Zoek op de website

Opende

Gemeente Grootegast

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Opënde

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Oude Wierden en Topwéer
De buurt oude Wierden in de platte taal olde Wierden, ligt op eene zandige hoogte, naby het lage hooi en weideland, en dus misschien om deszelfs natuurlyke hoogte Oude Wierden genaamd; doch al de landen, liggende in de afhelling tusschen het bouwland en genoemd lagere hooi- en weideland hebben den naam van oude Wierden. De huizen aldaar zyn in de laatste dertig jaren aldaar aangebouwd.
Topweér, hier was voortyds eene schans; en vermoedelyk zal het laatste gedeelte des naams weér namelyk, daarom van weren, verweren, afweren, afkomstig zyn.
Top, het eerste gedeelte des naams is afkomstig zegt men, van eenden, met toppen op den kop, welke men daar eertyds in de nabyheid van den Schans (waar men thans eene schapenstal op vindt) zoude aangehouden hebben. Deze beide buurten liggen een klein half uur van de kerk; oude Wierden noordwestelyk en Topmeér westelyk.
Opënde is vermoedelyk zynen naam verschuldigd aan deszelfs ligging. Het grenst ten westen aan de Lauwers en is dus gelegen op het einde van gedeelte van de voormalige Vriesche Zeelanden, dat Vriesland tusschen de Eems en de Lauwers genoemd werd; op het einde, zal dan vermoedelyk veranderd zyn in op het ende of Op ’t ende en zoo eindelyk Opënde geworden zyn.
In de platte taal zegt men hier ook tegen einde van ende. In onze kerkglazen van den jare 1748 vindt men op-en-ende nog elk afzonderlyk geschreven, dus: Op Ende.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is er aan de kerk niet.
Op de torenklok leest men: SCHEB ST JOHANNES SCHIPER HANS ANGEL 1736
Deze klok is in den jare 1748 of een van deszelfs eerstvolgende jaren aangekocht en was te voren op een groot schip geweest.
In 1748 is de Kerk herbouwd en kleiner gemaakt.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Lauwers ten Westen van Opënde, loopt in eene eenigsints noordoostelyke rigting naar Doezum.
De Zylroede, een gegraven watertje loopt in eene meest oostelyke rigting, door het lage hooiland, ten noorden van Opënde naar Doezum, en ontlast zich vervolgens in de Doezemer togt.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Een zeer klein meertje, vindt men zuidwestelyk van de kerk, groot min of meer vyf bunder.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De oude Wierden, onder nummer twee genoemd, kan eigenlyk geene hoogte genoemd worden.
In het heideveld ten Zuiden en westen van Opënde vindt men, zooals in alle heidevelden, eenige natuurlyke hoogten of heuvels; doch derzelver hoogte is van geene beteekenis.

7. Welke bosschen zijn daar?

Natuurlyke bosschen zyn hier niet: eenige kleine aangelegde bosschen tot hakhout vindt men hier alsmede een zeer klein boschje, bestaande in eiken boomen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Delfstoffelyk ryk, keisteenen en leem.
Uit het Plantenryk, lange turf en Baggel; voorts de gewassen die hier aangekweekt worden, bestaande in beste rogge, weinig haver, aardappelen en boekweit op de zandgrond, en ook nog op de daarop, door branding geschikt gemaakte veengronden, hennip doch niet genoeg voor eigen behoefte. Tuinvruchten worden hier voor eigen nooddryft verbouwd, zoo als wortelen, knollen, boonen, erwten enz.
Uit het Dierenryk houdt men hier aan: paarden, koeijen, verkens, schapen, inzonderheid van het Drentsche ras, misschien wel meer dan duizend.- De byenteelt is hier aanmerkelyk. Hazen, enkele korhoenders, water- en houtsnippen, patryzen, lysters, wilde en makke eendvogels, en ander klein wild vindt men hier ook. – Verder heeft men hier grevings, bunsings, otters, vossen; ook vindt men hier adders en zeer veel slangen enz. onder de visschen treft men hier snoek, baars, brasem, voorn, enz. aan.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Aan den Leiddyk, welke hier ten Zuiden de grensscheiding tusschen Vredewold en Langewold uitmaakt, eenig hoog veen geschikt tot lange turf en baggel, hierop volgt eene groote uitgestrektheid heideveld, tot aan het Dorp, loopende ten westen voorby de buurt Topweer.-
Deze heide is eene voortzetting van de Drentsche heide, doch neemt met Opënde zelve, dat ten noorden op deze zyde aangebouwd is, een einde. Het Dorp bestaat uit bouw- en weideland en tuingrond; deze grond is meestal oorspronkelyk heideveld, maar door vermenging met mest en andere rottende stoffen tot eene vruchtbare teelaarde geschikt gemaakt. Wanneer men hier ter diepte van ruim twee ellen in den grond graaft heeft men eerst, van een tot zes palmen, vruchtbaar gemaakte grond, vervolgens rood zand, of op sommige plaatsen eenig leem, en dan verkrygt men witzand en eindelyk eenen steenachtigen grond en tevens welwater waardoor men dan belet wordt dieper te kunnen graven.- Op enkele plaatsen in het roode zand, treft men, zeer dunne lagen, harde oergrond aan, misschien yzererts.- Ten noorden van de bouw- en weidelanden heeft men laagland, waarin op vele plaatsen baggelklyn gevonden wordt, waarvan de diepte zeer ongelyk is; misschien van een tot tien en meer palmen. Dit lage land strekt zich van Opënde’s bouwlanden noordwaarts uit, tot aan de Lauwers bylangs de Vriesche dyk, waar men eene en minder smalle streek klei vindt. Midden door dit lage land stroomt de Zylroede, een gegraven watertje, dat in eene meest oostelyke rigting naar Doezum loopt. Een weinig behoorden de Zylroede, heeft men in dit anders lage land, eene hoogte de Zanden genaamd, welke eene voortzetting is van Pebe-bosch onder Doezum. In deze landen vindt men geen veen.-

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier niet sterk beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier een korenmolen, een boekweit-ros- en mostert molen, twee broodbakkeryen, twee linnen- en wollen weveryen, timmerlieden, kruideniers en andere winkels, misschien te veel slyters in sterke dranken; voorts landbouwers, daglooners, Kleedermakers, Schoenmakers, Kooplieden enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid schynt hier zeer gezond te zyn, althans in de heerschende volksziekte van 1826 zyn hier slechts een of twee overleden aan die ziekte en slechts zeer weinigen door ongesteld geweest; ook heeft men hier onderscheidene personen tusschen de zeventig en tachtig jaren oud en een van byna of misschien reeds meer dan negentig jaren oud.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is eene Hervormde kerk en een einige Predikant, een vaste school van den middelsten rang, geen Zang- en leesgezelschappen doch wel leden van leesgeschappen elders gevestigd.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De handwerks- en kooplieden, leven van hunne handwerken en den Koophandel, echter hebben sommigen hun handwerk of ook wel hun fabryk met den landbouw vereenigd; doch verre het grootste getal inwoners bestaat van den landbouw en de veeteelt en de daglooner meestal van zyne dagloonen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal is hier Groningsch, vry wat overhellende of vermengd naar en met het Boerenvriesch of Boerenvriesche dialekt; en zeer natuurlyk: want terstond aan de overzyde van de Lauwers is het Boerenvriesch de dagelyksche spraak, terwijl men aan gene zyde het plat Groningsch of de platduitsche tongval spreekt.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zuinigheid, naarstigheid, nederigheid, arbeidzaamheid, goede trouw, vrolykheid en opregtheid, maken de hoofdtrekken uit van het karakter der meeste inwoners, doch in het klein zou in sommige opzigten nog menige verbetering te wenschen zyn. In milddadigheid behooren zy ook niet op den achtergrond geplaatst te worden. – Des morgens staat men, - om in byzonderheden te treden, in het voorjaar al zeer vroeg op; dit houdt aan tot in het late najaar; des winters staat men niet zoo vroeg op; doch algemeen niet later dan te zes uur. Men ontbyt algemeen des morgens te acht; eet des middags te 12 uren en des avonds te zes; uitgenomen de landbouwers in de Zomer, wanneer die des avonds wel later, en des winters in het kortst der dagen, wanneer zy wel te vyf a half zes eten. Des avonds gaat men algemeen niet later dan te negen uur te bed, sommigen te tien en anderen misschien nog wat later. – Kermissen, harddraveryen, en boelgoeden of verkoopingen van tilbare goederen, worden nog al veel bezocht tot vermaak en uitspanningen. Des avonds na zes uur bezoeken de inwoners elkander wel, terwyl men des winters wel eens eenen geheelen dag daartoe afzondert; ook bezoeken sommigen elkander dan wel eens des Zondags avonds te zeven uur of wat later.- In het najaar komen sommigen elkander in den slagttyd bezoeken en verheugen zich, dat veler kuipen zoo wel voorzien zyn tegen den winter; doch al deze bezoeken zyn weinig kostbaar. De gebruiken by het trouwen, zyn misschien zoo verschillend als er paren trouwen.- De meesten trouwen zonder daarby eenige plegtigheid van belang te hebben.
By begravenissen wordt het lyk door de buren ter aarde gebragt des middags te 12 uur, de naastbestaanden volgen het lyk tot aan het graf, voorgegaan door den Predikant of by ontstentenis van dien, door een daartoe verzocht persoon, welke het gebed en dankzegging voor en na den maaltyd, die na de begravenis plaats heeft, uitspreken. Na dat het lyk by het kerkhof van den wagen op de draagbaar gezet is, draagt men het lyk eenmaal, of zoo het graf digt by de aankomst op het kerkhof is, ruim een maal rondom hetzelve, terwyl de klok zoo lang luidt, welke men den eersten voor den middag na het overlyden drie uren lang luidt. Dit alles wordt door de buren verrigt. Van het kerkhof terug komende, wordt er door de familie- en de buren een koude maaltijd gedaan, bestaande in fyn roggenbrood en bier; echter heeft zulks by geringe lieden niet altyd door de buren plaats, doch de meer gegoeden verzoeken wel eens al de huisgezinnen van het geheel dorp op zulken maaltyd, van welke dan ook, zoo velen als er ter maaltyd komen, het lyk ter grave volgen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hier vindt men nog de Burgt of ten minsten nog gedeeltelyk de oude Burgt Sjallema, waar naar wylen den Heer Geertsema van Noordhoorn en deszelfs Erfgenamen zich misschien nog Geertsema van Sjallema noemen.
Bijgelovigheden
Laatst zag ik dat iemand, van een naburig dorp een levendig gevangen mol in de hand, en wel in de linkerhand dooddrukte, om dat men zeide “dat hy dan het vermogen zoude bezitten, om gezwellen of zweren, met dien hand bestrykende, te “kunnen genezen”.