Zoek op de website

Noordwijk

Gemeente Marum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Noordwyk.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het gehucht Lukaswolde, ligt een ¼ uurs ten Oosten van de kerk, en strekt zich verder oostwaarts uit, zoo dat het oostelykst gedeelte byna een uur gaans van de kerk gelegen is.
Lukaswolde wordt gezegd, het eerst bewoond te zyn geweest door eenen man genaamd Lukas, waarvan het den naam zoude ontleend hebben.
Noordwyk is deszelfs naam welligt aan deszelfs ligging verschuldigd, wykende ten noorden van den Postweg, wyl de meeste dorpen van Vredewold, zoo als Midwolde, Tolbert, Niebert, Nuis en Marum aan dezelve zyn gelegen, doch men heeft er geen volkomen zekerheid over.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen vindt men hier niet aan de kerk, boven, rondom de torenklok vindt men het volgende opschrift: ME FECIT AMSTE LODAMI: ANNO DOMINI 1712. aan eene zyde D.O.M. CAROLUS FERDINANDUS COMES KNIPHAUSANUS . VREDEWOLDIO . RUM . DYNASTA . CONFLARI . ME . CURAVIT . ANNO XMDCCXII. -

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Noordwyk is ten Zuiden omgeven door een riviertje het Wolddiep, alhier het Olddiep genaamd; het neemt zyn oorsprong by Driemunt onder Marum, loopt met vele bogten Oostwaarts op tusschen Noordwyk en Marum, vervolgens tusschen Noordwyk en Nuis, en verder tusschen Lukaswolde en Niebert, dan neemt het eene noordelyke rigting en neemt hier den naam van Langsdiep aan, en loopt ten Oosten om Lucaswolde, vervolgens tusschen Oldkerk en Sibaldeburen en ontlast zich eindelyk in het trekdiep by de Gaarkeuken.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden hier niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Eene Es of eene soort van es bevindt zich ten Oosten in Noordwyk, loopende tot aan Lukaswolde, de hoogte derzelve is pl:m: 4 ellen boven de oppervlakte, ook bevindt zich hier een dyk, de Leydyk genaamd, neemt zyn begin in Noordwyk en loopt tusschen Noordwyk en Doezum, vervolgens tusschen Noordwyk en Opende en verder achter Marum om; dienende tot eene waterscheiding.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlyk aangelegde bosschen vindt men hier niet, dan wel een enkel boschje kaphout, voorts is het land meestal met elzen kaphout omgeven.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Deze zyn uit het Delfstoffelyk ryk, leem, Zand en Keisteen; uit het Plantenryk, Rog en Boekweit, meer dan nooddruft; aardappelen, haver, vlas, hennip en allerlei moestuin vruchten voor eigen nooddruft; eiken stamhout, elzen kap of brandhout en baggerturf meer dan nooddruft; uit het Dierenryk, paarden worden hier sterk aangefokt, koeÿen, schapen, varkens, hoenderen, eenden, veel soorten van vogelen; als nachtegalen, leeuwrikken, robynen, vinken, kievitten enz. en zeer veel wild, als eendvogels, ganzen, patryzen, snippen, hazen, vossen, bunsings, ook een weinig visch: als Snoek, baars, aal enz. slangen, en adders vindt men hier ook.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Vruchtbaar gemaakte zand en veengrond, en dieper vindt men zand, leem en darre of oer, ook potklei.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en wetenschappen worden hier niet in het byzonder geoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier een wolkammery, blaauwverwery en wevery in een Fabryk; voorts twee Schoenmakers en een timmerman.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier zeer gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is eene Kerk en eene School, Leesgezelschap bestaat er niet, wel een enkel lid van het Leesgezelschap van Nuis, ook bestaat er een zanggezelschap. -

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meesten vinden hun bestaan in den Landbouw ook velen in het Veenwerk, en eenige weinige in handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De plat Groninger landtaal, vry wat met het boerevriesch vermengd en veelal naar de Vriesche tongval. Onder anderen zyn de meest van de Groningerspraak afwykende woorden hierin te vinden;
Heit en mem bin mit te piselen, dat is:
Vader en moeder zyn uit te gast of uit te eten.
Jimme hond het brieke bienen, dat is
Uwe hond heeft scheve of kromme beenen.
Heb jim nog al veul beÿen en krudeldorens?
dat is; Hebt gy nog al veel aalbessen en kruisbessen.
Deze boog papier heb ik van Pake of van Bes d:i.
Dit vel papier heb ik van Grootvader.
Deze pielk het Beppe my geven, d.i:
Deze pen heeft Grootmoeder me gegeven.
Wy hebben koffie dronken he jim ook al goen had?
Wy hebben koffy gedronken hebt gy dien ook al gehad?
Lutje Kiender lusten wel bakken, dat is:
Kleine kinder lusten wel twee bakken of biscuit.
Onder ’t moes moet veul dong dat is:
Onder de buiskool moet veel mest.
Voorts noemt men hier een aangehuwd of schoonzoon en dochter, zwager en Snaarsche, een aangehuwd of stiefvader en moeder, noemt men Oomke en Muike;
men noemt hier de turf zonder onderscheiding van soort, als Bagger of lange turf of droge veenzoden, Branje, eene verbastering van Brandinge of Brandstof, voorts worden hier ook nog al veel zuivere Nederduitsche woorden gesproken, over het algemeen is de taal die hier gesproken wordt, wel zoo aannemelyk en niet zoo plomp dan wel in sommige streken dezer Provincie. -

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De Eergierigheid mogt hier wel wat meerder en het eigen belang wat minder plaatsvinden, hunne levenswyze is eenvoudig, matig in kleding, eten, drinken, werken en uitspanningen, voorts werkzaam en zuinig; in hunne zeden en gewoonten even eenvoudig, ontmoet men elkander op weg, zoo zegt men enkel tot elkander dag; ook wel eens dat men enkel iemands naam noemt b.v. Jan: die wat wellevender is wel eens dag Jan enz. Gaat men naar elkanderen te gast of te pieselen, dat nog al veel in den winter geschiedt, dan is altyd het middagmaal een zeer vaste regel, meelklont of meel in de peul gekookt en aardappelen met spek en vleesch, men slyt als dan den tyd meest met praten over de landbouw en veeteeld en verder huishoudelyke zaken. Ook gaat men hier elkanderen nog al veel op een avondvisite bezoeken, men komt als dan des avonds om zeven uren by elkanderen, men drinkt al spoedig een kopje koffy, men spreekt met elkanderen over zyn bedryf of iets anders, en vervolgens drinkt men weder een kopje koffy of chocolade, en men eet er een boterham met biscuit bij; daarna neemt men al spoedig afscheid wyl het als dan doorgaans middernacht is. Des zomers staat men gewoonlyk des morgens te 4 of 5 uren op, de veenwerkers vroeger die behooren met zons opgang by hun werk te zyn, des winters om 6 uren, des morgens ontbyt men te 8 uren, des middags eet men om twaalf uren, en des avonds te 6 uren; doch dit is geen vaste regel; des avonds gaat men tusschen 9 en 10 uren te bed.
Tot vermaak en uitspanningen worden de kermissen en boeldagen sterk bezocht.
Ook trouwen gaat meestal zonder veel omslag of omstandigheid en zonder veel kosten toe.
By begravenisplegtigheden, wordt hier doorgaans een zeer grote schare zoo wel mannen als vrouwen genoodigd, welke allen het lyk ten grave volgen, de Predikant heeft terstond achter het lyk den voorgang, dan volgen de mannen en daarop de vrouwen, welke vrouwen allen met een zwart regenkleed omhangen zyn; aan het sterfhuis terug komende, vindt men de tafels met fyn roggenbrood en bier toebereid, den Predikant doet by de maaltyd een toepasselyk gebed en dankzegging.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Lukaswolde zegt men heeft by ouds een voorname plaats geweest, er zouden pl.m. 350 huizen, onder welke ook fabryken, en eene kerk gestaan hebben; wat hiervan is, weet men met gene volkomene zekerheid, dan dat er eene kerk geweest is, is zeer waarschynlyk; een zeker stuk land aldaar wordt nog het oude kerkhof genoemd en behoort tot de Pastory goederen van Noordwyk; dat er veel meer gebouwen geweest zyn dan nu, is ook waarschynlyk; wegens de steenen, Fondamenten enz. die men veeltyds in het graven nog ontdekt; ook wordt er nog al veeltyds overblyfselen van ouderwetsch huisraad, als potten, pannen, kannen, kruiken, enz. in den grond gevonden.
Burgten worden hier niet gevonden; doch men gelooft, dat er oudtyds te Noordwyk niet ver van de kerk een Burgtje gestaan heeft, waarvan voor een jaar nog eenig spoor van een gracht werd gevonden, binnen welkers gracht men oordeeld, dat de Burgt moet gestaan hebben; doch deze gracht is nu geslecht; ook vindt men een gestoelte in de kerk, welke men zegt, dat het huis van Aduard behoort; ook heeft de Collatie van Noordwyk aan het huis van Aduard behoort; dus zeer waarschynlyk dat dit Burgtje met deszelfs regte tot het huis van Aduard is overgegaan.
Spookeryen slaat men hier niet veel geloof meer aan; maar men hoort nog enkeld zeer oude menschen spreken van plaagbeesten, dieren die hier by ouds toehielden, het naast bygelykende op een groot kalf met zeer groote vurige oogen en groote neerhangende ooren, welke des avonds met de beesten in de hokken konden gedreven worden, en hoe digt zulk een hok ook zyn mogt, des morgens waren zy altyd weg, zonder dat men sporen konde, waar zy gebleven waren, zoo dat men ze nooit by dag kreeg te zien; wat men hiervan maken zoude wist men niet, of het spokery of tovery was; echter hield men ze niet voor natuurlyke dieren, maar zy deden niemand last.