Zoek op de website

Oostwold (Midwolde)

Gemeente Midwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Oostwold, gelegen in de provincie Groningen, kwartier Winschoten in het districht Oldambt, omstreeks 7 uren ten oosten van Groningen. – Dit dorp heeft gedeeltelyk deszelfs naam ontleend, van de boschachtige streken welke hier voorheen geweest zyn. Sommige gissen dat de overstromende rivieren waarschynelyk de zaden van boomen en kruiden met zich gevoerd en den grond met bosch beplant hebben. En omdat nu dit dorp misschien een der Oostelykst gelegene dorpen was, zoo gaf men hetzelve den naam van Oostwold.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Een klein uur ten zuiden van deze kerk ligt het gehucht de Eekamp behoorende voor het grootste gedeelte onder Finsterwold; slechts 4 kleine boerderyen, benevens 4 a 5 arbeiders woningen alsmede eene kleine school, waarin alleen des winters een onderwyzer is by 9 a 10 kinderen, behooren onder Oostwold. -

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Deze nieuwe Kerk, gebouwd in den jare 1776 bevat geen dufsteen of duifsteen.
Hier zyn twee torenklokken: de oudste heeft tot opschrift:
O! rex glorie Criste c.v.m. MCC.-
De nieuwe klok heeft tot opschrift:
Vernieuwd toen te Oostwold Kerkvoogden waren de Heer Henrikus Sparringa en de Ed. Jan Willems Roemeling en Regnerus Blaauw Pastor. Door Andries Heeres van Bergen Anno 1807.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men heeft hier eene uitwatering voor het zoogenaamde Meerland, loopende van het Zuiden naar het Noorden tot dat het zich in het Koediep ontlast.
Dit Koediep is gegraven in den jare 1635, het loopt van Oostwold, westwaards aan, bylangs Midwolde en de Scheemda tot het zich in het Zyldiep by de Scheemda ontlast. Dit Koediep dient zoo wel tot afwatering der landen als tot scheepvaart, en wel voornamelyk om, by slechte wegen, het hier bebouwd wordende koren te vervoeren.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Hier is het zoogenaamde Huninga meer, zynde slechts eene groote vlakte van laag en moerig land, met eenige diepten welke men gist ontstaan te zyn; door de overstrooming des Dollards, welke er misschien eenig bovenveen zal afgespoeld hebben. – Naderhand is hetzelve ook eenigen tyd droog gemalen geweest; ook hebben er eenige huizen gestaan, waarvan men de sporen nog kan ontdekken. Thans worden in dit meerland, op de hoogste plaatsen reeds vruchten verbouwd, als: wortelen, aardappelen en ook wel haver.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven, essen en heuvels zyn hier niet; maar wel dyken.
De eerste dyk is hier begonnen gelegd te worden, omtrent het jaar 1519; dat is niet geheel voltooid geworden voor het jaar 1545. Dezelve is gelegen geweest onmiddelyk achter het Kerkhof alhier, loopende van het Oosten naar het westen, doch is thans reeds geheel geslegt, alsmede de dyk by de eerste indyking gelegd in 1666, hebbende dezelfde strekking een kwartier uur gaans verder naar het Noorden, loopende echter deze tweede dyk, ten Westen van Oostwold meer noordwestwaarts dan de eerstgenoemde. De by de tweede indyking gelegde dyk in den jare 1701 is gedeeltelyk nog aanwezig; doch wordt ook jaarlyks verlaagd; deze dyk zal thans nog op vele plaatsen de hoogte hebben van 10 voeten: dezelve ligt wederom een kwartier uur gaans noordwaards: loopt van Finsterwold noordwestwaarts tot voorby Oostwold, vormende daar een halfrond van het Westen naar het Noorden en Oosten en loopt dan, op den afstand van een half uur gaans van de eerste rigting, min of meer noordoostwaarts aan enz.
De derde indyking in geschied in den jare 1769- hebbende ten Oosten en noorden van Oostwold nagenoeg dezelve rigting als by de tweede bedyking.

7. Welke bosschen zijn daar?

De bosschen van den Heer Siertsema.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a. De voortbrengselen uit het dierenryk zyn voornamelyk, paarden, koeijen, schapen en verkens, hazen en patryzen, vossen, hoenders, eenden, duiven en rivier visch.
b. Uit het groeijende ryk: welige weide, tarwe, gerst en winterkool of raapzaad, boonen en erwten, rogge, haver, aardappelen enz. benevens de vruchten van den boomgaard en den tuin.
c. Het Delfstoffelyk ryk levert hier weinig op, echter heeft men hier en daar nog plaatsen alwaar men zand en leem kan graven, alsmede bagger.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten Noorden van Oostwold is zware klei en ten zuiden meestal gemengde grond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier een potaschfabryk- één molenaar- twee smeden- zeven Kleermakers vyf schoenmakers- drie bakkers- één Kuiper twee verwers- zeven winkeliers, waaronder ook tevens vyf Kasteleins zyn- drie timmerlieden en metselaars- twee stelmakers, twee barbiers- één tuinman- een wever en drie voerlieden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgestelheid is hier vry gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is ééne kerk ééne school en één Leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de onder vraag 11 begrepene handwerken, die door hun bedrijf, het welk zy uitoefenen, hun bestaan zoeken, zyn hier ook nog 17 boeren, die hun bestaan vinden in den landbouw en daardoor ook een bestaan verschaffen aan de arbeidslieden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is aldus:
Pyter: Heur ys Jaapk ik mout di ys wat zeggen dat mi no juist net in ’t sin schut.
Jaapk: Heste al weer wat nys, tou proot den moaar weg ik zel ’t heuren er tou doun.
Pyter: Guster lypen der twy jongse op dit dyp te scheuveln en dou re net onder disse tille wassen brook ’t ies stokken.-
Jaapk: En hou besloug dat?-
Pyter: Dat zek di zeggen er kwam net n’olle jeude an, dy holp heur der nog weer oet ans wassen. Ze verzopen, want ’t was zoo wiet mit heúr hen, dat ze gyn vout of byn meer ruiren konnen.-
Jaapk: Dat kon slim beslagen hebben veur dy jongse as dy olle jeude nyt komen was.-
Pyter: Dat haste goud ze wassen ook hyl blide mit dy olle jeude, hy mos ook vort mit heur na hoes tou en dou gaffen ze hom vief stuver, omdat hy heur holpen har: de jongse trokken dou vort dreuge boksens, hozen, schounen en alles an.
Jaapk: Er komt voaak nyt veul gouds van t ies. Veur ’n dag of vyer kwam der ook ’n wigt, dy wol slitsken en dou kwam ze te strompeln over ’n styne dat ze der deel vol as ’n osse, zy vol de scholder oet ’t lid en kreeg ’n boele veur de kop as ’n lutje voest, het bloud goesde der moaar oet.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De tyd van opstaan is hier zeer verschillende, doch over het algemeen staat men hier vry vroeg op. De werklieden onder den boerenstand, moeten des zomers veelal des morgens om 3 a 4 uren hunne legersteden verlaten, en ten tyde van den oogst nog vroeger; doch dit hangt ook veelal af by de weersgesteldheid.-
De tyd van ontbyten is hier over het algemeen te 7 uren- des middags eet men hier te twaalf uren, en des avonds, voor het grootste gedeelte des jaars, te 6 uren; doch des zomers by groote drukte, wordt er ’s avonds wel eens 8, 9, a 10 uren eer er gegeten wordt, hierna regelt zich ook het te bed gaan.-
De buren bezoeken elkander hier meestal des avonds te 7 uren, dan wordt er koffy gedronken eene pyp tabak gerookt en te 10 uren scheidt men weder van elkander.
By het trouwen had men hier voorheen de gewoonte om bruiloften te geven , waarop dan de familie der getrouwden, benevens een meer of min groot aantal inwoners werd genoodigd, om bruiloft mede te vieren.
Des voormiddags kwam men dan reeds zamen en men scheidde dan veelal niet voor des anderdags morgens. By zulk eene bruiloft werd gegeten, gedronken, gedanst, gezongen enz. doch thans zyn hier de bruiloften geheel afgeschaft; slechts de ouders der getrouwden zyn hierby tegenwoordig.
Met de begrafenisplegtigheden is het hier nog byna op den ouden voet. Een groot aantal menschen volgen het lyk naar het graf van het Kerkhof terug gekomen zynde, wordt er gegeten, vervolgens thee gedronken, te 7 a 8 uren andermaal gegeten en te 10 uren vertrekt ieder weder.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Uit dit dorp is het oud, adelyk en beroemd geslacht van Huninga herkomstig, Johannes Epinus Huninga is by de oprigting der Hoogeschool te Groningen in 1614 hoogleeraar geweest in de Wysbegeerte en Regtsgeleerdheid: in 1620 werd hy tot Raadsheer in Groningen en in 1627 tot Burgemeester van die stad verheven. Zoo ook Ailko Huninga van Oostwold, die in het jaar 1636 Ambtman was het Klein Oldambt en Kerkvoogd van Woldendorp.
De Standplaats der Huninga’s is, niet ver van deze Kerk, en werd tot voor weinige jaren, wanneer dezelve in eene nieuwe boerenbehuizinge veranderd werd, het oude Steenhuis nog genoemd. Van dit geslacht draagt ons Huninga-Meer deszelfs naam.
Hiermede heb ik deze opgegevene vragen beantwoord, en meen dus aan het verlangen der Schoolcomissie te hebben voldaan.


Oostwold in october 1828 (get) E.H. Bosch