zelden.
By begravenisplegtigheden worden de predikant, de Kerkenraad, benevens de voorzanger verzocht, doch deze gaan zeer zelden heen, voör dat de begravenistrein aan het kerkhof genaderd is, als dan maakt ieder dat hy zoo wat op zyne plaats komt. Na het begraven keeren dezen veelal naar het sterfhuis terug.
Hier plaatst men dan Zyn WelEerw. aan de regterhand, voor het overige moeten Kerkenraad en voorzanger, benevens de andere genoodigden maken, dat zy eene plaats krygen; nu dat gaat dan ook nog al. –
Hier vindt men dan den tafel gedekt, en daarop weiten bolletjes, boter en wittebrood met en zonder krenten. – Is het by den winter dan heeft men hier en daar op den tafel eene kan met warm – doch by den Zomer, met koud bier staan, zoodat men dan eet en drinkt te gelyk.
Zoodra men zich geplaatst heeft wordt den mannen eenen pyp gelangd, door eenen bediende, welke dan eene pyp tabak rooken, daarna een bittertje drinken, tot dat eindelyk de bediende het oogenblik van eten aankondigt, gewoonlyk door het kloppen met de vuist tegen de binnendeur. – Ieder voegt en schikt zich dan, waarop zyn WelEerw: dan een hartroerend gebed doet, en daarna begint men dan te eten en drinken. Na het eindigen van den maaltyd doet de leeraar eene dankzegging, waarop onderscheidene gesprekken volgen, zoo dat men dan de menschen niet meer geregeld – maar soort by soort, hier en daar vindt.
Deze gesprekken houden zoo lang aan, tot dat er eindelyk koffy of thee op den tafel komt: ieder schikt zich dan weder en maakt dat hy ook wat krygt, waarna de genoodigde, na aan een der bedienden eenen vyf stuiver in de hand gestopt te hebben, afscheid neemt van de familie der overledene en van goede bekenden, en daarop weder naar zynen woning terug keert.

Vrolyke partyen heeft men hier zeer weinig. Dan sedert de overkomst van Z.M. onzen geliefden Koning heeft men alhier op Z.M. geboorte-dag, dezen dag vrolyk gevierd, welke in de eerste jaren door jongelieden en naderhand door jongens van 13 – 16 jaren als ook weder dit jaar, in vrolyke en onschuldige vermaken werd doorgebragt. De meisjes hebben sedert twee jaren dit ook begonnen, en hebben dan eenen vrolyken avond. De jongens houden dan eene maskerade; ieder heeft dan een handwerk, het zy koopman, kiezentrekker, brievenbezorger, schoenenpoetser enz. welke alle aan de huizen rond gaan, om werk of negotie te doen.
Elk geeft hun dan zoo veel hy wil zoo dat zy na ommekomst een mooi stuivertje te zamen brengen. Deze maskerade geëindigd zynde, heeft men eenen gewonen wagen versierd met onderscheidene bogen, alle bedekt en omwonden met groen en bloemen, hetwelk zy inmiddels en vóór dien dag reeds klaar gemaakt hebben.

Vóór en achter in den wagen tusschen de bogen, heeft men een ronddeel geolieverfd papier, waarin staat een brandende kaars; op het papier leest men dan een opschrift: b.v. ter eere des Konings; voor het Vaderland en Oranje enz. dat zich by den avond heel aardig doet vertoonen.
Met dezen wagen, welke met een paard bespannen is, blyft men niet alleen in Noordhorn, maar ook rydt men daarmede naar Zuidhorn, waarin dan eenige gemaskerde jongelingen zitten en een gepast liedje aanheffen, ter eere des Konings. Deze plegtigheid geeindigd zynde, gaan zy naar eenen Herberg en hebben daar dan de onschuldigste en vrolykste vermaken, welke niet, dan laat in den avond worden geeindigd.
Even op die wyze gaan de meisjes van tien tot 14 jaren te werk. Deze maken eerebogen, versierd en omhuld met groen, oranjelinten enz. en gaan dan alle twee aan twee met witte voorschoten en schoon aangekleed, langs de straat, en zingende by de huizen rond. Ieder geeft dan iets, om zich daarvoor te kunnen vermaken. –
Alles dan afgelopen zynde, vereenigen zy zich in het huis van een hunner ouderen en brengen zoo dan den avond in vrolykheid door. Waar vindt men onder zulke kinderen zoo een’ aangenamen en vrolyken dag! Als dan is het voor my zoo roerend, dat ik mij als in een oogenblik myne kindsche dagen herinnere, en deel dan voor eenige ogenblikken in hare gepaste vrolykheid.

Onder de verdienstelyke mannen, welke Noordhorn, sedert heugelyke jaren heeft voortgebragt, verdient de Heer D.H. Bos, thans Stads Bouwmeester te Groningen de eerste plaats. Een man die door eigene oefening, schranderheid en vlyt het zoo verre gebragt heeft, dat hy niet alleen tot dezen post geschikt, maar ook door zyne kunde en bekwaamheid, onderscheidene werken onder zyn bestuur te Groningen verbeterd heeft. –

(get) E.K. Knoop.