Zoek op de website

Noordwolde

Gemeente Noordwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Noordwolde.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De Wolddyk omstreeks een half uur van de kerk, welke voor zoo ver die tot Noordwolde behoort, van nevens de kerk tot vyf minuten voorby den zoogenaamde Monniken weg loopt.
De naamsoorsprong is dezelfde met dien van dit dorp, namelyk dezelve komt van de wouden (wolden) of bosschen, in welke dit dorp met Zuidwolde, van welke het ten noorden gelegen is, voor de aanlegging der Zeedyken in dit gewest, gewikkeld was, ten westen van welk dorp, deze dyk als een verhoogde weg in der tyd werd aangelegd, ter schutting van het binnen water.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk te Noordwolde is geen dufsteen van belang.
Op de twee torenklokken, die beie vry groot zyn, zyn de volgende opschriften –: 1) van de groote klok: Anno 1597, fri doe Got Gert powels mi de Collatoren tho der kerken nortweld hebben mi laten geten. 2) van de kleine klok: Anno 1634 hebben EE heeren Collatoren tho Noortwolde mÿ laeten gieten ter Ehre Godes und dienst der gemiente. Dorch het vyers kracht bin yck gefloten, meyster Nicolas Sicmans tot groningen heft my gegoten. Boven de toren-deur wordt gelezen: Anno 1714 is deze torn gereppureert. Aan het frontspits van het zoogenaamd doods-poortje, ten oosten der kerk staande, wordt het volgende gelezen: Si vis ad vitem ingredi serva man data. Matth: 19 Anno 1628. lager leest men dezen Bybel tekst: De verisenisse der Doēden Beide der Gerechter En ongerechter IS Thocomstig Act. Apostel cap. 24.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Te Noordwolde is alleen eene uitwatering, de lozing genaamd, aanvangende by den monniken weg, loopende by langs den lagen weg door Noordwolde, en uitloopende door middel van een watermolen te Zuidwolde in het Boterdiep.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene; wat de dyken betreft, zou men den Wolddyk, van welken reeds gemeld is, kunnen noemen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene. De boeren plaatsen in het gemeen zyn hier boschryk.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het delfstoffelyk ryk geene, behalve dat de klei alhier geschikt is voor het maken van tigchelsteenen. Uit het plantenryk al de voorbrengsels, welke de omliggende dorpen hebben, en wel van de beste soort. Alzoo is het ook gelegen met de voortbrengsels van het dierenryk. – Vruchtboomen worden hier meer en meer aangekweekt, alsmede aardappels, peulvruchten en verder goede tuingewassen. De visschery betrekt zich hoofdzakelyk alleen tot het Boterdiep, en levert goede aal, snoek, baars enz. op.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is hier ter diepte van een en een halve palm in de oppervlakte meestal van zware klei; by den Wolddyk okerachtig en aan de noordzyde naar Bedum een weinig zandig; doch in het gemeen zeer vruchtbaar. Dieper is de grond meer zandig en leemig.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Eigenlyk gezegd geene. Voor de klederdragt en kleine tooi is echter in dit dorp in bewerking genoegzaak bedryf. Zoo is het ook met de mondbehoeften.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Daar de bewoners van dit dorp meest alle landbouwers zyn, worden hier geene fabryken enz. gevonden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Die is hier en in de ommestreken dikwyls regenachtig en, behalve in het zomersaisoen guur, doch juist niet ongezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eéne kerk, ééne school, en eenige Leden van een Leesgezelschap, dat te Onderdendam vergadert. Schoon men de zangkunst hier vlytig beoefent is er toch eigenlyk gezegd geen zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve eenigen kleinen handel, zyn hier de middelen van bestaan, die van den landbouw en de veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Dit kan men eenigzins opmaken uit de volgende zamenspraak tusschen Haje en Jaap:
Haje; gaiste mit Jaap! daar gunders bie dy winakker liggen kiewies aÿer zellen wie ze halen?
Jaap; nee Haje! wie hebben ein mour-vool, daar mou’k oppassen.
Haje; wat zol dat, dat is maar ein prikdil, ga doe maar mit.
Jaap; ‘k duur nÿt, en wie hebben ook gÿn polstok, en jobenaam! as môur t wies wuir, den kreeg ‘k wis wat op pokkel.
Haje; o! doe hest meinst ein wurm ien ’t lief; gortjes! dugt maar driest.
Jaap; doe bisse ein heile kapperaal, maar kensse nyt einmaal over sloot wipjen.
Haje; og! doe blase ein dollert, ga maar hen, ‘k zel d’aÿer wel allein pakken, en zunner die knappies er deur jagen. –

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De Noordwolders staan des morgens vroeg op, ontbyten te acht uren, des middags te twaalf uren eten zy en des avonds te zes uren telkens op het luiden der kleine torenklok, en gaan dan vroeg te bed. Zy nemen weinige uitspanningen, bezoeken echter elkander dikwyls, en onthalen, daar zy altyd melk voorhanden hebben, elkander dan veelal op chocolade. By het begraven van dooden gaat men het lyk twee malen, onder het luiden der beide klokken om de kerk, en geeft men aan het sterfhuis meest warme maaltyden. By gelegenheid van trouwen bedryft men geene uiterlyke vrolykheid, maar rekt de onderlinge bezoeken echter tot diep in den nacht. – Zy zyn eerlyk, getrouw in het houden van hun woord, vreemd van al wat niet volkomen oprecht is, en beginnen meer Godsdienstig en verlicht te worden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Ten noordoosten van de kerk, aan de Wolddyk is eene boerenplaats welke nog overblyfsels vertoont van den burgt of heerlykheid Thedema, door Jonkheeren van Sickibnghe in ’t laatst der achttiende eeuw nog bewoond, als mede ten westen der kerk aan den Wolddyk eene boerdery welke in de zeventiende eeuw tot zomerverblyf verstrekte van de Mensema’s. De heerlykheden zyn op het huis Ewsum van Middelstum overgegaan.
Van Bygeloof is men hier ter plaats grootendeels ontdaan.
Aldus beantwoord door den Schoolonderwyzer te Noordwolde.

(get) K. Westerhoff.