Zoek op de website

Onstwedde

Gemeente Onstwedde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Onstwedde.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

1° Sterenborg. Buurtschap
2° Höste idem
3° Wessinghuizen Gehucht (gedeelt.)
4° Tek-Wupping id.
5° Smeerling id.
6° Eldersinghuizen id. (gedeelt.)
7° Jipsinghuïzen id. (gedeelt.)
8° Veenhuizen id.
9° Ter-Maarsch Buurtschap
10° N. Stadskanaal. Kolonie / gedeeltelyk

Liggende n° 1 en 2 vyftien minuten, n° 3 en 4 vyfentwintig minuten, n° 5 een half uur, n° 6 een uur, n° 7 twee uur, n° 8 een half uur, n° 9 een uur en n° 10 twee uren van de kerk verwyderd; en in de strekking n° 1 noordoost, n° 2 en 3 Noord, n° 4 noordoost, n° 5 en 6 oost, n° 7 Zuidoost, en 8, 9 en 10 Westwaarts van dezelve. –
Van den naamsoorsprong van Oostwedde, alsmede van de gehuchten en buurtschappen, weet ik niets met zekerheid te noemen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is geen duf- of duifsteen aan onze kerk; het opschrift op de torenklok, luidt aldus:
Vernieuwd, toen te Onstwedde Abel Hindriks Boels Maire Adamus Oomkens predikant, Harm Abels Migchels, Boele Berends Luiring en Harm Jarkes Karskens kerkvoogden waren. –
Door W. Fremij, A. van Bergen en Zonen, H. van Bergen en C. Fremy. Anno 1812. –

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Rivier de Aa, stroomende van af de provincie Drenthe langs de Onstwedder Mussel naar Wedde en watert uit door de Statenzyl. Het Veenhuister of Poggo diep loopende achter de pastory van Onstwedde in bovengenoemde Aa.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Het Meer achter de Holte genaamd; liggende in het Veen tusschen Onstwedde en de Oude Pekel A. – Het Meer of Water, Blekslégepoel genaamd; liggende op de zoogenaamde Onstwedder Wolt-Marke naar de kant van de Mussel.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Men vindt by Onstwedde twee groote koren essen; een tusschen Onstwedde en Veenhuizen, en een (de Holte genaamd), tusschen Onstwedde en de Oude Pekel-a en Wedde; ook heeft men er een by elke gehucht en buurtschap, behalve by het Stads Kanaal alwaar men geene aantreft. Heuvels of hoogten heeft men er de navolgende:
de Heeberg, liggende te Veenhuizen, zynde eene kleine verhevenheid zand, van geringen omtrek.
Ooms- of Oompiesberg, liggende by de Mussel; zynde eene hoogte van zand, in het Veen van pl: met 15 a 16 berken boomen bewassen.
De Kiberg, liggende tusschen Onstwedde en de Höste naby de Onstwedder roggemolen, wordende thans, zoo ver men ploegen kan, met rogge bezaaid, en het overige is met heide, enz. bewassen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Men vindt overal in deze Gemeente vele bosschen, zoo wel by iedere gehucht en buurtschap als te Onstwedde; echter niet te Stadskanaal.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1en Uit het Dierenryk
Paarden, runderen, schapen, Verkens, Hoenderen, Eenden, Hazen, Patryzen, Korhoenderen enz.
2den Plantenryk
Rogge, Gerst, Boekweit, Boonen, Haver, Koolzaad, Aardappelen, Knollen, wortelen enz.
3den Delfstoffelykryk
Zand, veen, steenen, Turf, Kien of Keenhout enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Zand, Veen, darg en leemachtige gronden; welke uit vele hoogten en laagten bestaan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier weinig of niet beoefend omdat de meeste ingezetenen uit landbouwers bestaan.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Geene Fabryken of Trafyken worden hier gevonden, maar de handwerkers zyn de navolgende; als: Schoenmakers, Kleermakers, Kuipers, Timmerlieden, Stelmakers, Wevers, Bakkers, Smeden en Molenaars.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier, over het geheel tamelyk droog en zeer gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, Twee scholen, een te Onstwedde en een te Veenhuizen. Lees- en zanggezelschappen bestaan hier niet; echter worden de kinderen opzettelyk in het zingen onderwezen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Landbouw, Veeteelt, Turfgraveryen, Byenteelt en Handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is hier plat duitsch vermengd met eenige verbasterde Hoogduitsche woorden, nog eenigzints erger dan in het naburig Vlagtwedde en Wedde. Men hoore b.v. Wi Sint te mörgen an het Bookweet veuren gaan; man onse volk sekt dattet veen nootske nat on week is, dat de peerde der haast mit de holsken der nich op gaan kennt. De onse Börgermester hen brogt is (begraven) bin wi ook op de grouwe neugt en wi binter ook op ’t maal west.
Do onse Besse zeik was, was onse Beppe nootske bang dat hy störf; noe zy had ook gien scholt, ’t was man slim veur ’t olle meinsk west.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners zyn zeer Godsdienstig en vry ingetoogen, zoo dat de openbaren Godsdienst niet ligt verzuimd wordt; maar in openbare Gezelschappen en zamenkomsten is men zeer onzedig. Ook is met niet vry van eenigsints dubbelzinnig te zyn. Op deugd, verstand en schoonheid wordt niet veel gezien, maar enkel op geld en goed: die geen geld bezit, wordt ook niet geacht, al is hy ook nog zoo verstandig en deugdzaam. De leeraar van den Godsdienst staat by elk in hoge achting en wordt zeer gevreesd en geeerbiedigd.
Dronkaarts vindt men niet en de herbergen worden zeer zelden bezocht. Men leeft zeer werk en spaarzaam en tevens zeer zuinig en heel sober. Het voedsel bestaat meest uit Roggenbrood, pannekekoeken, Engelsche aardappelen, stamboonen en roggenmeelbry. Onder den boerenstand wordt nog al veel rundvleesch, schapenvleesch, verkensvleesch en spek gebruikt. In den Zomer staat men des morgens vroeg – en in den winter zeer laat op. Zoodra men des zomers het bed verlaat, doet men dadelyk zynen maaltyd met pannekoeken of aardappelen en dan gaat men aan den arbeid tot des avonds zoo lang de zon schynt; in welken tyd men niets geniet, dan eenen boterham, die des morgens wordt mede genomen. Des avonds te huiskomende, eet men weder aardappelen, stamboonen of bry, en legt zich dan neder te slapen. Des winters, na dat men om 7 a 8 uren is opgestaan, gaat men dadelyk aan het dorschen en het vee voederen. Om 10 a 11 uren, doet men zyn morgen, om 3 a 4 uren zyn middag en om 9 uren des avonds zyn avondmaal. Na dan het vee afgevoederd te hebben en het eten tot den volgenden dag heeft klaar gemaakt, gaat men te bed. De werkzaamheden, die de mannen des winters tusschen het dorschen en het veevoederen verrigten, bestaan in het breiden, korvenmaken, enz. en de meisjes en vrouwen doen niets dan spinnen. Vermakelykheden en uitspanningen kent men niet, dan naar de kermissen te gaan. Het bezoeken geschiedt niet veel, en dan gaat alles op het zuinigste toe. –

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hier zal ik nog iets laten volgen van het oprigten van een nieuw huis.
Als de timmerlieden het hout in orde hebben, zoo dat men tot het oprigten kan overgaan, dan wordt door den eigenaar van het huis één of meer boden uitgezonden, om de vrienden en goede bekenden te noodigen op het zoogenaamde rigterbier, hebbende eenen stok met een kwast lint daar aan hangende, in de hand. De boodschap wordt door de boden in rym of gedicht aan de gasten bekend gemaakt. – Zoodra de boden in het huis komen, waar zy moeten noodigen, dan vragen zy eene tafel, en wel met deze woorden:
Zet my eene tafel ter hand
Of ik sla de schöttels van de wand.
Als nu de tafel gereed staat, dan begint de man zyn boodschap te doen, en geeft op het einde van iederen regel van zyn rym of gedicht, een goeden slag met zyn’ stok op de tafel. De dag gekomen zynde om het hout op te rigten, dan verschynt het genoodigde gezelschap, zoo als man,vrouw, kinderen, knechten en maagden, ja het geheele huisgezin! Elk hoofd van het huisgezin brengt een ham (of schinke) en eenige stukken boter ten geschenke mede. Zoodra alles gereed is, zoo dat men tot het oprigten zal overgaan, dan verschynt de Predikant, en doet, midden tusschen het hout staande een gebed! waarin voor alle ongelukken wordt gebeden, en eene zegen voor de bewoners van het aanstaande huis wordt afgesmeekt. De werkzaamheden gedaan zynde, dan doet men eenen maaltyd van graauwe erwten, bry en spek, en brengt den geheelen nacht al dansende en zingende door. Dit gebeurde in vroegere tyden altyd, maar nu zeer zeldzaam meer.