Zoek op de website

Oudeschans

Gemeente Bellingwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Oudeschans.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

In de Oudeschans liggen geene gehuchten of buurtschappen.
Deze plaats voerde oorspronkelyk den naam van Bellingwolderzyl; wyl men aldaar by eene eerste indyking van sommige Bellingwoldster landen uit den Dollart, eene uitwateringssluis naar buiten gelegd heeft gehad. Vervolgens met vestingwerken versterkt wordende, kreeg zy den naam van Bellingwolder Schans en eindelyk noemde men haar OudeSchans in tegenstelling van de nieuwe Schans die 1½ uur verder naar de Oostvriesche grenslyn, drie en veertig jaren later is gebouwd geworden.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is te dezer plaats, noch duf- of duifsteen aan de kerk, noch een opschrift op de torenklok.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Geene.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het plantenryk: Rogge, weit, garst, haver, boonen, erwten, vlas, klaver, en voor het overige tuinvruchten: als aardappelen, wortels, knollen, kool en peulvruchten; voorts appels, peren, pruimen, kersen, abrikozen enz.
Uit het dierenryk: Paarden, Koeijen, Schapen, zwynen, honden, katten, rotten en múizen; ook eenige korven byën.
Uit het delfstoffelyk Ryk – geene.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Eene aanmerkelyke laag zware klei, veelal vermengd en tot tuin grond verarbeid, liggende op veen, en daaronder eene bedding zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken zyn hier niet.
Handwerken de volgende:
1) Grofsmedery; 2) Wevery; (linnen) 3) Kuipery; 4) bakkery; 5) kleermakery; 6) Timmery.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is te dezer plaatse zeer vochtig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school, twee gedeeltelyke leesgezelschappen en één Zanggezelschap, hetwelk echter, om onderscheidene redenen thans niet in werking is.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan worden hier meestal gevonden uit den Landbouw; een weinig koophandel in het klein: handwerken en het overige gedeelte der inwoners zyn dagloners; welke laatste hun bestaan zoeken en vinden uit de werkloonen, hun door den Landbouwer of Burger voor hunne werkzaamheden ter hand gesteld.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier de gewone platte Groninger gewestelyke taal, evenwel vry onderscheiden van het hooger liggend Westerwolde, maar meer overeenkomende met de platte uitspraak in het Oldambt: b:v. Onze volk bin na ’t Nyeschansker markt: ik zol ook eerst mit west hebben; maar van mörgen luiten der ’n paar van onze nabers vragen of zy mit varen konnen en dou wuir de wagen te vol om mi mit te nemen, anders had ik mit gaan. Ik geev’ er ook neit veul na, omdat vader en mouder mi baide beloofd hadden dat ik nou na ’t Winschoter markt zol, en daar ga ’k ook veul lyver hen; in Nyeschans komt tels maar ’n beetje volk en daar is ook haast niks te bezyn.
As men d’ijne poort inkomt, den kikt men tou de ander al weer oet; maar in Winschoot daar komt ’n bult volk en d’er is tels ook veul te kiken. Ik heb heurt dat er van ’t harst weer ’n tent mit wilde dyren en vrümde vogels komen zol, dy wil ’k ook zyn, as ’k er koom.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De daglooner gaat des morgens te vyf uren naar zyne werkplaats; de kleermaker, timmerman en dergelyke lieden gaan te zes uren aan het werk en op dien tyd staat ook de burgery op. Het morgen ontbyt geschiedt in de meeste huishoudingen des morgens te acht uren, het middag eten te twaalf; en het avondmaal by den landbouwer des avonds te zes (in den zomer) en by den burgerstand te acht uren; in den winter des avonds te 7 a 8 uren. Te negen a tien uren des avonds gaat men hier te bed. Tot uitspanningen en vermaken behoort hier ter plaatse het uitryden, wandelen, het bezoeken van deze of gene kermis en meer dergelyke uitspanningen.
In den Zomer hebben in de plaats byna geene bezoeken plaats, maar men spaart dezelve tot de meer geschikte en lange winteravonden, wanneer men elkander dan wel eens des avonds te vyf uren bezoekt, onderling wat praat over deze en gene dingen aan de orde van den dag, eenige matige ververschingen neemt en gewoonlyk tegen tien uren weder huiswaarts keert.
De trouwplegtigheid wordt hier nog al dikwyls door den Predikant herhaald; begravenissen geschieden in behoorlyke stilte en plegtigheid; doch de gastmalen zyn hier zoo wel by het eene als andere merendeels afgeschaft; niet dan de naaste bloedverwanten worden by zulke gelegenheden ten eten verzocht.
Voor het overige zyn de inwoners vry zedig, wonen vry wel de openbare godsdienst by en leven stil en vergenoegd.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Als eene byzonderheid verdient hier aangemerkt te worden, dat men by het ontmantelen der vesting, in den Hoofdwal eene menigte kogels van onderscheidene kaliber heeft gevonden, welke eenige aanvallen uit den ouden tyd herinnerden. Evenzeer een muurwerk van een afgebroken vierkant gebouw onder den grond, in één der bolwerken, dat tot den einde toe, by den naam van kruidbastion is bekend geweest, het voormalig bestaan van een pulvermagazyn bevestigd.
Nog ontdekt men eene menigte van menschengeraamten, op plaatsen welke niet als gewone begraafplaatsen zyn bekend geweest; zoo buiten als voornamelyk in den hoofdwal, zelfs in het parapet.

(get) H. Doedens Schoolonderw:
10 oct 1828. te Oude Schans.