Zoek op de website

Oldehove

Gemeente Oldehove

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Oldehove ligt in het noordwestelykste deel van het voormalig district Westerkwartier. Met Niehove en Saaksum vormt het de burgerlÿke gemeente van dier naam, en beslaat met dezen het Humsterland, voormaals Humerche of Hummerche, en in de vroegste tÿden Humer- of Hummerzee. Humsterland, zooals eenigen willen, zou even als Middag tot Humgoo gerekend zÿn geweest; doch had, door den invloed van deszelfs edelen, steeds een afzonderlyk bestuur en eigene wetten, en verkoos het zelf zÿne regters, redgers, buur- en dÿkregters, enz.
Oldehove is, misschien, zynen naam verschuldigd aan eene haven, die men denkt, dat hier gelegen hebbe, en wel een weinig ten noorden, onmiddelyk aan den provincialen zeedÿk. Misschien dezelfde, waarnaar de heer Westendorp vraagt, waarin Willehadus, een aanzienlÿk engelschman, ten jare 679 Humerche zou geland zÿn, om de overlauwersche Vriezen tot het christendom te bekeeren. - Immers, scheidde de Hunse zich, kort beneden de stoepen in tweeën, waarvan de eene arm zich, nadat dezen met eene groote kronkeling zeer nabÿ dit dorp naderde, na een kwartier uurs weder met de andere bond. De oude bedding van dien Zuidelÿken arm is nog zigtbaar, en kan op vele kaarten, althans voor het grootste deel, worden nagegaan, als zÿnde tegenwoordig de waterlossing van dezen polder (de Kampen); deszelfs water door eene groote klÿve ontlastende. Dit Kampen-eiland werd zekerlÿk vóór de omdÿking bewoond, even als het Ruigezand. – Aan de Oostzÿde der bedding merkt men nog den ouden dyk, en ook paalwerk op. Ook wÿst men de plaats, waar een oorlog schip zoude gezonken zÿn, waarvan men de masten bÿ eene uitmoddering ontdekt en gezien zou hebben. Even binnen den kapitalen zeedÿk vindt men eene kolk, ter diepte van om de 40 gron. voeten. Zou deze ook een deel, dewÿl zÿ voorheen buiten den dyk lag, van de door de natuur gevormde haven geweest zÿn? Hoe het zÿ, behalve dit, kon de oude bedding, door hare kronkeling, eene veilige ligplaats – hoewel minder zeker dan het noord-westwaarts overliggende Marnamanum – voor de schepen opleveren. Dit pleit althans toch voor het bestaan van den ouden loop der Hunse, dat van deze polder, tot aan de invoering der nieuwe wet op de grondbelasting (1810 à 1811?), niettegenstaande de oude bedding opgeslÿkt en afgedamd, het land binnengedÿkt en aan Oldehove sinds vele jaren verbonden was, - de ’s ryks-belastingen betaald werden, als tot Hunsegoo behoorende. - Zou men nu niet durven denken, dat Oldehove oorspronkelyk Oldehaven of haven zÿ? Ik heb het wel eens dus zien geschreven. Zou naderhand, by de vestiging van het proostdÿschap haven of have niet in hove veranderd zyn? Het byvoegelÿke Olde kan slechts dagteekenen van de geboorte van het later aangelegde Niehove. - De ouden wisten in de benaming van steden en dorpen, toch zeerwel het geslacht te bepalen. En, zoo zÿ het voorzeker den naam van de plaats of het dorp van het hof of den zetel des geestelÿken bestuurs van Humerche afleiden, zouden zÿ het voorzeker Oldenhove hebben gedoopt.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder Oldehove behooren de buurten Kenwerd, op vÿf min., Aalsum op 15 min., Lamerburen en Korhoorn op een half uur, en het Ruigezand op een uur, alle min of meer westelyken afstand der kerk. - Ten zuiden vindt men Jensema en Fritema na een groot half uur; - ten Zuidoosten Selwerd op 15 min. en ter Horn en Barwerd op 40 min., - en ten oosten Engelum en Engelumborg op 15 en 10 minuten afstands. - Voorts heeft men nog onder bÿzondre benamingen, in onderscheidene strekkingen verspreid: Fuulsema, Ikum, Roetsum, Eenema, ‘t Oude-Heem, de Kampen, en voorheen ook Peluirsma; dat nu tot den Ham gerekend wordt, alle voorzeker door edellieden bewoond geweest, om van andere niet te gewagen.
Van den naamsoorsprong des dorps en der buurten kan ik niets met zekerheid gissen; bÿna alle liggen zÿ op wierden, zooals de uitgangen ook te kennen geven. Het Ruigezand was in het laatst der voorgaande eeuw nog eene kwelder, op welkers zandachtige kleibodem veel ruigte groeide. Gekocht door de gebroeders Teenstra door eene som van f 46500 werd zÿ door hen in 1793 (?) ingedykt. Deze polder, waarvan de Teenstra’s 326 grazen bezitten, is omgeven met eenen dyk van 16 voeten hoogte, en 1600 roeden lengte, en kan als eene der bezienswaardigste buurten in deze Provincie gehouden worden, waarom dezelve, vooral toen de Feenstra’s nog leefden, door velen bezocht werd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De kerk bezit geen dufsteen. Zÿ was in het midden der 17e eeuw zeer bouwvallig geworden, zoodat eene geheele vernieuwing noodzakelÿk werd geacht die hare voltooÿing in 1664 verkreeg, blÿkens dit opschrift, boven de kerk-deur:

Genesis Cap. 28: vs. 17:
Dit is de poorte des hemels.
Aldus geordineert ende gemaakt
By Vernieuwinge van dit huis Gods
Als kerkvoogden waeren
Jr. Asingha van Ewsum op Englumb.
Commiterde. Raed ter Admiraliteit
tot Amsterdam
Remt De Mepsche Raadsheer.
der Stadt Groningen
Dn. Haico Petri Haickelenborg
Pastor in Oldehove
Anno 1664.
Gaat in tot Syne poorten
psalm 100 vs. 4.

De toren onderging reeds in 1608 eene verbetering. Deszelfs zware torenklok is omgeven,

Bovenrand:

Ik nodich al wie vreest den Heer
Tot dienst van Christus D’Hemelkoningh
En slaa een naar geluit wanneer
De mensch verlaat dees Aardsche woning.
Johannes Borghharde Fecit Groningen
Anno Domini 1734.

Onderrand:

Rempt D Mepsche Jonker en Hovelinck in Humsterlant
Raetsheer in Groningen Gedeputeerde Staat dezer Pro-
vintie Kerkvoogt tot Oldehove 1734.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De rivier de Hunse, die de noordelyke grenzen van dit dorp, bepaalt, ontlast zich door de Lauwerzee. Oudtyds was hare kronkeling alhier zeer aanzienlÿk. Van tussschen de Roodehaan en de Stoepen liep zÿ tot op een’ geringen afstand tot Oldehove, stroomde van hier noordwestwaards voorbÿ Marnamanum, terwÿl zÿ in eene West-Zuidwestelyke rigting voorby het Ruigezand loopende, noordwaards voorby de Zoltkamp zich met het Dokkumer-diep ineenmengde.
De kommerzÿlster-rÿt, voorheen tusschen het Ruigezand en de Waardster-kwelders, zich in de Lauwers ontlastende, scheidt thans de Lamerburen en Korhurn van het Ruigezand, en valt dáár in de Hunze.
De Lauwers, die, zooals het heet, de scheiding tusschen Groningen en Vriesland is, snÿdt het westelÿkste deel van Oldehove’s kerkelÿken omvang van het Ruigezand, dat de Stads-kwelder heet. De buitenste sluis van dit voormalig riviertje, ligt in Oldehove, doch behoort tot de Vriesche administratie. Hare uitwatering schÿnt door zware stormen en hooge vloeden verlegd te zÿn, als ontlastende zich thans in de Hunse.
Voor 1826 onderhield Oldehove de gemeenschap te water met Groningen, langs hare oude rÿt en de Hunse. Deze ryt liep eerst oostwaards tot zy de rÿt van Humsterland, die voorheen, althans tot Jensema bevaarbaar was, ontving, dan naar Saaksum, en stortte het overtollige water door eene sluis, in de Hunse. Thans is deze zÿl weggebroken en gestopt, sedert men in 1826 een nieuw kanaal met eenen breeden, hoogen weg heeft gegraven en aangelegd, van Oldehove bÿ langs de dorpen Saaksum, Ezinge en Feerwerd naar het Aduarder diep, om de gemeenschap dezer dorpen, van en naar Groningen, voor passagiers en goederen, gemakkelÿker, beter, en spoediger te hebben. In den ouden dÿk bÿ Ezinge wordt het water door een vallaat geschut, dat geoordeeld wordt volstrekt ondienstbaar te zÿn.
De togt, welke by Peluirsma ontspringt, voorby Jensema en Fritema loopt, en de burgerlÿke gemeenten Oldehove en Zuidhorn van een scheidt, was vroeger ook bevaarbaar. - Voorts denkt of zegt men dat Oldehove, door het Humsterland ten zuidoosten, te water, gemeenschap hadde, met Adewerd. Ik heb de bedding hiervan willen opsporen, maar ben verward geworden door vele oude laagten. -
Men vindt hier twee aanmerkelÿke kolken of wielen. De eene cirka 3 min. ten noorden, zekerlÿk van 30 tot 40 of meer voeten diepte: de andere ten noordoosten niet verre van de voormalige Saaksumerzÿl. Beide beslaan zÿ ieder nagenoeg twee bunders oppervlakte, en zullen zekerlÿk treurige overblÿfselen zÿn van vroegere overstroomingen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Aanmerkelÿke wierden zÿn die van Kenwerd, Aalsum, Englum, Selwerd, Barwerd, Fritum (Fritema). Kenwerd zal den kapitalen zeedÿk, die den beruchten vloed van 1825 trotseerde, in hoogte overtreffen: de vier volgende zullen daarmede nagenoeg overeenkomen. Beide eerste hebben ieder wel eene uitgestrektheid van tien bunders.
Ten noorden der Lamerburen ziet men, aan den oever der Hunse, eenen heuvel, Jolamer- of Lamberbult, geheeten, van eene steenachtige zelfstandigheid. Men zegt dat hier eene baak, voor de zeelieden, gestaan hebbe. - Een dergelÿke vindt men 5 min. ten oosten van Selwerd, die om deszelfs steenachtigheid en weinige teelaarde, voor den landbouw ongeschikt is. Beide deze heuvels worden gedacht niet opgeworpen hoogten te zÿn, daar bovengenoemde wierden als opgeworpen worden aangemerkt, vermits men, in het graven steeds teelaarde / of zoo als men zegt klei houdt. -
Behalve den zeedÿk met deszelfs kâdÿken, die Oldehove ten noorden en westen omgeven, vindt men nog flaauwe overblÿfselen van den ouden Humsterdyk, die van Balmahuizen over Fritema, Jensema en ter Horn voorby Peluirsma aansluit met den Ouden dÿk van den Ham naar Noordhorn ten noorden. Van ter Horn loopt er een oostwaards naar den weg, van den Horn naar Oldehove; en loopt dan zuidwaards naar den Ham. Van Zuttum loopt er een noordwestwaards, en volgt, kort beoosten Barwerd, den weg van hier naar Saaksum. Men verwarre met dezen niet den ouden dÿk van Ezinge, naar Zuttum over den Ham naar Noordhorn, - en den Munniken-dyk tusschen Adewerd en Zuidhorn.
In een h.s. van den heere Westendorp werd melding gemaakt van eenen dÿk, die dwars door het Humsterland, benoorden Selwerd, Niehove, naar Pama loopt. Ik heb denzelven nergers kunnen opsporen.
Op eenige kaarten zÿn ter Horn en Peluirsma geheel verkeerd geplaatst.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlÿk bosschen worden hier niet gevonden. Het boomgewas der voormalige burgten is geheel verdwenen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Ofschoon de natuurrÿken alhier geene byzonderheden opleveren, die andere gemeenten dezer Provincie niet bezitten, kan men toch niet ontkennen, dat de grond eene goede geschiktheid bezit, voor den groei van vele planten.
Het delfstoffelÿk-rÿk levert hier niets op dan eenig leem, dat, in plaats van kalk, tot het metselwerk der gebouwen wel eens gebruikt wordt.
Het plantenryk levert vooral op, dat tot den landbouw betrekking heeft, als: weinig rogge, doch in grootere hoeveelheid tarwe, winter- en zomergerst, boonen, veel haver, groene - en graauwe erwten, koolzaad; aardappelen, (zoowel de gele als zeeuwsche), klaverzaad, gele wortels, koolrapen (eene soort van knollen), enz. De tuinen leveren goede kool, groote boonen, tursche erwten (slâboonen), en andere peulvruchten. De hoven zÿn wel voorzien van appel-, peere-, pruim-, en kerseboomen: abrikozen, persiken en druiven ziet men zeer weinig. - De ypen, esschen en wilgen tieren hier welig, en de linde en vlier hebben een goed aanzien. Voorts vindt men nog weinige beuken, slechts twee eiken, eenige elzen, - haagdoorn bylangs de oude dÿken, en witblad op de wierden. Aan in het wild groeÿende bloemen ontbreekt het de velden niet; en onder het zoogenaamde onkruid zullen vele eene genezende kracht bezitten als daar zyn: kamille, paardebloem, kweekgraswortel, brandnetel, hondsdraf, bitterzoet, huislook, nachtschade, enz.
Onder het dierenrÿk vindt men hier: voortreffelÿk rundvee, schoone paarden en goede schapen. Zwÿnen worden hier niet meer gemest dan tot eigene voeding noodig zÿn. Behalve de hond en de kat, heeft men ook in het wilde loopende: hazen, meerten (bontsems), wezels, ratten en muizen, en mollen. -
Tot de vogels rekent men: de hoenderen duiven, ganzen, zwanen, eenden, meeuwen, reigers, snippen, kraaijen, enkele raven, eksters, vele musschen, vinken, robynen, winterkonings, ook uilen en kleine valken. - De ooÿevaar, zwaluw, leeuwrik, kievit, spreeuw, eene soort van vinken, houdt men voor trekvogels. - In sterke winters ziet men ook wel eens, duikers, smeenten, taling, ysvogels, enz.
Onder de visschen vangt men in de binnenwateren: snoek, voorn, brasem, baars, aal, enz. Bot en aal worden ook in het reit-diep gavangen, waarin men den zeehond en bruinvisch nu en dan ook te voorschÿn ziet komen. -

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Het bovenste gedeelte van den grond, bestaat uit eene laag tamelÿk goede, vruchtbare, uit slib of slÿk vereenigde, teelaarde. Ten noordwesten van Oldehove, zooal bÿ Kenwerd, Aalsum, Korhurn; en op de Polders en de Uiterdÿken, voornamelyk het Ruigezand, de Kampa is zÿ het vruchtbaarst. Ten zuiden is de laag teelgrond, hoewel anders van eene vruchtbare zelfstandigheid, te dun, om bÿ eene doelmatige behandeling eene goede vrucht voort te brengen. Men ploegt hier ligtelÿk te diep, waardoor de zoogenaamde Knip, met oerachtige deelen vermengd, boven komende, onvruchtbaarheid veroorzaakt. De landlieden noemen deze oer of orre - deelen, roodöorn. Onder deze roodöorn- of kniplaag, volgen andere zwaardere en zanderiger kleilagen die behoorlÿk met de bovenste laag of teelaarde vermengd zÿnde, eene meerdere vruchtbaarheid geven, zooals uit het zoogenaamde woelen blykt. - De onderscheidene lagen klei, tot op het welzand, dat men hier van 10 tot 20 voeten diepte aantreft, durf ik niet opgeven: in onderscheidene lagen vindt men zeeschelpen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Evenmin als hier wetenschappelÿke inrigtingen bestaan worden hier ook kunstenaars gevonden.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabrÿken worden hier niet gevonden. Behalve een rog- en pelmolen, vindt men nog eene stelmakerÿ, smederÿ, kuiperÿ, schoonmakerÿën, – voorts winkeliers; timmerlieden, metselaars, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is zeer veranderlÿk, veelal koud en vochtig: Vandaar zekerlÿk de koortsen, vooral by kinderen en vreemden. De schoone zomeravonden worden niet zelden door de noordelÿke winden voortgedrevene zeedampen onaangenaam, zoo zelfs dat men daarmede bezwangerde lucht, door den reuk ontwaart.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier zÿn twee kerken, eene voor de hervormden, en eene voor de doopsgezinde gemeente in Humsterland, op eenen zuidoostelÿken afstand van 40 min., by ter Horn. - Er is een leesgezelschap: Voor verstand en hart, dat zich uitstrekt over verscheidene, omliggende dorpen. Het aantal leden zal om de 150 bedragen. Ook is er een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn, hoewel van ongelyken aard, en minder uiteenloopende, dan in andere, grootere, plaatsen, hetgene ieder met de uitoefening van zÿn bedrÿf (zie 11.) wint. Aan de groote landbouwende klasse, dit spreekt van zelf, is eene menigte van daglooners verbonden. Zoogenaamde renteniers zÿn, op een na, thans verdwenen en de zeer gegoede landbouwers van vroegere dage zoekt men heden bÿna te vergeefs, hetgene aan de door versterf veroorzaakte, vererving naar vreemde plaatsen, schrale tÿden, enz. moet worden toegeschreven.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal is hier lomp en boersch, en de uitspraak uiterst moeÿelÿk, door schrift, aan te duiden. Het westelykst gedeelte, vooral het Ruigezand, heeft den vrieschen tongval, die in Oldehove zelf en de overige buurten, als een zachten overgang tot dien van Hunsegoo is aan te merken. Sedert de laatste dertig jaren is die lompe, boersche taal echter, “door een verbeterd schoolonderwÿs,” en eene meerdere leeslust van boeken, aanmerkelÿk beschaafd.
De a in bade, zaam, baar, enz. heeft den klank tussschen a en ö.
In ïe moet men de i hooren laten als in is, bv: in niet, daarom ï.
In öe de o als ö in zon.
In üi de u als in us.
De ÿ hoort men slechts in hÿ, zÿ, juist zoo als zy wezen moeten t.w. tusschen ei en ie.
Het volgende stukje moge dienen, zoo het niet te lomp is uitgedacht, tot een proefje van de platte taal.
Vrouw. Wat heur ik daar guster van di, Gees! zel toe trouën?
Meid. Wel het joe dat verteld, vrouw! ai kom! ji möet er
niks van loven: der is niks van an.
Vr. - Huf ste ’t lang zoo ver nïet weg smiten, ‘k wïete al wat van.
M. - Zoo! – Mit wel din?
Vr. - Wel, vragt stoe daar nog na? – Mit N. ziïn grootte vrint.
M. - Heerink miïn tiid! –
Vr. - ‘t Mag di nei döen of nïet, Gees! Ik zeg di, dink di göed. ‘k Wil anners niks van de vint zeggen: hÿ komt altied kant en knap veur ’n dag, in zoo as ‘k heur willer ök wel arbaien, maar ‘k heur ök dat hy wel rais sinten te züik brink.
M. - Jammaar, vrouw! der binnen ökken hïele bult dïe hom geern ’n klik ien ’t gat willen geven.
Vr. - Nou Gees, zoo roeg nïet, kenste jah wel oddinnlik praaten. ‘k Docht ’t wel, dat stoe ïen lün mit hom trekken zölte. Nou, dat is daar an töe. As jem ’n kander mïenen, din is’t ök beter te trouen as te brannen. Eerschans gait het gemakkelük din binje ’n luttik huushollinktje. Maar as ter rais ’n koppel kiender komen, höe din? ’t Möt mit joe din ök al van ’n dag uur komen. – En ’t wil altied niet veur de wiend.
M. - Jah vrouw, din möt ’t ons ök al gaan, zoo as ‘t ’n anner gait; - meer wïet ik er niet van.
Vr. - Ik zeg ’t uut göeder best. ‘k Zïe geern dat ’t die göed gait ien de wereld. Doe biste voel genög. En as Berint göed oppast, zïe ‘k er nog wel lich ien. Maar bedink die göed. –

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het karakter der ingezetenen is, over het geheel genomen, zacht, eerlyk en getrouw, vlÿtig en arbeidzaam in hunne onderscheidene betrekkingen: en hoewel standvastig, is het niet te ontkennen dat zÿ, voorgegaan door vele andere plaatsen, hierin eeniger mate, in vergelÿking hunner voorvaderen, zÿn gedaald, maar ook daardoor in verdraagzaamheid, vrÿheid van denkwÿze, enz. hebben gewonnen. – Door de afgelegenheid hunner woonplaats zÿn zÿ min bekend met de meer beschaafde zeden en gewoonten van den zoogenaamden fatsoenlyken stand der steden en andere, grootere, plaatsen, – wars van alle kunstmatige beleefdheid. – Door vreemdelinge niet bezocht wordende, zÿn zÿ ook met derzelver zeden onbekend, en leven velen naar ouderlyke gewoonten, zonder zich omtrent het punt van wellevendheid veel te bekommeren. – De landbouwende klasse van vele dorpen dezer Provincie, heeft dit zekerlÿk met hen gemeen.
Gedurende de zes zomermaanden springt de landman des morgens om 3 of 4 uren uit het bed, eet smorgens te 8, ‘s middags te 12, des avonds te 6 uren. In de zes wintermaanden staat hy te 4 à 5 uren op, plaatst zich aan tafel ’s morg. te 7 – ’s mid. te 12, ’s avonds te vÿf uren: - te 8 en 9 uren begeeft hy zich, gedurende het geheele jaar, te rust. In den zomer laat zich de burger echter eerst te 5 of zes uren zien, in den winter te zeven, – ontbyt te 8, 12 en ’s avonds te 7, 8 of 9 uren, terwÿl te tien á elf uren, door het uitdooven der lichten het overal nacht is.
Vermits hier geene bÿzondere inrigtingen voor volksvermaken bestaan, zÿn de uitspanningen ongeregeld schaars. Voor weinige jaren werd er op Vastenavond een papegaai (zoo als men het noemt) verschoten welke dag, even als een derde midwinters – paasch en pinksterdag, door ledigheid gevierd wordt. – Eenigen stappen van deze oude gewoonte af. – De boeldagen by de verkooping van losse goederen worden druk bezocht, en de avond en nacht alsdan aan vrolÿkheid gewÿd.
De bezoeken zÿn niet menigvuldig. Na het avondeten gaat men met zÿne vrouw, bÿ den eenen of anderen, onder het genot van een kopje koffy en eene pyp tabak, wel wat reutelen. – Worden eenigen bÿ iemand te drie of half zes uren op eene visite verzocht, dan brengt men den tÿd tot elf, twaalf en een uur in den nacht door, wordende er eerst thee, dan koffÿ en eindelÿk eene boterham met chocolade aangeboden, terwÿl de gastheer zÿne gasten door een glas bittere jenever (de vrouwen brandewyn met suiker), zeldzaam een glas wÿn of punch, – zoekt te vervrolÿken. – De bezoeken bestaan echter meestendeels in zulke, die bÿzondere personen, vooral in den zomer, met hunne verwÿderde familiën onderhouden, en dan doet men, elk op zÿne wÿze, zich wel eens te goede. – De tafel is zeer eenvoudig, als bestaande grootstendeels uit de vruchten die de grond oplevert, en vleesch – in het voorjaar ook wel visch – tot toespÿze.
Bÿ het trouwen hebben geheel geene bÿzonderheden plaats. De voormalige, groote bruiloften zÿn verdwenen, hetgene echter niet zoo zeer aan afkeer tot dezelven moet worden toegeschreven, dan wel aan de behoefte der ingezetenen, om zulks, zonder krenking van hun vermogen te bekostigen, wÿl het geven van geschenken aan de jong-gehuwden uit de mode was geraakt.
Bÿ de begravenissen hebben even min byzondere plegtigheden plaats. De kostbare Uitigsten zÿn door eenvoudiger, minder kostbare, als bestaande in wittebrood en bier, vervangen geworden, welke echter weder, naarmate van de gegoedheid van den overledene of deszelfs nagelatene betrekkingen, en bÿzondere denkwÿze te dezen, verschillen. – Deze maaltÿden, hoe ook beschouwd wordende, zullen hier zekerlÿk vooreerst nog wel stand houden. –
Voor het overige zÿn de bewoners dezes kerspels gematigd, openhartig en verdraagzaam in hunne denkwÿze, van daar ook, dat de invoering der evangelische gezangen minder tegenstribbeling ondervond dan in vele andere dorpen, zonder hen van onverschilligheid en ligtzinnigheid te kunnen beschuldigen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Bezate men nog het archief, door het fransche bestuur weggeroofd, vele plaatselÿke bÿzonderheden zouden voorzeker kunnen aangestipt worden, voor welke thans een digte sluÿer is opgehangen.
Volgens een geschrift, door wÿlen L. Grommers bezeten, doch nu te zoek, zou te Oldehove een klooster, versierd met twee torens, gecombineerd met een te Bafloo, al zeer vroeg gestaan hebben, doch voor de vestiging van het Adewerder Klooster zÿn vernietigd geworden.
Met meerdere en genoegzame zekerheid weet men, dat Oldehove eertÿds de zetel was van het proostdÿ- of dekenschap van Hummerche of Humsterland, dat zich mede over Langewold en Vredewold uitstrekte. Hetzelve behoorde onder het bisdom Munster, en werd onder anderen door den beroemden Viglius, als officiaal, bediend. Men vindt van dezen man aangeteekend, dat hÿ in 1533 aan Erasmus berigtte, het geweldig voortloopen van de secte der wederdoopers bÿ Oldehove en in geheel Groningerland, en dat een slecht en ongeletterd persoon, die men hier geloofde, dat de gaven van God had ontvangen, zich voor den Messias uitgaf; waarop door eenen brief uit Dulmen in Westfalen, in 1535 de dekens van Oldehoeve, Bafloo, Leens, Uskwerd, Loppersum en Farmsum werden aangezet om hen te vervolgen, en voor de kerketucht te zorgen. –
De kerk is zeker van vroegen datum. Wanneer zy gebouwd werd, weet men niet. Na de reductie in 1595, verkreeg zy in 1602 haren eersten predikant. Niehove was met haar tot in 1643 verbonden en Saaksum tot 1610.
Onder de predikanten noem ik slechts A.J. Muntinghe, wiens weldadig en ÿverig pogen van 1786 tot 1808, nog heden blÿken draagt. Zÿne diepe inzigten in het vak van Godgeleerdheid, en standvastige deugd, door zÿnen naam van vele achtbare personen, nog met eerbied noemen.
Voor 1795 werd in de kerk eene oude, zware, zerken doopvonte bewaard, doch is op bevel der genootschappen met het gedenkteeken van de Graven van Cobentzl, en vele wapenschilden van de familiën van Huningha, van Diest, Rengers, Ripperdag, DiMepsche, en andere, uit dezelve verbannen. – Van de vonte en het gedenkteeken liggen nog slechts brokken, achter den toren. Voor eenige jaren lagen beide daar nog bÿna ongeschonden. De bekervormige vondte had, by eene hoogte van vier voeten, drie voeten in middellyn. – Het gedenkteeken zat van binnen, op het koor, in de noorder muur. De Gravin is in eene kist, die van buiten gerekend, eerst zerk, dan hout en eindelyk lood is, in den grafkelder, Fritema, bygezet. –
Vyf jaaren geleden, heb ik met behulp van den heer Burgemeester, den kelder geopend, doch de aanteekeningen, door mÿn vertrek van Sappemeer, verloren. Thans, daar de kerk van binnen wel vier voeten is opgehoogd, bÿ de verbetering der banken en glazen in het voorgaande jaar, kan aan geene opening deszelven gedacht worden. – Echter is het mÿ gelukt, na veel zoekens, door mÿ anderen, slechts drie inscriptiën der kist magtig te worden. Het gedenkteeken met het oude wapenschild, heb ik onlangs zoo goed mogelÿk opgenomen, en ben dus in staat het volgende te kunnen leveren.

Westzÿde der kist:   Noordzÿde:
CHARITAS   Inp VL Vere Dor MIens
DEJ   req Vies Co sperans In
    Ies VsaL Vatore nostro
     
Zuidzÿde   Oostzÿde:
(Dit mis ik)   HIS.


Gedenkteeken:
 

Sta Viator Lege et Luge
Iacet hic in fra

Excellentissima Domina Dnâ
Margareta Joanna Francisca
Catharina Ioseph . . . Antonia Eva
Honorata Comitissa . . . et Cobentzl
Nata Vienna die 11 Jan. 1698
Nupta Caallitissime Domino Duô
Ludu . . . Ludilic . . . de Ripperda
Domino in Poelgeest . . . Coudekerk etc. etc. etc.
die 16 Janr. 1727.
Postpie Susdpta s Romano
Catholica Ea sesia Sacra
menta denata.

Wapenschild:

Objit
Hagae Comitis 24 maji 1730
Excellentsima Domina,
Dnâ Margareta, Comitissa de
Cobentzl, nata Vienna in Aûstra
Die 11 JanÅ­arii 1698
R.I.P.

Alle letters heb ik niet met hare bÿzondere karakters kunnen opteekenen. Van eene vriendelÿke hand, ontving ik de volgende vertaling:
 

Westzÿde der kist:   Noordzÿde:
Gods Liefde.   In het stof slapende rust
    ik hopende op Jezus onzen
    zaligmaker.
     
    Oostzÿde:
    Verkorting van: Jesus
    hominum Salvator, dat is:
    Jezus der menschen zalig-
    maker.

Gedenkteeken:

Sta wandelaar, lees en ween!
Hier onder ligt
de doorluchtige vrouwe, vrouwe
Margareta Johanna Fransisca
Catharina Josepha Antonia Eva,
eerbare graving van . . . . en Cobentzl;
geboren te Weenen den 11e jan. 1698,
gehuwd aan den doorluchtigen heer, den heere
.........................................................de Ripperda.
heer van Poelgeest en Coudekerk, enz. enz. enz.
Na de Sacramenten der Heilige Roomsch
Katholieke Kerk vromelÿk ontvangen
te hebben,

Wapenschild:

Stierf zÿ
te ’s Gravenhage den 24 mei 1730
de doorluchtige Vrouwe, de Vrouwe
Margaretha, gravinne van Cobentzl,
geboren te Weenen in Oostenrÿk den 11e jan. 1698
R.I.P.
verkorting van Requiescat in pace,
d.i. Zÿ ruste in vrede.

Met welken Ripperda deze graving gehuwd geweest zÿ, ligt in het onzekere, dewÿl het gedenkteeken hierin niets beslist. Men heeft wel eens gedacht aan den zoo zeer beruchten Ripperda, maar dan moest zy zÿne tweede vrouw zÿn. – Men vertelt dat zÿ om de hier toen heerschende pokken van Englumborg of Jensema naar hare goederen in Holland ware vertrokken, doch dáár door dezelven is aangetast, in den Haag overleden, naar herwaards te scheep vervoerd, en by de Kampen zou zÿn aan wal gezet. Maar wat regt had men, om haar in den kelder van Fritema te plaatsen?
Onder Oldehove had men ook het slot of de burgt Ripperda, van welke men de plaats niet meer weet aan te wÿzen. Misschien stond het op Jensema of Fritema. Op beide vindt men sporen van zoodanige kasteelen. Zouden al de Ripperda’s niet van deze burgt afkomstig zÿn? – Op Jensema ziet men nog den dubbelen wal, met onderscheidene grachten. Pas 15 jaren geleden werden de schietgaten van het overgeblevene schathuis gedigt, en de loopgraven met de batterÿen gedempt.
Van Englumborg vindt men eene afbeelding van 1774 op de groote kaart van Bekkering.
Op Barwerd toont men de plaats, waar een kloostergebouw zou gestaan hebben. Welligt was het eene burgt Kenwerd verraadt ook van dien aard. Waarschÿnlÿk stond hier het klooster. In 1827 à 28 heeft men hier kogels zwaarden potjes of urnen met asch, enz. opgedolven.
Aan Selwerd kent men ook eene burgt toe, waarvoor de aangewezen grond geschikt was, als zÿnde nog met eene gracht omgeven.
Onder de opmerkenswaardige mannen die Oldehove bezat of voortbragt, noem ik vooreerst eenen Sicko Beninge als schrÿver van eene Kronÿk van Groningen die hoveling in Humsterland was, doch vervolgens hoofdman en raadsheer in Groningen werd, – en eindelÿk Jan Lodewÿk, baron van Ripperda, heer van Englumborg en Jensema. Te Leiden studeerende bezielde men hem met de protestantsche gevoelens, waartoe hÿ vervolgens openlÿk overging, verkrÿgende hÿ daarvoor zitting in de Staten Generaal in 1733. Daarna werd hy van wege ons gemenebest tot ambassadeur naar Madrid gezonden. Hier ging hy weder over tot de roomsche kerk, en trad in dienst des spaanschen konings, werd opzigter over de Koninklÿke manufaktuurfabrÿken, bragt als afgezant in april 1725 een tractaat tusschen Spanje en Oostenrÿk tot stand, waarover meer dan drie jaren, te vergeefs was gearbeid, klom op in dec. 1725 en vervolgens tot eersten staatsdienaar, geheimschrÿver van staat, minister van oorlog, van justitie, van koophandel en van de Indien, en erlangde de hoogste waardigheid van den staat, te weten hertog en grande van den derden rang. Nÿd en kabalen deden hem echter spoedig vallen (mei 1727?), en ofschoon hem een aanzienlÿk pensioen werd toegekend, dat hÿ met verachting afwees, werd hy op het kasteel van Segovia gevangen gezet. Hier uit ontsnapte hy nog hetzelfde jaar, met behulp eener jonge kastiliane, vertrok met deze naar Engeland en Holland, liet zÿne wettige vrouw in Spanje achter, kwam eindelÿk in Marvees, nam de mahomedaansche godsdienst aan, en werd pacha en eerste staatsdienaar van Mulei – Abdalah, keizer van Marokko, dien hÿ, uit ouden wrok tegen Spanje, in eenen oorlog wikkelde, over welks ongunstigen uitslag hÿ van hartzeer stierf ten huize van zÿnen vriend, den pacha van Tutaan den 7e Oct. 1737. Voor hÿ den geest gaf, wierp hÿ zich andermaal weder in den schoot der H. moeder-kerk. De mooren schÿnen zulks niet geweten te hebben, daar zÿ hem plegtig deden begraven, en zÿn graf door eenen steen dekten met dit opschrift:

Hier ligt de Bacha Hertog van Ripperda,
die stierf, nadat hÿ vele groote daden gedaan
en voor zich veel roems had verworven in de legers
en staatsbestuur, zoo in Europa, als onder de
regeering van Mulei Abdalah.

“Men heeft den hertog van Ripperda steeds geroemd als een zeer naauwkeurig en werkzaam mensch, als een’ man van letteren en beminnaar der fraaÿe wetenschappen, als grondig ervaren in de staatkunde, en als een groot staatsman.”
De achtingswaardige landbouwer P.J. Vonck, in 1818 in hoogen ouderdom overleden, had veel van Ripperda, uit diens braven en eenvoudigen tuinier, welke zynen meester tot de grenzen begeleidde, vernomen. Hy had n.l. onder andere, een plan gevormd, om een kanaal te graven en eenen dÿk daarbÿ langs aan te leggen, van Englum-borg voorbÿ Jensema tot in de trekvaart bÿ Noordhorn.
Eene overlevering op daadzaken steunende, had ik haast vergeten.
In den oostgevel des torens, boven de wÿzerplaat ziet men drie ingemetselde vrouwenbeelden, van drie adelÿke dames, welke op zee dwalende, aan God het bouwen eens torens zouden hebben beloofd, ter plaatse waar zÿ behouden aan wal kwamen. De bovenste ingebeelde dame zou alleen zooveel daartoe hebben bygedragen als de twee onder haar bevindende. – De Oldehoofsters rekenen dat zy hunne zwaren, stompen, 101 voet boven den grond hoogen, toren, aan deze onbekende dames moeten dank wÿten.
Hoe smaakt ten slotte het onderstaande, oude liedje, dat ik de moeders in de kinderkamer, dikwÿls heb hooren opdeunen? –

Sunner Klaas, göedhaılig man
Trekt ziin beste tabberd aan
Rit er mit naa Amsterdam
Van Amsterdam naa Spanje
Appeltjes van Oranje
Neutjes van muskaten
Smit hij over de straten
Geft de klaine kiender wat
Geft de grooten ’n schop ien ’t g..
Let ze daar mit loopen
Al naa de heerepoorten
Heerepoorten binn’ töegesloten
Daar binn’ zij onner deur gekropen
Daar stond Elsien mit de trom
Schïef en krom
’t Degentje plat
Jagt min heer deur ’t geutgat
Het min heer nog meer te zeggen
‘k Zel hom op de reuster leggen
‘k Zel hom braden as de vis
Als minheer ïen platvis
Kom kom kammeraad
Ik de vis en doe de graat
Wi zeln ien de keller kroepen
Zellen ïen vatje vol bieër op zoepen
Gestolen genomen
Gekoft gevonden
Hebben de dïeven naa ’t pontje gebrogt
Allernaast de wit kontain
Daar stond juffrouw glazen bain
Mit de bingels ien de ooren
’t Is veur heur gien stikeldoorn
Griis graauw, bont blaauw
Kaatje zait van m. m. m.!

Waarop dit deuntje betrekking heeft weet ik niet. Van het laatste versta ik niets.

Visvliet, maart 1833. J. Mols. Smith, Jr.