Zoek op de website

Oude Pekela

Gemeente Oude Pekela

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Oude Pekela.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder deze Gemeente behooren geene dorpen of gehuchten.
De naamsoorsprong van de Kolonie O. Pekela komt zeer waarschynlyk van een riviertje, dat hier vóór den aanleg dezer plaats, langs stroomde, en de scheiding maakte tusschen het Oldambt en Westerwolde, de Pekelaa of (Pekel Aa – met een hoofdletter A en eene gemeene a), genaamd. Thans niet meer aanwezig.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Geen dufsteen.
Het opschrift op de torenklok is met Gothische letters aldus, boven om den rand:
“anno + dnī + m + cccc + lxxxvi + Sancta + anna + bin + ick +
gheheeten + gude + lude letē mi get +”.
Op de Westzyde staat, beneden aan den buik der klok het afbeeldsel van den h . Nicolaus versierd met den bisschopsstaf en –myter, met het omschrift, halve maansgewyze om het hoofd “St. Nicolaůs”. Op de Oostzyde, regt tegen over de plaats, waar de h. Nicolaus staat, is het beeld der heilige maagd met eene kroon op het hoofd, en het kind in den arm, om het hoofd staat, even als by de h. Nicolaus “ave Maria”, als met gothisch schrift. Deze klok is voor weinige jaren by het graven van eene vaart in een omtrek van de Leek in het Westerkwartier gevonden en zal welligt behoort hebben tot de Kapel van de Nienoord (want zy is te klein voor den toren van Midwolde, of van eenigen anderen ouden kerkhoven). Namens de Stad Groningen is dezelve hier ten jare . . . . in den toren gehangen, inplaats van eene vorige die gescheurd was. Hoe dezelve daar van eigenaar geworden is, weet ik niet.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Slechts een gegraven kanaal midden door deze Gemeente, aan beide zyden, op een’ kleinen afstand, over het geheel niet zeer regelmatig, met huizen bezet. Dit Kanaal loopt van het Oost noord oost, naar het Zuid-zuidwesten, door deze plaats verder door, andere Gemeenten naar de Staten zyl, waar het zich ontlast.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene van eenige betekenis.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1° Uit het dierenryk:
weinige paarden, runderen, schapen, varkens, hoenderen, eenden; visch in ons kanaal en in de wyken, ook al niet vol op.
2° Plantenryk:
rogge, gerst, haver, boekweit, boonen, zomerraapzaad, aardappelen, knollen, weinig vlas, veel tuinvruchten, ooft en moestkruiden.
3° Delfstoffelyk ryk:
turf en zand.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Hooger: veen en afgegraven veenland; lager: zand.
De grond waarvan het veen is afgegraven, ten eenemale onvruchtbaar zynde, heeft men grootendeels met stratendrek tot vruchtbaar land gemaakt; en wordt hetzelve niet gedurig gemest, dan keert de grond tot zyn niet weder terug.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene Kunsten zoo ver ik weet.
De Schoolopziener Adriani onderwyst aan jonge lieden die tot den post van schoolmeester opgeleid worden:
de Aardrykskunde, de Geschiedenis, de Taalkunde, de theorie der Rekenkunde en andere Wetenschappen zonder eenige belooning in geld daarvoor te ontvangen.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken vindt men hier niet. Trafyken: Zeepziedery, tabakskerveryen, hoedemakeryen, rogmolen twee pelmolens, oliemolens, boekweitmolens, zaagmolen, kalkbrandery, garentwynderyen, touwslageryen, weveryen, zeilmakery, cichoreibranderyen, enz. 13 Scheepstimmerwerven, waarvan 2 of 3 stilstaan – mastenmakeryen, goud- en zilversmederyen, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Het luchtgestel is tamelyk droog en gezond.
Doorgaande ziekten zyn hier zeldzaam. In den jare 1826, toen men deze Provincie grootendeels, als een algemeen hospitaal kon aanmerken, vond men in de Pekela misschien geen enkelen buitenwonen zieke. Ondertusschen is men hier nog al veel behebt met verkoudheden.
Welligt des avonds ontstaande door de opgerezene dampen uit de menigvuldige kanalen of wyken.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Twee kerken en eene Synagoge, een openbare en een byschool, welke laatste tot de beide Gemeenten van de Pekela behoort; drie talryke leesgezelschappen; een zanggezelschap heeft hier vele jaren bestaan, doch heeft eindelyk het spreekwoord bevestigd: Alle lofzangen nemen een einde.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

1) Landbouw, 2) Veeteelt, 3) Fabryken. 4) Trafyken, 5) Koophandel, 6) Handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men verwaarloost hier, vry algemeen, de uitspraak van de h, of bezigt dezen letter inplaats van eene a, en ook wel daar geen van beiden te pas komt; gelyk als in Zeeland, in Braband en in sommige oorden van Drenthe. b.v. Myn eer de houderlyk van Aarlen eeft op eene Ollantsche reis zyn regter harm gebroken en zyn linker and gestoten aan een dik stuk hout: y kan daar om geen alf huurtje in de kerk wezen, om den eiligen doop van zyn houdste dochters kind by te wonen. –

Platte Volkstaal
Zamenspraak

(Men denke hier wat men boven van de h gezegd heeft)
A. Eye ’t al eurt? onze lutje maid is eerguster de broed worren.
B . De Broed! wel is eur breugen den?
A. De Sniders vent, Knels Nal. – Ze wollen joen klain oeske wel uren aan de Wieke.
B. Mien klain oeske? – die jong et ja niks en ’t wicht et niks; – gekaid!
A. ’t Zel mi wel reis ny doun, ou ’t aar gait !
B. Ik zy der nyt veul van te muit ; enz.

De zeevarenden onderscheiden zich gelyk ook de meer aanzienlyke stand en spreken meestal meer beschaafd.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Neiging tot vrede of vredelievendheid, is voorzeker een der eerste hunner karakter trekken. Voorts vindt men hier welwillendheid, nyverheid, spaarzaamheid, ingetogenheid, hoewel men zich in groote en openbare gezelschappen en partyen wel durft loslaten, en zyn hart regt uitspreken. – Geen liefhebbers van sterken drank, kan de handwerksman, gelyk overal zyn snaps met zeer veel smaak gebruiken. Men gaat gaarne ter kerk en de jongelui, die hiertoe zoo veelvuldige gelegenheid gegeven wordt, oefent zich met vlyt in de Godsdienstleer. Dweepery en bygeloof zyn hier sedert eenige jaren met kracht en met een goed gevolg bestreden, en zoo het schynt, bykans vernietigd. Op het onderwys der jeugd wordt er in de Pekel meer prys gesteld, dan op vele andere plaatsen; hoe wel het penningsken, dat die onderwys moet bekostigen, nog aan te veel menschen begroot!
Des zomers bezoekt met elkander minder, des winters meer. Veelal maakt men acht uur visites, die ’s nachts tot elf, twaalf uren duren. Deze byeenkomsten van eenige goede vrienden of bloedverwanten zyn by sommige zeer eenvoudig en min kostbaar, by andere brillant. By eenigen presenteert men slechts koffy, by anderen chocolade. – By het afloopen van een schip in het water, wordt er doorgaans een collation gegeven, het welk gemeenschappelyk door den kapitein, de Reeders en den scheepstimmerbaas bekostigd wordt. Deze feesten zyn veeltyds zeer aardig en luidruchtig. Hier klinken de glazen en het geroep van hoezee! laat zich verre hooren!
Bruiloften worden hier zeldzaam gegeven. Het vooroordeel op de begrafenisplegtigheden kan men maar niet wegredeneren, zoo penningvast en spaarzaam men anders ook wezen moge.
Het rouwdragen wordt ook nog stiptelyk in acht genomen: men spreekt van heele – halve en kwart rouw, misschien gelyk voor honderd jaren. Zoo houdt men de schadelyke gewoonten onzer voorouderen aan, terwyl men de goede veracht en varen laat!
Men gaat in den wintertyd later te bed en staat des morgens later weder op. De schippery heeft hier geenen vasten regel in. Des zomers staat de ambachtsman om vyf en zes uren op, en neemt doorgaans te acht uren zyn ontbyt. In het algemeen eet men hier des middags om twaalf uren, des avonds te zes en zeven uren. –
Men eet hier dat gene, wat aan de orde van het jaargetyde is: peulen, boonen, knollen, wortels, veel aardappelen. De vrouwen te dezer plaats zyn by andere gewenschte hoedanigheden, zeer zindelyk en knap en zeer geschikt voor de keuken. Wat de zindelykheid derzelve aangaat, dit is meermalen door vreemdelingen aan de schooljeugd opgemerkt geworden, die steeds rein en net gekleed ter schole komt. –

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hier vergadert om de twee maanden het Departement van de Maatschappy Tot Nut van ’t Algemeen. Ook bestaat er een Departement van het Instituut voor Doofstommen, dat echter slechts weinig leden meer telt, gelyk ook eene plaatselyke SubCommissie van de Maatschappy van Weldadigheid, waarvan de Leden insgelyks zeer verminderd zyn. Oude Pekela is ook de hoofdplaats van het Canton, waart het Vredegerecht alle 14 dagen vergadert.

Oude Pekela 1828
(get) B. v. Dyk.