Zoek op de website

Klooster Ter Apel

Gemeente Vlagtwedde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Klooster ter Apel.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De gehuchten Welpskamp, ’t Hiem en ’t Schot.
Welpskamp pl.m. 40 en ’t Hiem 80 roeden, liggende beide ten Noordwesten van de Kerk, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver weet ik niet.
Schot, dat zoo veel zegt als een bergplaats voor Runderen, schapen enz. gelyk de naburige Drenthen heden nog een Schaapkooi schot, schaapschot noemen, zoo is het gehucht Schot liggende plm. 100 roeden Zuidoost van de kerk een Osseschot geweest, waar de Monniken ten tyde toen zy hier in het klooster verkeerd hebben de ossen des winters hebben gevoerd, daarom wordt het tot heden toe Schot genaamd.
Nu zal ik eenige historische aanteekeningen aangaande Ter Apel melden.
Apel schynt een klein gehucht op een hoge zandgrond liggende geweest te zyn, gelyk het naburig Haar en Wisch. De naam schynt oorspronkelyk geweest te zyn Apelo, eene plaats die aan de Aa ligt, gelyk Berkelo eene plaats is, die aan de Berkel ligt. Lo of Loo, beteekent in ’t algemeen plaats.
De letter p is in Apelo gekomen om des goeden klankswil. Ter is hetzelfde met te gelyk Ter Vere Ter Tholen niets anders is als te Vere te Tholen. –
Het Klooster ter Apel is gesticht ten jare 1216, zynde van de Premonstreiter orde zamengesteld uit leem en hout, en droeg den naam van domus lucis dat is huis des lichts. By den verschrikkelyken watervloed, waarvan de Dollert zyn oorsprong verschuldigd is, voorgevallen in het laatste des jaars 1277 zyn er 70 geestelyken door de golven verslonden. Tien jaren later zyn er ook eene menigte Kloosterlingen by een nieuwe watervloed omgekomen, en ’t getal der overgeblevenen was 70. Er waren in ’t geheel 150 Kloosterbroeders in. In ’t jaar 1464 was het van munniken geheel ledig, en het gesticht zoo goed als vernietigd.
In dit jaar heeft Jacobus Wiltingh, curator te Garrelsweer’ en Vicarius te Loppersum het vervallen klooster of het grondgebied van hetzelve, zoo als het was, gekocht van den Proost der Premonstreiter orde te Schildwolde, die verworven dat is voogd van het oude cloester to apell genoemd wordt. Vervolgens schonk Wiltingh dit goed aan den Eerzamen Peregrinus generaal Prior der gansche orde van het heilige kruis, ten einde aldaar een Klooster van deze orde te stichten. Weldra begon men daartoe voorloopige schikkingen te maken, zoo dat in het eerstvolgende jaar 1465 het nieuwe klooster met één Prior, 3 geestelyken en even zoo vele lekebroeders, die uit het Klooster van Benthlage derwaarts gezonden waren, bezet was; terwyl men toen eerst regt begon te bouwen en te timmeren. Het Klooster schynt toen den naam gekregen te hebben van domus nove lucis; dit is het huis des nieuwen lichts. By de bouwing van het Klooster in 1216 of 1465 zouden volgens overlevering alle landlieden uit naam van den Paús met de belofte van aflaat zich hebben laten gebruiken, om in eene lange ry over de moerassen de steenen elkander te doen overhandigen. En daar de moerassen toen nog wateriger waren dan thans, daar men in 1216 geene steenen noodig had, dewyl het Kloostergebouw toen van hout en leem was en men toen ook nog geen zoodanig gebruik van volkomene aflaten maakte, onder Paus Innorentiús en Honorius, zoo is het meer dan waarschynelykheid dat de houten brug voor eenige jaren ontdekt, gelegd is by de Stichting van het tweede Klooster in 1465. Om het Kruizebroeders Klooster in dit jaar te bouwen, zyn niet alleen vele groote gebakken steenen, maar ook vele Benthemsche steenen gebruikt. De steen was waarschynelyk van Bedum want er was geen steenbakkery in Drenthe, en moest door Drenthe over de moerassen naar Ter Apel gevoerd worden. De steen aan het Klooster heeft niet het aanzien van eigen gebakken steen, maar van in een tigchelwerk, gebakken te zyn. –
Groot was in de 16de eeuw toen het klooster verfraaid werd, de bloei dezer geestelyke gestichten; maar niet lang daarna is die in die bloei verwelkt. Ten tyde der Spaansche beroerten wordt het klooster gezegd, wegens ook aldaar gevoelde vyandelykheden verlaten te zyn. De Munniken hebben zich toen naar een Klooster hunner orde in Westphalen begeven. – Onder het Stadhouderschap van Johan van Ligne Graaf van Arenberghe , die leenman van Westerwolde was, werd het Klooster ter Apel verordend tot een gasthuis voor ongelukkige vreemdelingen en doortrekkende reizigers, die er verblyf, spys en drank genoten. – Na den dood van Arenberghe, die in ’t jaar 1568 voorviel, werd ten eerstvolgende jare deszelfs zoon Karel, Graaf van Arenberghe beleend met de heerlykheid van Westerwolde. Ook bleven toen dezelfde inrigtingen stand houden onder het huishoudelyk bestuur van den voormaligen Prior Kornelis Ooij van Utrecht, die ten jare 1583 overleden zynde werd opgevolgd door Johannes Emmen, welke in het jaar 1613 overleden is. De laatste had de eeretitel van Pastor et Occonomus volgens het opschrift in de kerk luidende:
Venerabilis Dominus Johannes Emmen Pastor et Occonomus hujus domus, postquam eidem præfuisfet annos 30, obüt et hic sepültüs est die 11 Julü 1613.
Corporis atque animæ panem mandante Senatu Distribui; populis, at nuncinfine laborum coolesti hio sobum contentus pune quiesco. –
Het mandante senatu verdient in dit grafschrift eenige opheldering. Na dat in 1594 de Algemene Staten der Spaanschen het bewind over het Westerwolde hadden ontweldigd, bleef wel de Aartshertogin van Aarschot wedw van den gemelden Karel Graaf van Arenberghe nog leenvrouw van Westerwolde; maar haar invloed was gekrenkt. Zy zocht dus dit leen te verkoopen, maar dat gelukte niet. Eindelyk vond zy ten jare 1618 daartoe een liefhebber aan een ryken Amsterdamschen Koopman Willem van der Hove, aan wien zy het verkocht voor 125000 gl. De Algemeene Staten begeerden niet als leenheren erkend te
worden, (de Stad! < zy waren het anders sedert 1595 geweest, Stelden Drost en Regters aan, en kochten de heerlykheid van Westerwolde in ’t jaar 1619 van W. van der Hove voor 141300 gl). En deze heeft dezelve in bezit gehad tot heden toe, zoo als van der Hoeven haar gehad heeft.
En alzoo heeft de Stad Groningen het wereldlyk verklaard Klooster ter Apel met alle aanhorige gebouwen, groote tuinen, landeryen en bosschen in beslag genomen.
Hieruit nu laat het zich verklaren, welk de Senatus was, waarvan in grafschrift op Emmen wordt melding gemaakt. Het waren de Algemeene Staten onder wier bewind het Klooster een gasthuis of hospitaal bleef, zoo als het reeds voor het jaar 1568 geweest was, van de pacht mollen confunctie in genere geextimeerd, tot de dood van Emmen of het jaar 1613. Na dien tyd wordt nergens van een occonomus des huizes gesproken. Het schynt dat Emmen sedert 1604 ter Apel tevens Predikant is geweest by de Hervormde Gemeente welke aldaar bestond uit landlieden, die om het Klooster heen woonden, en misschien in getal toenamen. Te dien jare werd goed gevonden dat Emmen als Pastor voor een hervormd Predikant zoude moeten wyken, die te Apel beroepen mogt worden, of dat hy zich zelven naar Kerkenorde aan een examen zoude hebben te onderwerpen, ten einde dan als Predikant te worden aangesteld. –
Hy is dus de eerste Hervormde Predikant te Ter Apel geweest, zyn opvolger was Henricus Meier, die er in dienst kwam in ’t jaar 1616.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of Duifsteen is er aan onze kerk niets. Het opschrift op onze torenklok luidt aldus:
Sancta Maria Magdalena
Novata Anno Domini MCCCCCLII
P.s. Ik twyfel niet of het opschrift op de torenklok van het Stadskanaal heeft met het onze eenige betrekking, om dat die klok voor eenige jaren uit deze toren, naar het Stadskanaal is heengevoerd.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Stroomen, Maren, Kolken of Diepen worden in onze Kerkelyke Gemeente niet gevonden, maar twee rivieren, de Aa, en het Molendiep, komende af van de Provincie Drenthe verdeelen zich achter de Hiemsche maten, aan de grenzen van Roswinkel, stroomen beide binnen Ter Apel, en vereenigen zich weder, by het zoogenaamde papenvonder in de Koekamp vyftig roeden van de watermolen, en dan de Aa verder langs Zellinge, Vlagtwedde en Wedde.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zyn er in ons dorp geene, maar ten tyde toen de Monniken hier in Ter Apel verkeerd hebben, zyn er twee grachten rondom Ter Apel geweest, daar zoo wel des zomers als des winters water in geweest is, zoo dat daar door de watermolen het gansche jaar heeft kunnen gaan, maar nu zyn die grachten op eenige plaatsen maar even zigtbaar meer, zoo dat die nu des zomers altoos droog zyn.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven, essen, heuvels of hoogten zyn hier geene, maar twee dyken waarvan de een afkomt van Roswinkel gemeente Emmen, en verdeeld zich in tweeën voor de Hiemsche maten, waarvan een langs de grenzen van Hannover tot aan de Zellingerdyk loopt, en de ander langs de grenzen van Roswinkel gemeente Emmen tot plm. 100 roeden van de Heereweg naar het veen of moeras in beide plm. 3 hoog en 7 ellen breed.

7. Welke bosschen zijn daar?

De bosschen die hier een naam dragen zyn, de ruigelage, Eikenhorst, Dennekamp en Tellingkamp, en buiten dien zyn er nog meer, maar die geen byzonder naam hebben.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1) Uit het Dierenryk:
Paarden, runderen, schapen, verkens, hazen, konynen, hoenders, eenden, patryzen, korhoenders.
2) Plantenryk, Rogge, gerst, boekweit, haver, boonen, koolzaad, aardappelen, knollen, wortelen en vele tuinvruchten en moesgroenten.
3) Delfstoffelyk ryk, Zand, turf en keenhout.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid van Ter Apel bepaalt zich voornamelyk tot de volgende drie hoofdbestanddeelen, als: eenderde Zand, een derde Veen en een derde dergachtige grond.
Het zand heeft byna alle eene gryze kleur en moet door goede bemesting worden vruchtbaar gemaakt.
Het Veen is hier ter diepte 1.5 Nederlandsche el. De meeste hooi en mandeelige weide gronden zyn hier dergachtig, donker bruin van kleur en kort onder dezelve treft men eene blaauwe kleur van leem aan en alwaar dezelve niet is, treft men keenhout en ook op vele plaatsen lange eiken boomen dwars over elkander heen liggende aan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier niet beoefend omdat de ingezetenen byna alle uit landbouwers bestaan.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken geene, maar de volgende handwerken, als Timmerlieden, Kleermaker, Kuiper en Molenaar.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier zeer gezond en matig droog. In het voor- en najaar is zy eenigzins vochtig, zoo dat dan veeltyds de lage landen onder water staan, echter komen de lage landen hier ook zelden voor de maand December onder water en staan ook niet laat onder water, om dat hier nog al voor eene goede afwatering gezorgd wordt; ook is het hier hoger dan de naburige gehuchten ter Haar, ter Wisch, Veldhuis en Lande, waar naar het water zynen afloop heeft.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Ééne kerk, ééne school, Lees- en Zanggezelschappen bestaan er niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Landbouw, Veeteelt, Byenteelt en handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is hier platduitsch, maar vermengd met verbasterde hoogduitsche woorden. Zy luid aldus:
Jan! - wat ist geluk dat wie in de heujeltied altied goed weer had hebt, hoe wolt wol gaan hebben as stoe altied zoo regent had as doe de rog in hokken stund?
Klaas! dou hat ’t mis west, of ’t wat veul op rog regent dat deut hem nig man hevi ast daar wat lank op regent, dat is vöt kapot.
Jan! - Hoe wilt wol mit de teurf gaan hoe krig men de in hoes.
Klaas! Ik bin bang daar krig men men niks van in hoes, de weg schal zoo lelk wodden, man schal geen pere boven hollen keunen.
Jan! - Hoe wist dan nog wel mit de boekweit gaan, de is nog zo veul wider hen?
Klaas! Dat weet ik haast nig, man ik ra dan moet men de pere veur en agter wat under doen, en de wagens goed bewinnen, dan kan met haast jagen waar men wil.
Jan! - dat heste goed bedacht Klaas, dat schal ik ook net zoo doen, mi dunkt dan kank op onze holle veen ook wol klaar wodden.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De ingezetenen van Ter Apel zyn vlytig en oppassend en leven zuinig en spaarzaam. De meeste dagelyksche spyzen die hier gebruikt worden, zyn voornamelyk by de meesten elfringe aardappelen, pannekoeken, stamboonen, gorte en roggenmeelbry. De roggenmeelbry wordt hier het geheele jaar door gegeten des morgens gewoonlyk tusschen 7 en 8 uur, en dan een portie opwarmende aardappelen er na.
Men gebruikt hier nog al zeer veel rund, schaap en verkensvleesch, en spek, maar weinig kalfvleesch, echter is het hier goed; die graag schraal rund- en schaapvleesch eet, want over het vette vleesch, behoeft niet iemand ligt te klagen. Vlytig zyn de ingezetenen hier ook byzonder, want het gaat hier ’s morgens zeer vroeg aan het werk, en ’s avonds zoo lang men zien kan.
Van vermaken en uitspanningen wordt hier zeer weinig gebruik van gemaakt, de oude byna niets anders dan naar deze of geene markt, alwaar zy zich dan ook regt vermaken; maar de meisjes vermaken zich des winters veel by het spinnewiel, dan bezoeken zy zich te zamen tot 8, 10 ja zelfs tot 12 toe, en dan om 7 uren komen de jongens in dat huis alwaar zy te zamen zyn, dan krygt ieder meisje een jongen tot aan negen uur of etenstyd toe. – Als het eten gedaan is, brengt ieder jongen zyn meisje naar huis. – De ouders van dat huis alwaar de meisjes te zamen zyn, zyn dan in een van de meisjes hare ouders huis op visite. Dat zyn de eenigste bezoeken die hier gebruikelyk zyn. By het trouwen en begrafenissen, zyn hier geene byzondere gebruiken plaats. Men leeft hier zeer vriendelyk en gemeenschappelyk met elkander, altoos plezierig en ordelyk in zamenkomsten of Gezelschappen. – Twist haat nyd en afgunst, heerscht hier byna nooit. Ook leeft men hier zeer Godsdienstig.
De openbare Godsdienst wordt hier byna nooit door iemand verzuimt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

-