Zoek op de website

Opwierde

Gemeente Appingedam

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Opwierde, de plaats onzer woning, aldus genaamd naar de hoogte die 2 el boven de omliggende landen verheven is, en een uitgestrektheid heeft van nagenoeg 12 bunders.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Een gehucht, Eelwert genaamd, liggende ¼ uur ten oosten van de kerk – welk gehucht waarschynlyk deze benaming draagt omdat de hoogte (thans Wierde) die daar gevonden wordt, genoemd is naar eenen bezitter van dezelve met naam Eel of Ele – hebbende deze hoogte of wierde, een uitgestrektheid van plus min. 5 bunders en 2 el boven de oppervlakte der omliggende landen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de muren der kerk vindt men geen dufsteen: Op de torenklok staat, benevens 4 beelden, het volgende te lezen “Tempore dien Johannes Bernarde Curati in Vellage anno dien 1489”.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Een maar, het Eelwerder maar genaamd, welk zich ten Zuiden vereenigt met het hool- en Tjugchummermaar, en zich door een sluisje (Eelwerder sluisje) ontlast in de rivier de Delft of Fivel.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Twee, nog aanwezig zynde meeren, het Opwierder en Wold meer genaamd.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Behalve de in N° 1 en 2 opgegevene wierden zyn er twee werven, de hooge – en kleine hooge werf genaamd, hebbende ieder eene hoogte van 1 el en 5 palm, en een uitgestrektheid van 1 bunder, benevens een dyk, de Kaaidyk genaamd, lopende van Appingedam tot het Schildmeer, zynde hoog 1 El en 5 palm.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het ryk der dieren zyn de voortbrengsels paarden, koeÿen, schapen, verkens, eenden en hoenders; en dat der planten, koolzaad, tarwe, rogge, gerst, haver, boonen, erwten, aardappels en wortels, benevens eenige hof- en tuinvruchten.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten noorden is de vruchtgevende grond één – en ten zuiden ½ voet boven de knikaarde, welke bovengrond bestaat uit eene bruine kleur (rooddoorn), de wierden en werven zyn meer zwart en kleiachtig en dus ook veel vruchtbaarder – de vruchten van deze wierden en werven, zoo als boonen, erwten en aardappels, zyn zeer aangenaam van smaak.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Twee, eene Zaag- en pelmolen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Koel en vochtig, wegens de laagheid der omliggende landen en de nabyheid van de Eems.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk en school – Lees- en Zanggezelschappen bestaan hier niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Over het algemeen van de akkerbouw en veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is op deze wijze:
dag Jaapk! dag Peter! daar koom ie heer pyter? ik koom vannen dam, – wat gaf taar nys Pyter? – k heb niks gyn nys heurt – hyje mein bruÿer dan ook nog zyn? ja! k heb nog even bie hom west: hy het mie zegt als k joe zag den zolk joe zeggen dat ie zullen gauw rys bie hom komen en spreken hom rys an.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter is opregt – de eenvoudige Godsdienst wordt door hen aangeprezen – hunne levenswyze is zeer eenvoudig, zonder pracht of praal en hunne zeden rein en zuiver en dus ook verre van loszinnig te zyn. – De gewoonten die hier by sommige gelegenheden plaats hebben verschillen niet van andere plaatsen in deze omstreken.
By huwelyksverbindtenissen en sterfgevallen worden hier op eene min kostbare wyze feest- en treurmalen gehouden.
Dit heeft zoo wel by den man – als meervermogenden plaats – de meer huiselyke gewoonten zyn de volgende: – men staat des morgens uit het bed op, des zomers te 4 – en des winters te 5 uur – de tyd van het eten is des morgens om 8 – des middags om 12 en des avonds om 6 uur – des avonds te 8 uur begeeft men zich ter ruste. – Wat de vermaken en uitspanningen aangaat – yverig zyn zy in het bezoeken van jaar-, paarden- en beesten markten – in de lange winteravonden vermaken zy zich het meest door met elkanderen een avondpraatje te houden en zoo als men het hier noemt een avond visite af te leggen, overigens ziet met hier geene noemenswaardige uitspanningen en vermaken plaats hebben. – Nodelooze vermaken en uitspanningen zyn strydig met den aard en inborst dezer menschen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Onder de opmerkenswaardige byzonderheden kan men nog brengen, dat er naar alle waarschynlykheid ten noordoosten van het dorp eene burgt of heerlykheid gestaan heeft, om dat daar een boomryk heem met droog gemaakte grachten bestaat, men denkt ook, dat aan de westzyde der kerk een toren gestaan heeft, omdat aldaar veel puin gevonden wordt. – Ook is er ten tyde van D° Cleveringa van de noordzyde van de pastory een yzeren harnas opgegraven.