Zoek op de website

Oostwold (De Leek)

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Oostwold.
Het dorp Oostwold of Oosterwolde, in het Westerkwartier der Provincie Groningen, maakt het Oostelykste gedeelte van de Gemeente Leek en dus ook van Vredewold uit. En ofschoon het niet tot den zoogenaamden Woldkant gerekend wordt te behooren, en men er ook weinig houtgewas aantreft, heeft het echter waarschynlyk van genoemde bepaling zynen naam ontleend.
Grenzen en uitgestrektheid. Dit Dorp grenst ten Oosten aan Hoogkerk en de Provincie Drenthe, ten Zuiden aan het Leekster-Zulte of Zultermeer, ten Westen aan Lettelbert en Enumatil, en ten Noorden aan Zuidhorn en Lagemeeden.
Tot nadere bepaling dient, dat de Kerk van de Oostelyke grenslyn verwyderd is ¼ uur gaans, van de Zuidelyke 25 minuten, van de Westelyke 10 minuten, en van de Noordelyke ½ uur gaans.
De grootste lengte, zal ons nagenoeg een half uur en de grootste breedte één uur bedragen.
En als eene byzonderheid dient nog aangemerkt te worden, dat de Ingezetenen de Kerk de pastorie, de Kosterie en den winkel voor het eigenlyke Oostwold houden; zoodat zelfs zy, die geen Steenworp van de kerk wonen, zeggen, wanneer zy naar een van de vier genoemde gebouwen gaan: “ik ga naar Oostwold” waaruit dus blykt, dat zy Oostwold op dezelfde wyze verdeelen als de Provincie Groningen in Stad en Lande is verdeeld geworden.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Nadere verdeeling. Eigenlyke gehuchten of buurtschappen worden in dit dorp niet aangetroffen: Evenwel behooren eenige Plaatselyke benamingen in aanmerking genomen te worden.
(a) Zoo noemt men het noordelykste gedeelte van dit dorp, ten noorden van het Hoendiep, nagenoeg 20 minuten noordwaarts van de Kerk, Westerdyk. Deze dyk is waarschynlyk dezelfde, die een kwartier uurs Oostelyker Munnikedyk genoemd wordt, waardoor dan ook de naamsoorsprong bekend is.
By Enumatil draagt hy den naam van Dykstreek.

Aanmerking van den Heer N. Westendorp.
Is Munnekedyk en Westerdyk hetzelfde? Of dezelfde dyk?

(b) Ten Oosten van den Westerdyk, die uit drie boeren plaatsen bestaat, vindt men aan den trekweg nog een boerenplaatsje, hetwelk – naar men zegt, wegens de holheid en losheid van den grond – den naam van Holland draagt.
(c) De hoek schuin tegen over de zoogenoemde Poffert, by de zamenvloeÿing van het Hoendiep en het oude diep, wordt zeer eigenaardig Spitse Horn (Hoek) geheeten.
(d) Ten Zuiden van het Hoendiep en het oude diep en ten Oosten van den Munnikesloot, op de grenzen van Drenthe, worden drie boerenplaatsen benevens eene arbeiders woning gevonden, bekend onder de plaatselyke benaming van Lutje (Kleine) Oostwold; als zynde van den kant van Oostwold geheel door het water afgescheiden.
(e) Geene 5 minuten ten Zuidwesten van de kerk staat eene arbeiders woning. Deze wordt genoemd: Het Huis van de Hoogte; als staande denkelyk van alle woningen en gebouwen te Oostwold het hoogste. / H. v. d. H.
(f) Een kwartier uurs Zuidwestwaarts van de Kerk, treft men nog maals drie boeren plaatsen aan, welke te zamen den naam van Groef dragen.
Men wil, dat deze naam ontleend zy van eene gegravene groeve wyk of waterlossing, die zich van uit het Leekstermeer, noordwaarts, tot aan den Westerdyk – alwaar in vroegeren tyd een Zyl of Sluis zou geweest zyn – uitgestrekt zou hebben. Ook heeft men hier op de Groef, verder naar den kant van het meer, nog een huisje met eene thans vervallene eendenkooi.
(g) Regt noordwaarts van de Groef, ruim 5 minuten ten westen van de Kerk, is een boerenplaatsje, dat den naam van Botterheerd draagt en op het welk vroeger het regt van Visschen en jagen heeft gelegen. Men heeft wel eens gezegd, dat hier in evenredigheid met andere plaatsen van Oostwold de meeste boter gemaakt werd; doch de regte naamsoorsprong schynt niet bekend te zyn /B./
(h) Schuins tegen over den Slag- of draaiboom op den trekweg heeft men, ten Zuiden van het Hoendiep, nog eene boerenplaats, die naar eene pont, schouw, of een overzet – (P. v. h. Z.) hier nog voor eenige jaren, gehouden – den naam van Plaats van het Zet draagt.
Voetgangers kunnen hier, als ook ten Westen van de Klapbrug, en tegen over de Poffert nog worden overgezet; doch de eigenlyke overvaart (o.v.) te Oostwold over het Hoendiep is by het tweede huis ten Westen van den Spitsen Horn, waarvan de reizigers van en naar de Stad Groningen in den Zomer, of zoo lang het Zomerpad te Oostwold goed is, veel gebruik maken.
(i) Ook geeft men hier nog onderscheidene benamingen aan het Hooiland. Zoo wordt een gedeelte van het Meentscheer, (de Meente-Schaar) ten Westen tusschen het Hoendiep en de oude Graaf, de Lange Jammer genaamd en draagt het land buitendyks by het meer den naam van Hammen. De Lange Jammer is een stuk hooiland van 16 grazen, hetwelk voorheen door 16 maaÿers op een dag werd afgemaaid, wanneer iedere maaÿer, van het eene einde van dit stuk tot het andere, een zoo jammerlyk lang Zwad moest maaÿen.
Verder vindt men hier mullen /molen/ land, kooiland, Oudhuisterland, pypkeland, luttenland, pootvennen, Kerkeland, pastoorsland, Kustersland, /al hoewel de Koster geen land heeft/ bylen/ – stukken land in de gedaante van eene byl – enz. enz.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De kerk is een oud niet aanzienlyk gebouw, aan welke geen dufsteen of duifsteen wordt gevonden. Op dezelve staat een zeer klein torentje, juist groot genoeg voor het inhangend klokje op het welk een opschrift te vergeefs gezocht wordt. In de Kerk ziet men brandglazen van het jaar 1635 en later, welke wapens, namen, en onderschriften bevatten.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

4 en 5
Ten Zuiden van Oostwold vindt men het Leekster-Zutte- of Zultermeer. Uit dit meer loopt door dit dorp de Munnikesloot, in eene noordelyke /N.t.O./ en verder het Oude diep, in eene noordoostelyke rigting; door welke beide Lutje Oostwold is afgescheiden in het Hoendiep; welke laatste mede, in westelyke rigting /W.t.N./ door dit dorp loopt. De oude Gaaf, waarvan het oude diep een deel uitmaakt, en die in eene WestZuidwestelyke koers door Oostwold loopt, heeft in vroegeren tyd, voor dat hier nog het Hoendiep bestond en eer de Munnikesloot en het Lettelberter diep aanwezig of bevaarbaar waren, eene aanmerkelyke wydte en diepte gehad en is met vry groote schepen bevaren geworden. Dezelve had te Oostwold door de Groef gemeenschap met en liep ten Westen van Lettelbert in het Leekstermeer.
Thans is zy zoo hier als te Lettelbert binnen gedykt en dient te Oostwold tot eene waterleiding naar den Molensloot; zynde deze een opnieuw gegraven gedeelte van de Groef.
Verder dient de Gaaf, om er in te visschen; wordende te dien einde met kleine scheepjes bevaren.
Omtrent de naamsoorsprong van de Gaaf vindt men by Brucherug, Gedenkboek van Stad en Lande, op bladz. 184 eene noot, waarin van eene overlevering wordt gesproken, volgens welke de Gaaf haren naam zoude bekomen hebben van de giften en gaven, welke van Aduarder Klooster langs dit water werden gevoerd, en waarvan de misdadige monniken, in de gevangenis op het Huis ter Hel, –thans Huis ter Heil, – onder Rhoden in Drenthe, zouden hebben moeten leven;
Zoo heeft ook zeker de Munnike-Sloot, zoo wel als de Munnike-dyk, van de Monniken zynen naam ontvangen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hoogte van den grond. Ingevolge Circulaire van de Commissie van Onderwys in deze Provincie van den 12 Juny 1827, is te Oostwold op den 27 Nov. 1827, na voorafgegane kennisgeving, de hoogte van den grond boven het water in het Hoendiep opgenomen en daaromtrent het volgende aangeteekend:
De hoogte van het Kerkhof met het van hier Zuidwaarts in eene Oostelyke en westelyke rigting loopende bouwland, het welk nagenoeg vyf bunders bedraagt is bevonden te zyn bovengenoemd water 1.575 Ned. ellen. /a/
Een weinig Noordwestwaarts van de Kerk en ten noorden van de Oude Gaaf vindt men eene kleine wierde, van geen half bunder: deze had eene hoogte van 1.64 N. ellen /e/ .
Van het lage land ten Zuiden van het Hoendiep is de hoogte op 0.28 N. ellen gerekend.
Ten noorden van genoemd diep is het lage land eenigzins hooger en de grond naar het noorden meer en meer oploopende, tot dat men eindelyk, nagenoeg op de grensscheiding tusschen dit dorp en Zuidhorn, eenen ouden dyk /den Westerdyk/ aantreft, van welken de hoogte wordt opgegeven op 2 Nederl. ellen /i/
De Klapbrug te Oostwold lag boven het water in het Hoendiep 1.54 ellen Nederlandsche maat. /O.K./

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen. Bosch wordt hier behalve eene met eiken boomen beplantte
laan, beplantte heemsteden, en eenige kreupelboschjes, niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Voortbrengsels. De voortbrengsels zyn:
a. Uit het Ryk der Planten:
Rogge, boekweit, meer haver, koolzaad, boter zaad, hutentuut, aardappelen, knollen, rapen, wortelen, moeskruiden, tuin- en peulvruchten, vlas en hennip. Verders boomvruchten, als: appels, peren, pruimen, kersen, noten, mispels, vele beziën enz. Op den Westerdyk echter verbouwt men geene rogge en boekweit; maar inplaats daarvan tarwe, gerst en boonen. /wait, koren en peerdeboonen/
Vindt men te Oostwold veel gemeen en verzuurd land, bezet met distelen en landbiezen /russchen/ op den Westerdyk, evenwel, wordt uitmuntend bouw-, hooi- en wildland gevonden.
/b/. Uit het Ryk der Dieren:
Rundvee, paarden, schapen en varkens; weinige hazen; konynen, honden, katten, vry veel zoogenaamd schadelyk ongedierte, als muizen, ratten en mollen; vooral ook vele vlooÿen, alsmede luizen by menschen en vee; bonsems, egels, enz. Verder ganzen, eenden, hoenders en duiven /Zoo tamme als wilde;/ patryzen, sneppen, roerdompen; in het voorjaar vele Kievitten enz. weinig byën; zeer veel horsels, wespen, muggen, en nichtjes. Voorts vry veel visch, als : snoek, baars, karper, voorn, platters, (blei) en slei, (seelt), maar vooral aal, die hier in eene tamelyke groote hoeveelheid gevangen wordt. Slangen en Adders worden hier zelden aangetroffen, maar zoo veel te meer kikkers en padden. De ojevaars, die toch meest op ieder dorp een of meer nesten hebben, hebben in dit dorp het nest op een boerenschuur, digt by de Kerk. Andere trekvogels bezoeken ook deze streken in groote zwermen. De zwaluw nestelt onder het dak – en allen vinden voedsel in overvloed.
Eindelyk vindt men te Oostwold ook vele rupsen en wormen; van welke laatste vooral twee soorten; – hier met den naam van graswormen en ritnaalden genoemd – den landman vele schade in gras en zaad veroorzaken.
/c/. Uit het Ryk der Delfstoffen:
Eenig wit zand /Kiezelaarde/ Voorheen heeft men op de Groef turf en baggelaar geveend; doch wegens de brakheid heeft men dit nagelaten. Dit gedeelte van de Groef, waar men geveend heeft, wordt thans nog Petten geheeten.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Grondsgesteldheid. De grond is in de uitgestrektheid van dit dorp over het algemeen zeer vlak, moerassig, en laag; – zoo dat het niet zelden gebeurt, dat hier, by gebrek aan een behoorlyk pad, wegens hoog binnenwater, de school- en Kerkdienst eenige weken – soms wel een vierendeeljaars – byna geheel moet stil staan; gelyk dit meest alle winters het geval is en ook nog in dezen zomer heeft plaats gehad, waarby dus het onderwys veel lydt.
Behalve op den Westerdyk, welke uit eenen goeden kleigrond bestaat, is de grond hier niet zeer vruchtbaar in het opleveren van voor den landman voordeelige – en ryke gewassen, maar wel in het voortbrengen van zoogenaamd onkruid.
In Oostwold, ten Zuiden van het Hoendiep, vindt men slechts eene zeer dunne laag niet zeer vruchtbare teelaarde. Onder deze teelaarde treft men, tusschen het Hoendiep en de Oude Gaaf, en vooral in het Meentscheer /de Meente Schaar,/ potklei en roodoorn aan. Deze wordt ook op het zoogenaamde Holland gevonden. Ten Zuiden van de Gaaf en in Lutje Oostwold vindt men inplaats daarvan meestal darg. Op de Groef zit, ter diepte van 10 a 12 voeten, tot op het zand, nog eenig brok veen. Het Kerkhof met het ten Zuiden daaraan belendende bouwland, ongeveer vyf bunders bedragende, bestaat uit zand. /Humus/
Uitgezonderd dit bouwland noemen de landlieden den grond van geheel Oostwold, ten Zuiden van het Hoendiep – Lutje Oostwold daaronder gerekend – benevens Holland, ten noorden van genoemd diep, met een woord: Stinkenden grond. De teelaarde op den Westerdyk, ten noorden van het Hoendiep, bestaat, vooral ten noorden, uit eene vry dikke laag zeer goede klei. By het graven van eenen put op genoemden dyk, van 24 voeten diepte, heeft men 20 voeten klei gevonden, waarvan de onderste witte klei was, en daaronder nog 4 voeten van eene soort van aarde, veel gelykende op gedroogde koemest. /misschien eene oude rietboord.
Men heeft te Oostwold vier watermolens, twee groote, een middelmatige en een kleine. De beide laatste staan in Lutje Oostwold. Van de beide groote molens staat een, onder den naam van Vredewold, ten Zuiden van het Hoendiep. Tot dezen polder behoort mede een gedeelte van Lettelbert.
De andere wordt ten noorden van genoemd diep gevonden, en bemaalt het noordelykst gedeelte van Oostwold, benevens Lagemeden en een gedeelte van Enumatil. Deze molen, die vroeger naar een verschrikkelyk spook Burries heeft geheeten, draagt thans den naam van Knevelaar; omdat de Volmagten by deszelfs vernieuwing het inkomen van den molenaar hadden verlaagd /t.K./ Beide deze groote molens storten het water (+m) in het Hoendiep, terwyl de middelmatige in het oude diep en (x) de kleine in den Scheidingsloot tusschen Oostwold en Drenthe hun water lossen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier – behalve de loonkunsten, welke onder de Handwerken zullen worden opgegeven – eigenlyk buiten de Kerk en de school niet beoefend. – Men vindt er evenwel eenige liefhebbers van lezen.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Ook dryft men te Oostwold byna geheel geen Fabryken, Trafyken of Handwerken. Er wordt zelfs geen inwonend Kleermaker, geen wever, geen Schoenmaker, geen timmerman, geen Yzersmid noch Kuiper gevonden. Echter woont er een, die het verwen op hout en het inzetten van glasruiten verrigt. Een ander, die het hoepslagen doet en tevens bÿen korven maakt. Ook worden hier kleine Scheepjes /Schollen/ vervaardigd, welke er een ieders gading zyn; terwyl er in den winter ook eenige klompen gemaakt en vischnetten gebreid worden. Voorts is hier slechts een huis, waarin neringdoende lieden wonen, van welke de man tevens slager is. Buitendien wonen er nog een korfdrager en twee Broodverkoopers /broodslyters/
Sterke drank wordt er ten minste in vier huizen verkocht.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier zeer veranderlyk, vochtig, en koud, zelfs in de Zomeravonden. – En deze gevoegd by de zoo lage en moerassige gesteldheid van den grond, zyn misschien de oorzaak van de dampigheid en vochtigheid der meeste woningen en van de vele huidziekten en verkoudheden, welke hier gewoonlyk heerschen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In Oostwold, hetwelk 37 woningen en nagenoeg 180 inwoners bevat, staat ééne Kerk, ten dienste der zoogenoemde Hervormden, terwyl de hier wonende Doopsgezinden, in een daartoe geschikt gebouw, op den Munnikedyk of den Horn, hunne Godsdienst waarnemen. Ook is te Oostwold ééne lagere school. Leesgezelschappen bestaan er niet,. In 1826 is hier door een twintigtal leden een Zanggezelschap opgerigt, hetwelk zou blyven bestaan tot dat elk der leden volleerd zou zyn: kunnende het inmiddels ook eenigen tyd ontbonden worden, gelyk hetzelve dan ook thans sedert eenige tyd ontbonden is. Oostwold is in het kerkelyke met Lagemeeden vereenigd.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan voor de inwoners dezes dorps zyn voornamelyk de landbouw en de veeteelt. Verder het Schipjagen, eenige byenteelt, visschery; het snyden van biezen en teenen; het zoeken van eyëren in het voorjaar; de opbrengst van tamme ganzen, eenden en hoenders, enz.
Voorts kan hiertoe gebragt worden de ontvangst der Tollen by de Ophaalbrug (O.K.) over het Hoendiep en by den Slag- of draaiboom /Bar./ op den trekweg; het overvaren of overzetten van menschen over het Hoendiep; de handwerken enz. De schippers van Enumatil wonen te Oostwold. Eindelyk en voornamelyk behooren hier als middelen tot de middelen van bestaan in aanmerking te komen, gezonde ligchamen en sterk gespierde armen en handen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Taal. Als voorbeeld van de Platte Taal der inwoners van Oostwold, diene de volgende zamenspraak tusschen R. G. en F., drie praatachtige en lasterzuchtige vrouwen.
R. /by G. komende/ ’N avond G.!
G. Ook goên avond!
R. Hou gait ’t di?
G. Och, ‘k wyt nyt ! De kop is mi uitstokken. Hou is ’t mit di?
R. Ik heb ’t weer mit te bek te doun. De koezen bin meêr baas.
Dy doun mi zoo verflikte zeer! – Maar hest ’t wel heurt, dat Jaaps Knels inne Kraam is?
G. Heere nee! Is dy inne Kraam? Wat is ter jongs?
R. Dat zel ‘k di zeggen. Dat wief was zoo afgestampte dik. Ik het wel docht. Nö is ze guster van twy jonges inne Kraam komen – en jonge mit en wicht – en afgriezelieke lutje mit en stomme dikke.
G. Heere mien vrede! Wat zel ’t er nö den om weg gaan!
R. Daar kenze op an. Het olle wief kwam krekt mit ’t aai, dou ’t zolt op was; zy verspreekt zich./ als was bered. En nö hat Jaaps mouder – da’s ook zoo’n malle olle zemelder van en wief – dy hat zoo lang tweerend, dat dy dikste – da’s en jonge – dy mös na bes – na Jaaps vader – nuimt worren; want zi zee, dat lutje wicht – da’s zoo mieterig – dy gait er vast lans. En Jaap, dy nare malle Kerel, was ter ook stark veur; - en den zol dat lutje dyr na beppe – Knelske mouder – nuimt worren. Knelske zee der nyt veul van; want doe ze de bek der maar effen over gaan lyt, begunde Jaap anstons te vluiken en te schellen, zoo hart as hi maar kon.
G. Dat wi’k wel loven. t Is zoo’n holbol schepsel.
R. Ja, ’t is en malle boudel. – Nö en doe vanne nacht, doe is, gouder geluk, dy dikke jonge der uutsneden.
G. O, lyve deugd! Nö da’s zoo goud. Zi hebben ook an yn jonk genoug. Zi bin zoo arm as wurms.
R. Ja min zol zeggen, waar dat dy zeuven doezend gulden van Knels olders zoo gauw bleven was.
G. Dat wyt ik wel. Du luije Kerel verslept zien tied en zi vreten en soepen altied baide gaar van ’t beste; en Knels lopt – wat ze ken – warteldaags altied op sloppen bi de streek, en is den zoo alderakeligste mooi! Inne huus past ze niks op. Jaap het haast gyn boksen meer om ’t gat, en der is ook jamk gyn bedde goud, en wat is ter onhuur en wat stait ’t er haaibaaÿig bi!
R. Ik bin der nö guster west en doe zol Jaap hom wat omboeÿen, maar dat was nö stom, zuk verrropt ondergoud as hi an hadde! En Zundaags den isse nog zoo dapper as en zwieneloos. Lest wasse bi onz’ Pastoor inne huus en dy muigden om bi tafel; maar hi was zoo steeg, dat te apsluut nyt mit eten wol.
Middags den slept te er toer. Guster hette veur ’t huus zoo nare lang legd. As dat warteldag is of nyt daar zigte nyt na. Hi het nog en luk beetje mis aling oppe kant van het dyp zitten, – maar dy lette wegspoulen.
G. Foi! da’s nö woeÿend! dat dy Kerel zien tied zoo verdoold verluitert. Het ken den zoo nergens hen. –
Kom! – Kom wat bi mi inne huus: ik bin allinnig.
Ja – ik mout ans ook weêr hen gaan. Waar bin joen volk den?
G. Dy bin na toen te arten teppen. Zi hebben en brug inne buus stoken. Daar he’k al zoo lang achter heen zeten. As onze volk en ny stuk wark veur hannen hebben, dan mou’k altied zoo lang mien best drammen. Zi kennen den haast gyn and op kriegen.
R. Wi hebben veur en dag of dry al van onze nyje arten yten; dy smouken mi den deris ofgedraaide lekker.
G. Dat he’k jim al zaait, dat dy arten nare lekker van smaak wassen – maar zi bin wat luttik.
R. Wi hebben al en middag of twy en pran overhollen; nö zuwe daalk prannen yten – dy mouten ook opmit wat soepenbrood, - dy mou’k damt eerst nog koken.
G. Pastoors- en Kustersvolk atten lest nog alle avens slaat. Zuk gras wi’k nyt inne bek steken. Zi hebben van alderlei snakeryën inne toen.
R. Ik was lest daags zoo lelk oppe kuster. Ik was wat bi mestersche en dy vertelde ik van dat kiend van M. dat beteuverd was; en datte oel zoo schreeuwt hadde, eer dat W. sturven was; en dat te Pastoorsmaiet en spouk zyn hadde oppette Karkhof. Nö en doe kwam kuster ook inne huus, en dy wol mi doe wiesmaken, dat er gyn heksen en spouken wassen en dat te oel van dood en leven niks wis. Hi wol nyt loven, wa’k mit mien aigen oogen zuls zyn hadde.
Ik begunde doe uut de biebel; daar zol ik ’t hom uut bewiezen – maar, o Gott nog en toe! doe hette de heele biebel verdraaid.
Ik had ter gyn arg ien, maar kustersche lyt mi allyn praten; –maar doe heurde ik et wel, – dy hat hi ook al ien dat geloof.
G. Wat bin der dog nare malle minschen inne wereld! Ik magge Kuster ans ien ’t naberschap wel lieden maar ..... Heurt .....! der röpt yn.
R. Wel is ’t den?
G. Ik wyt nyt. ’t Is en vremde Kerel. Ik zel en boeten gaan en heuren wat dy Duutse koopman wil.
De Vreemdeling. O, Vrouw! wil je wel zoo goed wezen, en wyzen my het pad naar Groningen?
G. Moe jie na Stad? Waar kom jie van daan?
De Vreemdeling. Ik kom van ’t Heerenveen, vrouw! daar woon ik.
G. Bin je ook trauwt. Heÿe kiender?
De Vreemdeling. /zich omkeerende/ Is dit het pad niet naar Groningen?
G. /Hare nieuwsgierigheid bedwingende/ Ja, den moe jie maar bi de Kark lans loopen, en dan over dat luk brukje, en dan maar weer regt uut.
De Vreemdeling. Ik dank je wel! Goeje dag, vrouw!
G. Ook goën dag!
R. /G. by de deur tegenkomende/ Wel was ‘t?
G. Hi zee, datte op ’t Heerenveen woonde. ’t Zel ook wel yn van de 99 half malle kusters wezen – en de honderste is nauw wies.
Hi het alteerst zoo’n aapjesje an en is zoo wies.
R. Dat zel ’t den wel, – Ja, kom! Ik mout weer hen gaan.
G. Dat kenze nog wel doun, doe! dat kenze wel.
R. Ja – maar ‘k bin hyr wel al dry kertyr west. Dat zy’k an dien klok.
G. Onz’ klok stait: daar huist nyt na te loeren.
R. Na kom! – Kom ook er is er praat wel.
G. ’t Ze’k doun.
/R. gaat heen./
F. /R. inroepende/ R. kom er is heer!
R. Ja maar jonge! ik heb mien tied verpraat. Ik bin wat bi G. west. Wat stait ‘et daar onvoege mal bi: zoo hest nog nooit van dien leven nyt zyn. Heur volk wassen hen te arten teppen. Dy Kerel het ‘et tutten land den zoo slecht nait! ’t is ter wel half op bleven. Dat schilt en bult by joen man: dy het te poot venne zoo slecht mait, ‘et ken nooit beter.
F. Ja dy Kerel zel wel oppassen datte myt te veul zwit. Hi let als verslonteren en uut sloeren. ’t is en regte sjokke Douwes van en kerel. – De toen hebben ze nyt ens wit. Het toengoud is ient ’t ruut omme huus komen. Wat het dy Kerel en dikke pans. Wat zit er ans en pökkel ien! Hy ken ook zoo’n bult vlais en spek binnen rokkelen! En G., dy olle dwelm van en wief dut ook niks lyver als bi de huuzen loopen te sjouwen en te teuten. Mooÿe Knels het zeere titten hu?
R. ’t Lugste ja wis?
F. Nee zeker waar! ‘k Heb t zuls zyn.
R. O Heere Gott! wat bin ‘k daar blied om! Doe ik van onz’ Tuns zwellen borsten hadde en haast nyt wist waar ‘k mi van piene bargen, of waar ‘k kroepen zol, doe lakte ze er om. Nö zel onz’lieven Heer heur wel beduden, hou ’t gait. Nö zel ze ook nog wel deris reeren moeten. Kom an! ‘k mout vort gaan: ik hebbe deur lus en de wietels oppe heeg hangen.
(R. gaat heen en komt eindelyk weder te huis.)
F. /De schoenen aantrekkende en naar G. loopende/ ’N avend G! ‘k mös gauw er is zyn hoe jie ’t hys hadden. R. is bi mi west, en dy zee, dat er hyr zoo onvoege mal bistond. Dy ging zoo op joe en joen man an Dy zee. .....
G. Wel dat olle beest! En regte flarde is ‘t! Dy hekelteef lopt mi alle dagen omme deur te sjarmen en te sjanteren en holt mi van mien wark. Dat onhure schild! Men zol dy loezebos mit gyn tange antasten! Wat dat dat dyr wel mynt! Zi wol ons luk wicht nog en doetje geven; maar dy wol heur gouder geluk het snoetje nyt toehollen. Lest het dy ronzelder oppe maart van en jeude en lapke ketoen koft, toe en klüt. – dy het dy kromme Gryt bi de mülln heur maakt – dy ken nog al nuwer mit te nall – want as ze ’t zuls doun zel den krigze niks – en dy klüt houg dy schobbert nö – goud onhuur en wel – in alle palten omme kop. Ik wil dat domme varken nyt uurschellen; da’s ze mi nyt weerd – maar dy zwieneproek! en den wil ze nog fien wezen; den zit dat aas wel en half uur te beden en te danken op heur spraak. Laat dy roeskepels hyr is weer komen te bulken. En laat ik er is bi knelske komen: Ik zel heur wel deris zeggen, hou stapel, dat dy olle kniesoor van heur en Jaap laait te labaaÿen!
F. Daar heijie geliek an. Het is mi ans krekt liek, as ze ’t dut of as ze ’t let; maar zuks heurt er nyt bi – och Gott! daar komt en dundersehoer op! Het regent as de zy, by Siementil en Leptert; – ik loop gauw na huus.
G. Groutenis!
F. Dat ze ‘k wel doun, heurt! –

Op deze wyze gaat het te Oostwold. En daar gaat het nog vry bedaard. De kieschheid duldde niet alles. –

Behalve de woorden, in welke klank aa voorkomt, en eenige weinige andere, als müllen /molen/ Klüt /eene muts enz. zyn de klanken, geteekend volgens de Handleiding van Rykens, genoegzaam en toereikende, om al de woorden dezer taal, naar derzelver ware uitspraak voor te stellen. De tweeklanken aai, ai, au, ou, en ui worden te Oostwold, evenwel, niet zoo geil uitgesproken, als op vele andere plaatsen in dit Gewest. Zoo krygt b.v. de Tweeklank ai, in de woorden hait. mait, wait. enz. een klank tusschen ai en ei in. Even zoo is het ook met den enkelen klank ÿ. Tusschen dezen en den klank ei wordt hier in de uitspraak geen onderscheid waargenomen. Insgelyks is dit ook te veel het geval tusschen i en e in in en en enz. De enkele klank ie wordt hier in de meeste woorden zeer kort uitgesproken, en men zou dus daarvoor beter de i – zoo als dezelve klinkt in de woorden mi, si, rivier enz. en deswegens door Rykens van de i is onderscheiden. – kunnen bezigen, en alzoo in plaats van mien kiend schryven min kind (mijn kind) enz.
Zoo ook zegt men in sommige woorden dezer Provincie: Kom ook rais. Ik ken nyt oet hoes. En hier: kom ook eris. Ik ken nyt uut huus. Weder op andere plaatsen hoort men: ik wil nyt leuven dat dat hui goed is; - waarvoor men hier zegt: ik wil nyt loven, dat dat hooi goud is. enz.
Vrieslands tongval is alhier, wegens de nabyheid dier Provincie, by sommigen, die hier evenwel jaren lang en nooit in Vriesland gewoond hebben, zeer goed op te merken, uit den volgenden, van het gegeven voorbeeld afwykenden, volzin. Ik ken het nieet goeed zieen, of de koe nog ien het mieentscheer is: maar as ik hom der weer uut ziee, ik houw hom de bieenen an stikken.
dat is:
In het Vriesch:
Ik ken het net goeid zjen, of de kow nog ien het Mieentschar is: mar as ik him der wer uut zjog ik houw him de bjinnen (de schonken) an stikken.
En in het Nederduitsch:
Ik kan het niet goed zien, of de koe nog in het Meenscheer (de Meenteschaar) is: maar als ik haar er weêr uit zie, ik sla haar de beenen aan stukken. (voor haar leze men eens ze of heur.)
Zoo zegt men ook hier en in Vriesland: boatschip /bootschap/.
Byvoegsel
Men ziet uit het gegeven voorbeeld van de Platte taal der inwoners van Oostwold, dat deze niet zeer beschaafde taal eene vereeniging of ondereenmenging is, van Hollandsche – Groninger – Vriesche – en zoogenoemde Bastaard woorden.
By het lezen van genoemd voorbeeld valt ook al aanstonds in het oog, dat het misbruik van den naam des Heeren in de dagelyksche gesprekken vry groot is – en dit is maar al te waar.

Men vindt hier nog eenige vlugtige aanmerkingen over deze platte taal.

Eenige gemeene Zelfstandige naamwoorden worden tegen den aard der Nederduitsche taal zonder lidwoorden gebezigd.
Voorbeelden
Pastoor en Kuster gaan na boer zien toen, of, na toen van boer.
Hou gait vrouw? enz.
Zoo worden ook sommige zelfstandige naamwoorden, welke, ofschoon in eenen verzamelenden zin, echter in het enkelvoud staan, van een meervoudig werkwoord gevolgd.
Voorbeeld.
Onze volk gaan na huus enz.
De Byvoegelyke naamwoorden worden somtyds al zeer fraai en ondoelmatig gebezigd. Insgelyks de Bywoorden. By de voornaamwoorden merke men het volgende aan.
In den tweeden persoon enkelvoud bezigt men, wanneer men tegen eenen ouderen of voornameren persoon spreekt, in plaats van Gy het woordje jie of jy.
En
Tot eenen jongeren of minderen persoon, of ook tot zyns gelyken sprekende, zegt men: Doe of Dou.
Verder zegt men in het eerste geval joe, joen, joenen, in plaats van U, uw, Uwe, uwen, enz. en in het tweede geval is het: di, dien, dienen /dynen/ enz.
In beide gevallen is het meervoud Jim voor Gy /meerv./ en joen voor uw (meerv.) enz.
Het wederkerige zich, alsmede geslachten, naamvallen, enz.enz. worden niet in aanmerking genomen.
Men gebruikt hier veelal mannelyke en vrouwelyke woorden onzydig, en verwisselt het woordje dat spoedig met dy: dus ook omgekeerd.
Voorbeeld.
Wel, dat lutje wicht! dy gaat al weer in het hof, /Niet in den hof./
Zoo bezigt men ook dikwyls vóór een meervoudig voornaamwoord een enkelvoudig werkwoord.
Voorbeeld.
Kom bi mi, Pyt! den ga wi ook na het hof.
Achter het voornaamwoord jie, worden de werkwoorden in den tweeden persoon enkelvoud altyd meervoudig gebruikt.
Voorbeeld.
Voor of in plaats van:
Gy praat, lacht, zingt eet, drinkt en slaapt
zegt men:
Jie praten, lagchen, zingen, eten, drinken en slapen.
In het meervoud met Jim (voor Gy meerv.) heeft hetzelfde plaats.
Achter het voornaamwoord Doe /du/ gaan alle werkwoorden op ste uit.
Voorbeeld.
Doe praatste, lakste, zingste, etste, drinkste, slepste.
Komt het voornaamwoord achter het werkwoord, dan blyft dit (het werkwoord) in beide gevallen enkelvoud ook enkelvoudig, en doe wordt veranderd in stoe.
Voorbeeld.
Wat drink jie
Wat drink stoe? {Voor Wat drinkt Gy / enk. en meerv.
Welluidendheidshalve wordt in dit geval de letter t meest weggelaten.
In het meervoud vóór jim blyven de werkwoorden steeds meervoudig, als: Hoe lang slapen jim? inplaats van: Hoe lang slaapt gy? /meerv./
/En zoo met alle werkwoorden./
Onder alle woorden van woorden, uit welke onze taal is zamengesteld, treft men in deze Provincie een aantal woorden aan, welke by onze Nederduitsche TaalKenners niet te vinden zyn.
Men maakt te Oostwold in de gewone gesprekken veeltyds gebruik van vergelykingen met as, (als) en welke somtyds al zeer kluchtig uitkomen, of in een: “ik weet niet wat” eindigen.
Verder worden er ook vele overtollige herhalingen gebezigd.
Voorbeelden.
1. Het regent as de zy, zoo regent het.
2. Dat ken ik ook wel zyn, ook wel.
3. Dat kenze ja wel dou, doe wicht! dat kenze wel.
4. De vogels vreten nu de arten op. Maar ik loof dat er ook twybynde vogels bi komen. (Men bedoeld hier diefachtige menschen: maar hebben de vogels (heeft de mensch van Plato) dan ook niet maar twee beenen?)
Voorts wordt het getal der gelykluidende en in beteekenis verschillende woorden, in de Ned: Taal, door deze Platte taal nog aanmerkelyk vermeerderd/overtroffen.
Vervolgens gebruikt men hier voor sommige zaken algemeene namen. Zoo wordt b.v. de Sterke drank, en de drank, waarmede men de Zwynen mest /soepen, karnemelk/ met den algemeenen naam van Drank benoemd, en men zegt, by voorbeeld:
Dy Kerel Zöpt Zoo’n Drank. en gruit ook as en Zwien.
en
Dat Zwien wordt vet van drank: meer komt er niks nyt ien.
(In dezen laatsten regel, en in meer andere woorden en gezegden, heeft eindelyk, eene overtollige verdubbeling plaats.)
Nog een voorbeeld
Heurt, Pyt! – Jan!baidegaar! – ‘K zag nooit gyn vetter zwien.
Dy Kerel lugt! Ik stopt er Zaad en Koren ien.
enz.enz.
Lystje van woorden voor de Groninger uitspraak.
In de Groninger Uitspraak krygen de klanken aa en á een klank tussschen den waren klank, en de klanken oo, ó en o in (ao).
Verder bezigt men:
ee voor of in
plaats van aa, b.v. Aigen heerd Is geld weerd.
e voor aa en
eu - aa As ’t luk wicht slept, dan wi’k bi heur en wainig lezen;
e voor a en
u - e. En as ’t nyt slapen ken, den zel ‘k van zulfs vry wezen.
e - ee Waar bistoe nö hen west? Doe lopste ja dien best! Gefst mi gyn
antwoord – sprekste nyt?
Den wor’k op ’t lest ook lelk, heur Pyt!
eu - oo. Ik heb en lelke dreum hat, heur! En zwarte jeude dee oppe deur En
harde steut: ik schrikter veur.
y - ee Oppekwelders, bi de zy, Lopt wel vaak en hyl dyl vy.
u - ie Mynst datte jager minder schut,
u - oo Omdat ’t geweer en wainig stüt?
ou - oe. Yn goude ploug, wint laat en vroug. Altied genoug /ook genög/
a - e. De broene roen is stark.
u - oe. En dut en bulte wark.
ui - oe en
ui - oei. Doe huifst mit muite ’t peert. nyt ien het land te zuiken; Want zeker
‘k zy het wel – ik wil der nyt op vluiken; –
oe - ui Maar zigst /zugst/? – daar lopt de broene roen.
Digt bi de proemboom iene toen
oe - a Daar brekt dy olle Zwieneproek Verachtig nog zoo’n beste toek!
oe voor ú }
u - ie en} Van dy zoere appelboom. Wel vrund! daalk zigt /zugt/ ’t
} ‘t mien oom!
ig /ug/ - ie }
i voor y. Bist bang, min Kind! Veur harde wind? Nee.
Kom den bi mi, kleine man!
Den ga wi der maar op an.
y - ie. Ik heb en dyr dry vyr, dy gaan deur dyp, zoo maar;
ie - y. Mien wief is gries en pas nog vief en vieftig jaar.
olt - out. De jonges stolt; Het vlais te zolt;
uu - ui en Wat Wat is t en Kruus, Hyr iene huus!
ui - ie De toen ien ’t ruut! Wel huil zulks uut?
i - ie en
e - eef. Jaap wit nog ène toen; Pyt het het hof al wit /gewied/.
i - ee. Ik mienen al veur lang. wat heb ik daar van Zwit!
i - y Dy nö /nou/ de hond mit kloeten Smit
ô - e en
ö - oo Dy reert ans vört eer hond höm bit.
ou - ui Hest Zwit – bist hyt – verkoul dy nyt; Ans wors – toe zyk en
houlstoe, Pyt!
u - oe en
oe - ie Want dut en koes dy zeer – Den maakst al ’n bult gezeer.
ol - ou. En bist ans kold; spring den ien ’t Wold; Bewyg di braaf. En loop
en draaf.
ö - u en ú
e - u. Zöl stoe dit nog nyt Onthollen kennen, Pyt?
ui - ooi Strui stoe het hok van ’t Zwien?
Wat strui smit stoe der ien?
ai - ei (ig en eg) Van ’t wait stroo, dat daar laait /ligt/
aai - ei (ig en eg) Dat hette mait mi zaait /zegt (gezegd)
ui - oei Nö ja, dat is goed strui. Maar ’t zwien het grui noch blui
öl - ou Min lyve Pyt! ik wöl dat ik ‘et voeren Zöl
u - ui ‘k Loof da’st te zunig bist: Het meel blift iene kist.
au - aau Benauwd onhuur is nö de pauw.
Dat komt van ’t loopen deure dauw.
u - ö en
u - i. As maar de zun begunt te schienen, den zel dat wel weer gauw verdwienen.
y - ieuw Nö he’k en nyje laai. Ny bouk krieg ik om maai.
i - ÿ. Zy hou mien sponsje drift. Mien laai en griffel schrift;
eu - ee. Ik hoop dat dat zoo blift. Nö speul ik wat mit drift.
y - eeuw Het snyt en ik bin vry; Nö röl iene sny.
u - ie Wat vogel dat daar vlugt?
Ik denk dat Jan het lugt.
Dy zee, het was en aiber. Ik loof ‘et is en raiger.
ug - ie As om de jager zugt, Hi schut om datte vlugt.
ö - ui Ik loof doe biste mis.
Ja, ja, dat is maar wis.
Maar as’t geweer zoo pöft,
Datte van boven stöft,
En oppe grond del ploft,
Den loof’k dattte jager snöft
En hom iene waitas schöft.
ee voor er en
eu - é Ik zy hom haast nyt meer van veeren:
Hi’s digt al bi de zeuven steeren.
el - ie. Wel ken ook daar en vogel zyn?
Ik alteerst nyt: ik denk gyn yn.
i - e, en
u - or ‘K heb düst. Ik zel gauw mit en run na huus tou gaan.
ö - u Mien ton krölt as en wurm; daar ’s niks gyn nat meer an.
é - id. En honger heb ik ook. was maar het béden daan!
ee - i Want vader beedt zoo lang. Daar wyt stoe hyl nyt van.
En den mou’k ook nog hard op béden, Want ans is mouke ook nyt te vreden.
(Genoeg tot eene proeve/
Daar het gegeven voorbeeld van de platte taal te Oostwold niet telkens door tusschengevoegde woorden ter verklaring is afgebroken, daarom zal hier nog volgen
Een Alphabetisch woorden lystje van eenige in het voorbeeld voorkomende woorden. Getrokken uit het woordenboek van Oostwold (Gem. Leek)
Volgens hetzelve beteekent:
Aai ei
aling zeer na
alteerst althans, altoos, ten minste
ans anders
andop aanvang, begin
apslut absolut, volstrekt.
erten erwten
Bek mond
bes grootvader
beppe grootvader
begunde begon
boksen. broek.
boeÿen kleeden
brug boterham
brukje brugje, tilbrug
daalk, daalkies straks
damt straks, terstond, aanstonds (del neer (neder) )
doetje kusje
dunderschoer donderbui
drammen aansporen, dringen.
Haaibaaÿig - wild (Jan Steens huishouding was ook haai-baaÿig).
heer heer, heen, herwaarts
Jamk, byna, haast
Jonk, kind
(Omtrent Jie, Joe, Jim, enz. zie men de aanmerkingen op de voornaamwoorden.)
Kerel, man
Kop, hoofd
Koezen, kiezen
Klüt, zekere muts
Krekt, juist, net.
Labaaÿen, babbelen enz. /Eene speld vinden, dat heet eene Labaaister daghuur vinden./
Lakken, lakte, lagchen, lachte.
lelk kwaad, lelyk
let, laat, laat.
legd, laait, gelegen, ligt.
lugt liegt.
luk, luttik klein
lutje kleine
maart , markt, kermis
mis, mest, verkeerd.
mieterig, zwak, teder
Naberschop, nabuurschap
niks, niets
nuver, aardig, vry wel
Olle wief, ook beuze wief vroedvrouw.
om, hom, hem
onhuur, vuil, onzindelyk
Palten , vlarden, stukken
Pans. pens, lyf.
pökkel leden, ligchaam
pökkelen zwaar arbeiden
prannen, overgeschoten eten
Reeren, schreÿen, schreeuwen.
runnen, rennen, loopen
ruut, zoogenoemd onkruid
Soepen, karnemelk
(Zoepen) zuipen, zwelgen, beestachtig drinken
Sjanteren, onverstaanbaar babbelen
Sjarmen, klagen, stenen
Slaat, sla, salade
Slecht, gemeen en ook effen
Slept, slaapt.
Sloppen, sloffen, muilen
Schoer, bui
Teppen, plukken.
titten, spenen, tepels
teuten , lasteren
tweerenen, zemelen, teemig spreken
uutsneden, uutknepen, uutschaid overleden.
warteldag, werkdag.
wassen, waren /werkw. wy waren/
wietels, beddelakens
Zee, zeide
Zigt, Zugt ziet
Zuwe? Zullen wy…?
Zwit zweet, gezweet.
(oet, uut, uit)

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Karakter, Levenswyze, Zeden en Gewoonten.
Eigenlyk vindt men te Oostwold meest alle karakters, zoo goede als slechte. – Over het algemeen is hetzelve echter niet zeer gunstig.
Het is innemend, maar vleÿend en valsch; baatzuchtig, wrevelig, eigenzinnig, achterhoudend, geveinsd, onstandvastig, en zeer veranderlyk.
Gelukkig worden hier ook, in tegendeel, de tegengestelde karakters aangetroffen, n.l., opregtheid, onbaatzuchtigheid, toegevendheid, rondborstigheid, standvastigheid enz.
De grondtrekken van het Nederlandsche volkskarakter, als: godsdienstigheid, weldadigheid, huisselykheid, trouw, deftige ernst, nyverheid enz., zyn hier ook nog van toepassing. En men moet vooral tot lof der inwoners dezes dorps getuigen, dat dezelve zeer bedaard, werkzaam, nederig, spaarzaam en zuinig zijn.
De levenswyze is hier zeer verschillend: de zeden zyn eenvoudig en de gewoonten niet zeer byzonder.
In den zomer staat men hier gewoonlyk om 4 uur op en gaat ten 9 ure slapen; terwyl de tyd van opstaan in den winter meestal 5, en die van bedgaan 10 uren is.
In de groote drukte maakt vooral, zoo hier als elders, de werkzame man, die zynen tyd behoorlyk in acht neemt, de langste dagen en gevolglyk ook de kortste nachten. –
Men ontbyt des morgens om 8, eet des middags om 12 en des avonds om 6 uren; wanneer het werkvolk meestal vry is en holdert heeft.
Vermaken en Uitspanningen worden hier weinig genoten en hebben er zelden plaats. Men bezoekt echter vlytig de naby zynde kermissen en boeldagen; en het jonge volk verlustigt zich buitendien alleen op ’s Konings Verjaardagen; doch alles zonder uitspanningen. –
Bezoeken worden er weinig afgelegd.. Men eet meestal tuin- en veldvruchten, terwyl koffy de algemeenste drank is en thee slechts zelden gebruikt wordt.
By bezoeken, evenwel, en op Zon- en feestdagen, worden er veeltyds meelklont, (ketelkoek, repdy, scheur onder de kast, Jan in ’t hemd) aardappels met schenk, (spekham) en rystenbry gegeten. –
By avondbezoeken wordt by den landman veelal sukkerla (chocolademelk of zelfmelk, Zelvemelk /Saliemelk/ gedronken.
Spek en vleesch komt by sommigen twee maal, by de meesten echter alleen des middags op tafel. Des avonds eet men meestal de op den middag des vorigen daags overgeblevene spys, onder den naam van prannen.
Tegen de drie groote christenfeesten wordt by den bakker stoet /wittebrood/ besteld, om die /of hetzelve/ gedurende die dagen te gebruiken. Op een van de Paaschdagen worden, daarenboven, byna zonder uitzondering eÿeren met wittebrood en rystenbry genuttigd, en van het wittebrood een gedeelte tot Lutje Paasch /den eerstvolgenden Zondag/ bespaard. Op Hemelvaartsdag worden de dagelyksche werkzaamheden niet langer dan gedurende de voormiddagsgodsdienstoefening gestaakt. –
Roomsche feestdagen als St Pieter enz. worden hier niet meer in aanmerking genomen.
In den slagttyd gaat men by elkander, om het slagtvee te bezien – hetgeen men vetpryzen noemt – en legt voor het overige alsdan een gewoon avondbezoek af.
By geboorten gaat het hier dikwyls zeer ongeregeld toe. Doopmalen worden niet gegeven.
By huwelyken worden hier niet altyd wasschoppen /bruiloften/ gehouden. Zoo dit echter plaats heeft, zyn de maaltyden (gasterÿen) zeer onderscheiden. De gegoedsten geven alsdan eenen welbereiden warmen maaltyd; de minderen alleen stoet. –
In beide gevallen wordt er brandewyn met rozynen uit eenen kop gebruikt, en is byna alles, wat op de tafel komt – en vooral de tabakspyp van den nieuwsgetrouwden – met gekleurde lintjes bestrikt en versierd, en met palmstruikjes – zelfs de schenk en de boter – bestoken.
Op deze en op de begrafenisplegtigheden of zoogenaamde uitigsten worden veelal de naaste familie de naburen en eenige goede bekenden verzocht.
By laatstgemelde plegtigheden is men zeer gesteld op de tegenwoordigheid van den predikant, die dan in het volgen van het lyk, van uit het sterfhuis tot aan het graf, den voorgang heeft. Mannen en vrouwen zyn alsdan in het zwart gekleed en de laatste met regenkleeden omhangen. Is men met den wagen, met het scheepje, of met de slede, waarmede men het lyk vervoert – zoo digt aan het kerkhof genaderd als men behoorlyk kan, dan wordt de doodkist met het lyk op eene doodbaar geplaatst en meestal door 8 dragers, onder het luiden der klok, naar het graf gedragen. By dit dragen naar het graf zyn sommigen te vrede, wanneer met drie hoeken van de kerk is omgekomen, zoo dit anders met de plaats van het graf zoo uitkomt, terwyl anderen, evenwel, het lyk liever anderhalf of twee maal om de kerk willen gedragen hebben.
Na dat nu het doode ligchaam in de groeve der verteering is bygezet, gaat men naar het sterfhuis terug – houdt eenen maaltyd – die meest uit wittebrood – met en zonder krenten – en uit bier bestaat; – maken de naaste bloedverwanten verdere schikkingen, zoo deze noodig zyn; tot dat, voor en na, een ieder zich van het sterfhuis verwydert. Ongelukkig heeft hier veelal de slechte gewoonte plaats van vóór en na de begravenis te veel sterken drank te gebruiken; zoo dat het dikwyls eerder eene onbetamelyke bruiloft dan eene begravenisplegtigheid schynt te zyn.
De denkbeelden van de Ingezetenen dezes dorps zyn, over het algemeen, zeer bekrompen en verward. Ja wel, zy zyn reeds zoo ver gevorderd, dat, by het koopen van vele waren, de naam Engelsch voor hen tot aanbeveling verstrekt, – maar ongelukkig is het woord “Natuur”, en zyn de woorden: Door de Maatschappy: Tot Nut van ’t Algemeen”, op het titelblad van een overheerlyk werk; in weerwil van alle verlichting en beschaving, reeds genoeg, om het boek niet te koopen.
De algemeen en meest geliefde boeken zyn en blyven, benevens den Bybel, die van Brakel, van Miseras, van Smytegeld, van Bungum, en anderen; de donderslag der Godloozen, e.d.g. en het gewone leerboek voor de jongelingschap is het oude Hellenboek.
Werken van nieuwere schryvers zyn in geene achting.
Eenige weinigen maken hierin echter eene gelukkige uitzondering, en lezen Van Hamelsveld, Van der Palm, Regenbogen, Bosveld, Salzmann, Buis en vele andere voorname schryvers, over de Natuur en de Openbaring. En het zyn ook deze weinigen alleen, die in de kerk de Evangelische Gezangen willen zingen.
In het stuk van de Godsdienst, welke zy getrouw en yverig waarnemen, zyn zy zeer ernstig en achten eerstgenoemden, die geenszins van dweepzucht zyn vry te pleiten, den predikant, om zyns ambtswille, als eene halve Godheid; – lezen veelal gaarne geheimzinnige dingen, en bestuderen thans vooral, wegens den oorlog tegen de Turken, Ezechiël en de openbaring van Johannes.
Vooringenomen tegen alles wat nieuw is, zyn zy sterke voorstanders en verdedigers van oude gewoonten en van alles wat den naam van oud draagt.
Onbekend met de natuur en hare werkingen, zyn zy nog zeer bygeloovig en scheppen zich in hunne verbeelding – en dat in Nederland!!! – een groot aantal gedrogtelyke spoken; zoo dat zy soms in een uur gaans, by langs den weg, 15 tot 20 zulke spookverschyningen kunnen opgeven. Van deze spoken zal misschien de Burries, die – tot aan de timmering van de Klapbrug te Oostwold – op den trekweg heeft huisgehouden, wel de voornaaste geweest zyn. Deze is verdwenen, maar heeft waarschynlyk een aantal jongen nagelaten; van welke het wel te denken is, dat er wel eenigen te Oostwold zullen verzopen zyn. Althans een veulen zonder kop; een kalf met een ketting aan, (misschien een schaap aan een tuur) en een zwarte hond, met oogen zoo groot als een theeschoteltje, (dat dan toch ook zeker geen waterhond was,) konden in dit waterige land zeer ligt verongelukken.
O, dat eens deze duistere en verwarde denkbeelden en begrippen voor opgeklaarde en zuivere mogten plaats maken; Dat geve God; Mogten eens alle spoken, heksen en niksen, door het water verzwolgen zyn en voor altyd van de aarde verdelgd zyn!
Dan zouden de nadeelen, door het water veroorzaakt, voorzeker tegen de voordeelen, door hetzelve in dezen aangebragt, niet kunnen opwegen.
Men doet hier over het algemeen byzonder lange gebeden; zoo dat het werkvolk wel eens klaagt over honger onder het voorgebed en in slaap valt onder de dankzegging; doch ook veelal even zoo schielyk door het vallen van eenen hoed, wordt wakker gemaakt. Vooral worden de gebeden gerekt, als er vreemden by tegenwoordig zyn, en men ziet als dan dikwyls, dat de overige huisgenooten zich byna van lagchen niet kunnen inhouden, dewyl en terwyl de huisvader nog lang ernstig in eene biddende houding zit. – Is dit geene schynheiligheid.
Hier is een huisgezin bekend geweest, hetwelk vooral des avonds na den maaltyd, langer dan 2 uren onbeweeglyk in eene biddende gestalte kon blyven zitten, daar alle dischgenooten – ten getale van 6-8 onder de dankzegging waren ingeslapen; tot dat eindelyk een ieder, – de eene vroeger, de andere later, – zich in stilte – doch geeuwend – naar bed begaf.
Men bidt en dankt in stilte. –
Te Oostwold hebben vroeger twee Burgten of Heerlykheden bestaan. De plaats van de eene, die op eenen afstand van omtrent 5 minuten ten Zuidoosten van de kerk gestaan heeft, heet thans nog Gockinga’s Heerd; (G.) terwyl de westelykste boerenplaats op den Westerdyk, naar de tweede den naam van Hessenplaats (H.) draagt. Nadere berigten zyn hieromtrent niet opgezameld.
Van de oude Gezangen en Kinderliedjes, die hier algemeen bekend zyn, zyn eenige te vinden in den Theeboom en den Marktschipper.
Op bruiloften zingt met net bekende:
“Het /hait/ was ien de mai, mai, mai,
En het /hait/ was ien de mai ;.
De Pater gaf de nun een’ zoen, enz.
Voor het overige worden hier meestyds Psalmen op zoogenaamde liedjeswyzen gezongen. –
Dat eens spoedig die glansryke dag moge aanbreken, op welken de zoo heilzame en dierbare waar der edele en lofwaardige maatschappy: Tot Nut van ’t Algemeen, zoo hier als elders, met graagte gezocht, ontvangen en gebruikt zal worden, en waarop deze Maatschappy, als eene ster van de eerste grootte, Hare weldadige stralen over alle hoeken van Nederland, in het byzonder, zal uitspreiden, tot algemeene verlichting en beschaving!
Dit wenscht
(get) T.H. Jongsma

Aanmerkingen.

In den eersten volzin van het antwoord op de eerste vraag behoorde eigenlyk, naar aanleiding dier vrage de bepaling voor te gaan.
In ditzelfde antwoord zal op het gezegde van de verdeeling van Stad en Lande misschien nog wel iets aftedingen zyn.
De vyfde vraag is voor de vierde beantwoord.
By de opgave der voortbrengsels is geene systematische verdeeling gevolgd, maar meestal het belangrykste of meest aanmerkelyke het eerst genoemd.
By het gene omtrent de tafel is gezegd kan nog het volgende gevoegd worden. Op den Westerdyk neemt men in het langste der dagen, meesttyds kort na het opstaan des morgens, tot vóór ontbyt een boterham, terwyl daarna by het eigenlyke morgen ontbyt /ten 8 ure/ en meest by alle maaltyden der landlieden van dit dorp overvloedig bry gegeten wordt.
Dat de armste inwoners in hunne eigene woningen dikwyls hunne maaltyden zonder spek en vleesch houden, is op de regte plaats vergeten, en behoeft wel niet gezegd te worden.
Het karakter, de levenswyze, de zeden, gewoonten, enz. der Ingezetenen, zyn zonder verontschuldigingen naar het beste geweten en volgens de ervaring van den schryver opgegeven. Het spyt hem, dat hy, der waarheid hulde doende, geen beter getuigenis van zyne dorpsgenooten konde afelggen.
Hier omtrent is nog het volgende geldig.
Wanneer men de kinderen in de school over de welvoegelykheid in gesprekken enz onderhoudt en aan het verstand tracht te brengen, dat men voor kop, bek, en dergelyke woorden en uitdrukkingen, beter hoofd, mond enz. bezigt, dan geven zy ten wntwoord, dat zy zulks op school, zoo de Meester dit verkiest, wel willen in acht nemen, maar daar over in huis worden uitgelagchen; terwyl hun dan tevens door hunne ouders wordt toegevoegd: “Dat huift kuster jim nyt ien te stupen. Wi bin zoo geleerd nyt.” /of iets ergers/
Zou men dus den kinderen, die toch slechts weinige uren op den dag onder het opzigt en geleide van den onderwyzer zyn en ver weg den meesten tyd in eenen onwelvoegelyken kring doorbrengen, derzelver onwellevendheid niet moeten toegeven? Zou men, in dit geval der volgzame jeugd liever niets van de welvoegelykheidsregelen en slechts een weinig van de Zedekunde moeten leeren; ten einde haar en zich zelven buiten allen tweestryd met de ouders te houden? Of zou men, in tegendeel, met verdubbelden yver in dezen moeten werkzaam zyn? Wie pleit niet voor het laatste? En evenwel – waar blyft de overwinning? Dat er toch eens overal opvoedingsgestichten bestonden, in welke der jeugd bestendig een doelmatig onderwys, eene verstandige opvoeding, en een behoorlyk onderhoud verschaft wierde!
Doch er is nog zoo veel te wenschen overig. Aller wenschen zyn nog nooit vervuld en zullen ook nimmer vervuld worden.
Geduld overwint alles. –

Wegens misslagen en eene te groote wydloopigheid – welke laatste echter by een vlytig onderzoek, door het trachten naar volledigheid en naauwkeurigheid is ontstaan – wordt eene billyke verschooning en worden tevens bescheidene aanmerkingen gevraagd en verwacht; door hem, die zich met de meeste hoogachting noemt
Der Commissie van Onderwys in de Provincie
Groningen gehoorzaamste en dienstwilligste
dienaar

(get) T.H. Jongsma
Schoolonderwyzer te Oostwold

Oostwold
september
1828.