Zoek op de website

Rottum

Aan de Wel Edelen Heer,
den Heer J. van Cleef,
Schoolopziener van het
vierde District in de
Provincie Groningen te Groningen.

 

Opgave van Rottum, Gemeente Kantens
door
D.E. Zuidhof (onderw.)

den 26 September 1828

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam onzer woonplaats is Rottum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Een gehucht genaamd Helwerda, hetzelve ligt nagenoeg acht minuten ten noorden van de kerk; de naamsoorsprong is daarvan niet bekend. Misschien komt de benaming wel van dezelfs ligging, dewyl het byna op de helft tusschen Rottum en Uskwert ligt, en daarom Helftwierde of Helwerda heet. Helwerda of Heilige wierde behoorende eertyds aan het klooster te Uskwert. Met meer zekerheid kan de naamsoorsprong van Rottum opgegeven worden, dezen naam is herkomstig van het klooster, dat hier eertyds stond; althans in zeker boek leest men de volgende woorden:” Het Klooster te Rottum had wel een rood dak, en heette Roottheem; hetwelk zoo veel beteekent als,
Roodhuis, waarschynlyk is Roottheem in Rottum verandert.”  In oude geschriften heeft men Rotthem geschreven, ook wel Roothem (zie Brugerus).

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen of duifsteen wordt aan de kerk hier niet gevonden. -
Boven om den toreklok leest men het volgende opschrift: “Het vergieten van deze klok is van de Unica Collatrice in de karspellieden van Rottum vereerd Mammens Fremey Heidefeld en M. Mammens Fremey-me Jecerunt 1787.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Er zyn twee maren en er is een Schipsloot; een maar ten zuiden genaamd het Koksmaar, en een ten noorden genaamd het Helwerdermaar. Ten zuiden van Rottum (westzyde) begint de Schipsloot, deze loopt in de rigting van het zuiden naar het noorden en valt in het Koksmaar. Het Koksmaar neemt een begin by de Eilswerderdam; zynde den puinweg aan het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen, en loopt kronkelend in de rigting van het oost ten noordoosten; naar het west ten zuidwesten en valt in het Delt. Het Helwerdermaar, stroomt tusschen Rottum en Uskwert door, neemt zyn begin naby Uithuizen, aan den puinweg loopt kronkelend vandaar in de rigting van het oosten naar het westen voort; doch neemt eindelyk eene regte rigting naar het west - ten zuidwesten en watert in het maar van Uskwert uit, hetwelk daar ook z.w. loopt en komt in het Delt. Het Helwerdermaar was in vroegeren tyd, de waterleiding van het Ooster-Nieuwland en deszelfs omstreken. Het Uskwertermaar maakt de scheiding tusschen Rottum en Uskwert.- En het Delt is de scheiding tusschen Rottum en Warffum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zyn er niet, ook hebben er geene in vroegeren tyd bestaan.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De hoogte der wierden en derzelver uitgestrektheid is, in het vorige jaar 1827, aan de Commissie van Onderwys opgegeven, met de hoogte van het vlakke land.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zyn er niet, slechts eenig houtgewas om de landbouwerswoningen: bestaande veelal uit; yperen, esschen, witblad wilgenhout en populier boomen, zelden linden en hageldoorn.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Oorspronkelyk kan men geene dieren opgeven dezelve zyn hier overgebragt, namelyk het tamvee en huisdieren.

A. Dierenryk.
1. Zoogdieren, als: paarden, koeijen, schapen, varkens, honden, katten, ratten, muizen, hazen, konynen, bunsels, wezels en mollen.
2. Vogelen, als: zwanen, ganzen, eenden, hoenderen, kalkoenen, duiven, patryzen, kievieten, eksters, zwarte raven, reigers, valken, nachtuilen, vleermuizen, spreeuwen, musschen, vinken, putters en meer kleingevogelte, ook ziet men hier veel zeemeeuwen, en de trekvogels zyn hier niet vreemd.
3. Visschen, als: snoek, baars, voorn, karper, grei, aal en platvisch.
4. Tweeslachtige dieren, als: kikvorschen en padden.
5. Insekten, als: bijen, wespen, hommels, muggen, vlinders en rupsen.
6. Wormen, als: regenwormen, grondwormen en slakken.
B. Plantenryk, als: onderscheidene soorten van vruchtdragende boomen, als, appels, peeren, pruimen, kersen noten en hazelnoten, voorts heesters, struikgewassen en planten, tuin- en peulvruchten, zyn hier by matig weder zeer goed. Aardappelen worden er overvloedig verbouwd en zyn heerlyk van smaak, insgelyks vele veldvruchten, als: tarwe, gerst, rogge en haver, winter en zomer koolzaad, erwten, paardeboonen en vlas.
C. Het Delfstoffenrijk is arm in voortbrengselen, slechts eenige schelpen worden op een aanmerkelyke diepte in den grond gevonden.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Rottum heeft een uur gaans in de lengte van het oosten naar het westen, en een half uur in de breedte van het noorden naar het zuiden. Het ligt ten noorden aan Uskwert, ten oosten aan Uithuizen en Zandweer, ten  zuiden aan het Boterdiep, den grond van Kantens en Stitswert, en ten westen aan het Delt. Rondom het dorp heeft men kleigrond zwart van kleur, en uitnemend voor den landbouw geschikt, ook voor den veeteelt, vermits het gras hier zwaar en voedzaam is. Doch eene laagte ten westen aan Rottum is alleen voor de weidery geschikt: zy heeft voedzaam gras doch vele en langdurigen regen zetten dezelven onderwater, Deze laagte is uitgetigcheld land en heet de Kleidobben. Alle vruchten, die men op andere voor den landbouw geschikte kleigrond verbouwt tieren evengoed te Rottum als elders. Echter is by eene langdurige droogte of regen de grond onhandelbaar. Ten noorden en oosten wordt hy met zand vermengd en heeft lichter kleur, vruchtbare akkers en grasryke weiden geven hier eene schilderachtige vertooning. Ten zuiden aan het trekdiep en den grond van Kantens toe aan den Schipsloot van Rottum, is het weder vruchtbaren kleigrond, van eene zwartachtige kleur. Het golvend graan en de zware runderen leveren hier voor den wandelaar een schoon gezigt op.- Doch ten westen van den Schipsloot, naar den kant van Stitswert, heeft men kleigrond met rooddoorn vermengd, bruin van kleur en op sommige plaatsen zelfs rood, en is op verre na niet zoo vruchtbaar als de boven omschrevene grond ten noorden, oosten en zuiden van Rottum. Schoon de rooddoorn hier wel dieper is, dan, meer zuidwaards naar den kant van Stitswert, waar dezelve  zoo hoog is, dat het niet zelden daar gebeurt, den ploeg in den grond vast te dryven, kan men toch evenwel er goeden vruchten verbouwen. Verder ten westen en noordwesten bylangs het Delt, is de grond weder veel beter, heeft daar een graauwe kleur, en in het noordwesten naar de kant van Warffum is hy gemengd. Over het algemeen kan men stellen, dat, de grond te Rottum, uit kleigrond en gemengd grond bestaat. In het noordwesten, noorden, oosten, heeft men gemengde grond en in het zuidoosten zuiden en westen kleigrond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en wetenschappen worden hier niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier eene weverij, waar linnen, vyfschagt, baai etc. geweefd wordt, één hoefsmid, een kuiper een broodbakkery, twee winkeliers, een schoenmaker en een kleermaker.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Wegens de nabyheid der zee, heeft men hier gewoonlyk het luchtgestel veranderlyk en vochtig, de zeedampen veroorzaken hier wel eens koude avonden, die de gzondheid benadeelen; doch over het algemeen frisch en gezond; en behalve in het wintersaisoen, matig. -

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene Herfomde Ger. Kerk, eene school, een leesgezelschap verbonden met dat van Kantens; doch een zanggezelschap bestaat er tot dusver nog niet.-

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve ambachtslieden en daglooners, landbouw, veeteelt en paardenfokkery.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal is hier gelyk op andere in dezen omtrek liggende plaatsen, en bestaat uit de zoogenaamde Hoogelandster taal. Echter dient men hierby op te merken, dat men de klanken der woorden dikwyls verkeerd uitspreekt, zoo dat men:

a voor ó   aa voor ai   au voor aau
e voor i   ee voor ij   ei voor ai
i voor e   ij voor ee   oe voor ou
o voor u   oo voor eu   oe voor ol
u persoon joe   ee voor eu   ou voor ol
ij voor ie   ui voor oe   ou voor u
i voor u   ie voor y   ieu voor y
i voor ij   ie voor i en oei voor ui

In het volgende gesprek zal men dit beter kunnen onderscheiden. Twee boeren A en B ontmoeten elkaar naby het dorp en houden de volgende woordenwisseling met elkander.

A. Gou morgen B! hou gait?
B. Mie goud. Hou gait joe - en de hoesholling?
A. Ik ben zond en de vrouw en kiender ook.
B. Wat dunkt joe van 't weêr?
A. Mie dunkt, dat zel wel gaan, - Want de lucht is helder en de zun is gusteràvond helder na de grond gaan, en van morgen bleeft 't eerst donker; maar dou de dook optrok docht ik vort, van daag komt er  gijn regen.
B. Nou ' t ken ook wel wezen, dat we an dreugte tou zin, 't het ook al zoo lang an 't natten west - en ' t holt altied ynmaal weêr op. Jong ' k was lest zoo verdytig, omdat het regenen nyt op hil! 't volk kon niks oetrigten, en 't hooi, dat w' ien 't zwat hadden, kwam hylendal kepòt, maar nou hebben wie ' t toch 't hoes.
A. Wie hebben 't hooi krekt veur de regen t' hoeshaald, maar ie wyten der nyt van hou 't bruide, dou 't dag of mennig ien de schuur zeten had! Alle gedúrig stakken wie de vou der ien, maar als we hom der oet hillen, konnen we der hin of biena gyn hand an harren!
B. Dat wil 'k wel loven. 'k heb tegen ons volk zegt, dou ie an 't mennen wassen: als dat goud gait, dan gait er meer goud.
A. Als ' t nou zoo an 't dreugen blift, dan wil 't er dròk worden mit mennen en raapdorschen.
B. Ja. Ien d'ander week mou w'ook an gang, maar 't zel slim worden om volk te kriegen, daarom wil 'k nou vort na 't long en bespreken d'amslú, dat z'ons helpen mouten.
A. Daar heb ie geliek an, want als der yn veur joe komt, den is 't te laat. k' Heb heurd, dat 't zaad nog al en schikkelieke pries het, 't ken wel wezen dat ie dat raken. Koman, 'k mout vort, ik wol ducht mie na ons jongens tou, dei daar gunter ien de zummervlag an 't plougen zin. - Ons ducht daar wol we ròpen  zaijen.
B. En ik zel zyn, dat 'k ien loug koom, 'k mout nog na de Smid en koeper tou, en den wordt mien tied ook.
A. Nou ik grout joe, en de groutenis an de vrouw en kiender!
B. 'k Dank joe en ook de groutenis t'hoes!- Maar wanneer wil ie nou rys mit joenbaiden komen?
A. Dat mou we maar stellen als ' t weêr lichtmaan wordt.
B. Dan zel we den maar op rekenen, de maan dy bijjert nou dòg al wat. enz.
 

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het karakter van Rottums inwoners mag met het volste regt den naam van edel karakter dragen.- Een vriendelyk en opregt gelaat doen zulks blyken; en de vreemdeling zal dit ontwaren aan de eenvoudige gastvryheid, die hier, zonder onderscheid van rang of stand gevonden wordt, en de vriendschapsband is hier zeer naauw toegehaald. Opregtheid ,en vertrouwen, eerlykheid en middadighed hebben zich hier gevestigd, waarvan de broederlyke liefde en de ondergeschiktheid jegens elkander het duidelykst bewys oplevert.
Ook is hunne levenswyze matig, die ten gevolge heeft, dat men hier over het algemeen gezonde menschen heeft, met een bloeyende kleur en vrolyk uiytzigt. - Buiten en behalven dien kan men dezelve ook als eenvoudig aanmerken, waarvan de kleederdragt ten bewyze strekt. Alhoewel op zon -en feestdagen zindelyk en net
gekleed, ziet men hier niet, dien weidschen pracht, tooi en opschik, als wel op andere in dezen omtrek liggende plaatsen. -Zy zyn sterk gehecht aan oude gewoonten. Ook zyn de zeden hier niet te zeer verbasterd, hetgeen men niet alleen aan de bedaardheid en deftigheid hunner gesprekken kan ontwaren, maar veeleer zelfs, dan, wanneer verscheidene jonge lieden, van beide geslachten, zich des avonds in het dorp bevinden. - Zonder eenige onbetamelyke bedryven aan te vangen, schikken allen zich naar hunne woningen terug, en wel op eenen behoorlyken tyd, zoo dat de nachtrust daardoor geenszins benadeeld wordt. - Insgelyks worden godsdienst en goede zeden hier op prys gesteld, hetwelk niet anders dan de gewenschte gvolgen hebben kan. Niet minder zyn hunne gewoonten. De ambachtslieden staan des morgens te vyf uren op, en hebben des avonds te zeven uren gedaan werk. Het boeren volk heeft twee vastgestelde tyden van opstaan. In de maanden Maart en April 's morgens te vier uren - en in de maanden Mei, Juny, enz. tot den laatsten September 's morgens te drie uren, en hebben 's avonds te zes uren gedaan werk, de winter maanden maken wel eens eene uitzondering. De klok waarmede men den godsdienst aankondigt, dient ook des morgens te zeven uren den tyd van ontbyten, te twaalf uren van middageten en des avonds te zes uren het avondeten door geluid aan de duiden. - Openbare vermaken en uitspanningen zyn er niet. De uitspanningen bestaan hierin: de mannen roken na de werkzaamheden een pyp tabak en de vrouwen bemoeyen zich met huizelyke bezigheden. - De wyze van bezoeken geschiedt veelal des avonds te zeven uren en duurt tot tien uren. Terwyl de mannen rooken, verzuimen de vrouwen niet om koffy en socholade klaar te maken hetwelk gezamentlyk genuttigd wordt; tot afscheid dient ook wel eens een glaasje sterkendrank. De tyd van bedgaan is hier  gewoonlyk van negen tot tien uur. -  By het trouwen wordt geene bruiloftsmaaltyd gegeven, maar by begravenisplegtigheden heeft men wel eens eene maaltyd die uit onderscheidene spyzen bestaat. De begravenis heeft te twaalf uren onder klokgeluid plaats, door de mannen uit de buurt en de vrouwen gaan achter de familie naar het grafsnede. Na de begravenis gaat de familie met eenigen uit de buurt ter maaltyd, de overigen gaan naar hun eigenhuis. Te vyf uren des avonds gaan alle mannen en vrouwen naar het sterfhuis en drinken bier en koffy, dewyl er alsdan een half ton bier ter hunner beschikking ligt. des avonds te acht of negen uren gaan de buren weder naar huis.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Eertyds stond er te Rottum een burgt genaamd Holwinda behoorende onder de kerkelyke gemeente van Uskwert. De grachten om dezen burgt hadden eene wydte van 60 en eene diepte van 14 voeten: over de grachten lag eene klapbrug en de sterke steenen poort werd door stukken verdedigd. - Thans is het eene boerdery en draagt nog sporen van zyne vroegere geduchtheid - en ligt nagenoeg een half uur noordoost ten oosten van de kerk. Nagenoeg zes minuten - ten westen van de kerk stond weleer het klooster Bethlehem: het zyn nu twee boerenplaatsen. De volgende spookverschyningen. Op de laan van het Klooster melkhuis boerenplaats by de pastorie, reed 's nachts een yzeren wagen bespannen met vier of zes groote honden. En op de wierde ten zuiden aan Rottum liepen des nachts te 12 uren twee witte vrouwen en een groot zwart dier - waarvan men de gedaante niet kan opgeven. Doch thans lacht men om deze bygelovigheden.

 

U. Emmius. agr. Fris.

Rottum, een Benedictiner Monnikkenkl. (Oudh. 369). Haike, Abt aan deze plaats, was een van degenen, door welke het Landregt van Hunzingo in 1252 werd overgezien en verbeterd, U. Emm. en Kron. op 1252. Bethlehem, een Nonnenklooster by Rottum; (oudh. 370)-