Zoek op de website

Oosternieland

Gemeente Uithuistermeeden

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Oosternieland.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder dit dorp behoort de buurt den Hoorn, welke 5 a 6 minuten, is eene nagenoeg oostelyke rigting van de kerk verwyderd ligt. Deze buurt bestaat uit slechts twee boerenplaatsen.
De naam van Nieland kon dit dorp in deszelfs oorsprong gemakkelyk bekomen van nieuw aangewassen land. Het voorvoegsel Ooster onderscheidt dit dorp van Westernieland. De naamsoorsprong van den Hoorn is my tot nog toe onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen treft men niet in de muren der kerk aan. Het opschrift op de klok is als volgt:
Andries van Bergen klokgieter te Midwolde, 1828.
S. J. Zandt, K.P. Bos, W.J. Bakker, Kerkvoogden.
I.I.B. Kuipers, L.H. Schut, E.J. ter Veer Ouderlingen.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren vindt men hier niet, stroomen en diepen even min; omtrent maren en kolken valt er echter iets op te merken.
Men onderscheidt hier twee maren, namelyk het oude maar en het Uithuistermeeder maar. Het oude maar neemt digt by de scheiding van het Oosternieland en Zyldyk, aan den publieken weg, eenen aanvang, in de nabyheid der plaats, waar naar het algemeen vermoeden eene zyl of pomp in den dyk moet geweest zyn. Behalve dit treft men hiervan ook nog eenige sporen aan, die dit vermoeden nog nader bevestigen. Van deze plaats loopt dit maar nagenoeg 10 minuten in verschillende krommingen of bogten westwaarts aan, waarna hetzelve naar het zuiden keert, voorby het Honderd en in de nabyheid der Wienje of Wynje til in het Garshuistermaar uitloopt. Dit Maar is hoogst waarschynlyk oudtyds eene uitwatering geweest en in vervolg van tyd, misschien als een maar gebezigd, waar van het gebruik wegviel, toen men het Uithuistermeeder maar gebruikte om koren en andere goederen te verzenden; en in deze betrekking gaf men aan hetzelve den naam van het Oude Maar. Als uitwatering beschouwd geef ik de loop juist verkeerd op, doch dit doet weinig ter zaak.
Het Uithuisterneeder Maar neem op 5 a 6 minuten afstand van de kerk van het Oosternieland, op de Scheiding van dit dorp en Uithuistermeeden, eenen aanvang. Van hier loopt het met verschillende krommingen nagenoeg westwaarts aan, voorby Oldenzyl en Zandeweer en ontlast zich eindelyk naby Uithuizen in het Boterdiep. Ofschoon dit maar niet regtstreeks tot het Oosternieland behoort, heb ik echter gemeend hiervan iets te moeten zeggen, omdat, het geen reeds in het voorby gaan is aangemerkt, hetzelve door de inwoners hier ter plaats tot ver- en aanvoer van- en naar- Groningen wordt gebruikt.
Men treft hier een aantal van drie kolken aan, waarvan de grootste eene oppervlakte van nagenoeg 40 vierkante nederl. roeden zal kunnen houden. De beide anderen zyn merkelyk kleiner. De eerstgemelde benevens een der kleineren is zeer diep.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Men vindt hier een gedeelte van den ouden zeedyk die met onderscheidene bogten zich nagenoeg Zuidoost- en noordwest uitstrekt; doch dezelve is voor het meerderdeel reeds byna verdweenen. Op sommige plaatsen heeft dezelve nog eene hoogte van plm. 2 ned: ellen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Betrekkelyk het Dierenryk, vindt men hier voornamelyk die dieren, welke overal in deze Provincie door de Landgebruikers voortgehouden en gebruikt worden; voorts de welbekende huisdieren, een weinig byenteelt; benevens eenig wild en gevogelte enz. De voornaamste voortbrengsels uit het plantenryk zyn: rogge, tarwe, gerst, boonen, erwten, aardappelen, kool, peul- en andere tuinvruchten, benevens die van den boomgaard en vette weiden voor het menigvuldig vee, dat hier gehouden wordt. Het delfstoffelyk ryk levert slechts leem op, het welk tot het opmetselen van muren gebezigd wordt.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De teelaarde is zavelachtig; doch de vermenging van zand en kleiaarde is op de verschillende plaatsen nog al onderscheiden. Naar de westkant is de grond meer zandig dan ten Oosten. Op eenige plaatsen vindt men onder de teelaarde leem van eene blaauwe kleur, doch meesttyds vindt men onmiddelyk onder de bouwaarde rood of bruinachtig zand. –

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier weinig of niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken vindt men hier niet; slechts ziet men de noodzakelykste handwerken uitoefenen, als: bakken, kleermaken, Kuipen, Wapenmaken, Smeden, timmeren, Verwen, Schoenmaken enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier, gelyk in andere aan zee gelegene oorden veranderlyk, vochtig en dus niet zeer gezond, waarom hier des najaars dikwyls galkoortsen heerschen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er staat eene Gerformeerde Kerk; doch de daarby gestaan hebbende toren is in 1823 afgebroken, waarop men een spits op het eene einde van de kerk als de geschiktste plaats voor de klok heeft aangemerkt; Ook treft men er eene lagere School aan. Een lees- of zanggezelschap bestaat hier niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De inwoners van dit dorp, vinden over het algemeen hun bestaan in de landbouw, of in de daartoe vereischt wordende bedryven, welke voornamelyk in schippers, ambachtslieden, kooplieden enz. bestaan. Ook is er een rog- en pelmolen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal welke hier in den dagelykschen omgang gesproken wordt is de platte Groninger taal of platduitsche tongval.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen karakter, de levenswyze enz. van de inwoners dezer plaats, zal uit het volgende eenigzins kunnen opgemaakt worden. Het is de gewoonte des morgens, zoo wel des zomers als des winters, vroeg op te staan en vroeg naar bed te gaan. Des zomers is byna alles gewoonlyk om 4 uur al in beweging, terwyl dit des winters by den boerenstand doorgaans merkelyk vervroegd wordt. Het ontbyt heeft te 7 uur plaats, het middagmaal wordt algemeen te 11 uur gehouden, het avondeten geniet men nagenoeg te 6 uur en om 7 of acht uur gaat men algemeen naar bed. De tafel is eenvoudig maar krachtig. Vrienden en bekenden bezoeken elkander gewoonlyk by dag. Byzondere vermaken en uitspanningen zyn niet zeer gebruikelyk, alleen bezoekt men kermissen, jaarmarkten en openbare verkoopingen.
De plegtigheden by het trouwen werden met den tyd minder kostbaar en omslagtig, alsmede by de begrafenissen, by welke laatste gelegenheden de Predikant van het dorp meestal tegenwoordig is. Over het algemeen zyn hier welmeenendheid en gulheid, zonder uiterlyke pligtplegingen, alsmede eenvoudigheid en bescheidenheid in de dagelyksche verkeering heerschende karaktertrekken.
Men moet zich evenwel niet voorstellen, dat alle inwoners in deze edele eigenschappen deelen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Plaatselyke byzonderheden, die onder de vorige niet gerangschikt konden worden, zyn my niet bekend.