Zoek op de website

Pieterburen

Beantwoording der vragen opgegeven door de Commissie van Onderwys in de provincie Groningen,
d.d. 10 Juny 1828
door A. Jeltes, te Pieterburen.

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Pieterburen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Tot dit dorp behoort het gehucht Wierhuizen, liggende in eene westelyke strekking plusm. 1717 ellen van de kerk, en de buurtschap Broek, welks zuidwestelyke afstand van de kerk plusm. 1900 ellen bedraagt. De naamsoorsprong van Pieterburen zou men kunnen afleiden uit de toewyding der kerk, zoo als men wil, aan st. Pieter. De alhier wonende  ngezetenen, behoorden dan tot die kerk, waren er buren van, dus buren van st. Pieter, of Pieters buren. Oudtyds noemde men dit dorp st. Pieter, vervolgens Peters- of Pietersburen en nu vry algemeen Pieterburen. De benaming van het gehucht Wierhuis is, naar myn inzien, afkomstig van die verhevenheid, welke aldaar het kerkhof uitmaakt; dewyl, zoo als bekend is, eene min of meer verhevene hoogte wel eens eene wier of wierde wordt geheeten. Broek is laag gelegen. Er is plusm. een half bunder land, dat zeer laag is. Daar nu Broek een meer, broekland laag land aanduidt, is, misschien, de naam Broek zynen oorsprong verschuldigt of aan een aldaar geweest hebbende meertje, ’t welk echter klein geweest moet zyn, of aan de lage ligging.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze kerk is geen dufsteen. Op onze groote torenklok is, in Romeinsche hoofdl., dit opschrift: Vroo. Odo. tho. Dika. heft. dese. klock. eirst. laten. geten. vnde. die. Pastor. vnde. die. kerrick. sworen. Antonivs. van. Wtrecht. me. fesit. Anno. domini. MVeLIII/ 1553/.
Het opschrift op de kleine torenklok is vervat in eenige, voor my onleesbare, letteren.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

In deze gemeente zyn het Pieterbuurster- en het Wierhuister- of Broekster maar. Het Wierhuister loopt van de ryweg, plusm. 900 ellen ten westen van Pieterburen, zuidwaarts naar en van Broek, en vervolgens in eene zuidoostelyke strekking in het maar van Pieterburen komende. Het Pieterbuurster, dat in oosteinde van het dorp eenen aanvang neemt, en welks loop eerst zuidwestelyk is, ontvangt alras het Westernieuwlandster maar, vereenigt zich daarna met het Wierhuister, loopt als dan, meest zuidelyk, naar den Hoorn, en ontlast zich, met andere wateren vereenigd, door de Schouwerzyl, in het Reitdiep. Men heeft hier 8 kolken waaronder een ter grootte van plusm. ¼ bunder.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De hoogten, welke men hier aantreft, zyn het Wierhuister kerkhof en het zoogenaamde hoogtje, ten oosten van Pieterburen gelegen; het kerkhof is hoog, boven de aldaar zyne ryweg, plusm. 2 ellen en 6 palmen, en het hoogtje, boven het maaiveld, plusm. 1 el en 4 plm. en 7 duimen. De tot deze gemeente behoorende zeedyk, welks hoogte gerekend wordt op 4 ellen 8 plm. en 5 dm., strekt zich uit van het oosten naar het westen ter lengte van plusm. 3547 ellen, en van het noorden naar het zuiden ter lengte van 297 ellen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het plantenryk deze veldgewassen; tarwe, rogge, gerst, haver, boonen, erwten, kool- of raapzaad, aardappelen, wortels; ook heeft men hier goede weilanden. De algemeen verbouwd wordende tuinvruchten bestaan, behalve in aardappelen, in peulvruchten en kool. De boomvruchten bestaan hoofdzakelijk in appels, peren, pruimen, kersen, kruis- en aalbezien. Het dierenryk brengt hier voornamelyk voort paarden, rundvee, schapen en varkens.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is hier gemengd, bestaande uit klei en zand, ter diepte van plm. 1 plm. 4 dm. 7 strepen tot plm. 4 plm. 4 dm. 1 streep.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Dezelver beoefening is hier niet uitsluitend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken zyn hier niet; men heeft een roggemolen eenige winkeliers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is er, wegens nabyheid der zee, veeltyds vochtig en zeer veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school en een leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De landbouw en veeteelt zyn de hoofdzakelykste.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platduitsche.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter, levenswys, zeden en gewoonten zyn gelyk aan die,welke algemeen in onze provincie zyn heerschende.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Deze: kort na het vertrek van Leicerter naar Engeland, is de held Dirk van Sonoi, voorheen Gouverneur van Noord-holland, met zyne vrouw Johanna Mepsche, alhier op het huis ten Dyke, (Dyxterhuis) komen wonen, alwaar hy in 1597 overleed. By zyne begraving, welke in de kerk geschiedde, was Graaf Lodewyk van  Nassau, Stadhouder dezer prov., mede tegenwoordig. In de kerk hangt nog het wapen van dezen Sonoi, verdeeld in zestien kwartieren, behoorende de ene helft tot hem en de andere helft tot zyne (denkelyk eerste) vrouw van Malsem; welke in 1584 is overleden, en wier stoffelyk deel van Enkhuizen te dezer plaatse  overgebragt en in de kerk bygezet werd.