Zoek op de website

Nuis

Gemeente Marum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nuis.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De Zuiderhoek een kwartier ten Zuidwesten van de kerk, naamsoorsprong onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is er aan de kerk niet en op de torenklok leest men Borchhard Fidit Enghusae. Nuis anno 1777.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Zie Marum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren vind men hier niet.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten enz. vindt men hier niet. By de kerk is eene kleine zandhoogte.

7. Welke bosschen zijn daar?

Een van de Familie van Teÿens.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Gelyk te Marum.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

In ’t midden door bemesting een vruchtbaar zand, ten Zuiden hoogveen, en ten noorden lage hooilanden, de ondergrond is zand, potklei, leem en darrig.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Zie Marum.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Boekweitenmaaldery, Wevery, Schoenmakeryen, Timmerlieden enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een kerk, een school, een Leesgezelschap met Marum en Niebert, een Zanggezelschap met Niebert.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Van Landbouw, Veenarbeid en handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Gelyk Marum, echter begint het Vriesch Dialect hier al te verminderen, en de naam meeden voor hooilanden hoort men hier niet.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zie Marum.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men heeft hier het fraaÿe buitenverblyf van de Erven van Teyens, oudtyds dat der Coenders.
Spookverschyningen, zie Marum.

Wylen J.E. Post, heeft my op zyn ziekbed
verzocht bovengemelde beantwoording te doen.

(get) J. Smit.