Zoek op de website

Saaksum

Gemeente Oldehove

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Saaksum

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Men zegt dat Saaksum oudtyds den naam droeg van Saqum, een Latynsch woord, dat klip beteekent, en waarschynlyk afkomstig is van de hoogte of wierd, waarop Saaksum gebouwd is. Deze wierd was misschien eene klip in zee, toen de omliggende grond nog een gedeelte van den bodem der zee uitmaakte. Saqum is mogelyk eerst veranderd in Saequm, en naderhand in Saaksum.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk is voor zoo ver men weet, geen dufsteen of duifsteen.
Boven om de toren is een opschrift van twee regels, luidende:
“Anno . 1629 . bin . ick . ter . ehren . godes . doer . last . der . collatoren . tot . Saerum . doe . Johannes . petsenius . aldaer . pastor . was . gegoten . doer . meister . nicolaes . sicmans . in . gronnign.”
Beneden om de klok staat:
“de . tidt . geit . hen . her . dringet . de . doet . o . mensche . bedenke . der . Seelen . nodt . darum . doet . bote . bekert . u . tot . godt .”
Onder den toren, aan de linker des ingang, is op zerk gebeiteld:
“deze toren is ghemaket doer benil ordonnantÿe Coppen jarghes in tyden do heer berent Horem pastoer was. 1550.”

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Ten Noorden van Saaksum stroomt de Hunse of ’t Reitdiep langs, makende aldaar de scheiding uit, tusschen het Hunsingo en het Westerkartier. Ten Zuiden van Saaksum is een gedeelte van het in 1826 nieuw gegravene kanaal, dat van Oldehove komt, langs de dorpen Saaksum, Ezinge en Feerwerd loopt en dan in het Aduarder diep stroomt. Aan de westzyde van Saaksum is een diep, de Saaksumer Ryte genaamd. Deze Ryte liep, voor 1826, van Oldehove Noordoostelyk tot aan Saaksum; van hier gaat zy in het Noorden op, onder den Zeedyk, waarin eene zyl was, door en waterde eindelyk in het Reitdiep uit. In 1826 werd deze uitwatering belet door het doordyken van den kaaidyk aan het Reitdiep; terwyl genoemde zyl uit den dyk gehaald, en de Zylput gedempt werd.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Hier bevinden zich in het geheel geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De wierd waarop Saaksum gebouwd is, en de eenigste in deszelfs omvang is heeft eene hoogte van 5.26 N. El en eene uitgebreidheid van pl.min. 10 bunders. – Aan de Noordzyde van Saaksum is een gedeelte van den hoogen- of Zeedyk.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het plantenryk bestaan voornamelyk in: rogge, weit, gerst, haver, koolzaad, erwten, boonen, uitmuntende aardappelen, en onderscheidene boom- en tuinvruchten.
Uit het dierenryk in paarden, koeÿen, schapen en varkens.
Het delfstoffenryk levert hier geene byzonderheden op.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Men vindt op enkele plaatsen van dit Kerspel ter diepte van 5 plm. zware klei; vervolgens eene laag rodoorn en dan zand. Voor het overige vindt men hier ter diepte van 7 dm. gemengde klei, en dan zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Men oefent zich hier algemeen in de kennis van den landbouw en de veeteelt: ook zyn er onder de inwoners beoefenaars der zangkunst.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

De Handwerken welke hier gedreven worden zyn: het timmeren, steenmetselen, broodbakken, yzersmeden, kuipen, stelmaken en schoenmaken. Voorts heeft men hier één schipper, en onderscheidene winkeliers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is hier zeer veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is ééne kerk, ééne school en één Zanggezelschap, onder de zinspreuk: Tot nut en uitspanning. Tevens bevinden zich hier eenige leden van het Leesgezelschap opgerigt te Ezinge in 1814, tot zinspreuk voerende: Voor verstand en hart.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De eigenaars van boereplaatsen zoeken hun bestaan in den landbouw en de veeteelt, en de ambachtslieden in de uitoefening van de bovengenoemde handwerken; terwyl de meeste der overige inwoners hun onderhoud zoeken, door als daglooners by den boer te werken. –

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is hier Groningerlandsch; blykbaar in de volgende ontmoeting van twee boeren.
Pyt. - Dag Klaas! hou gait ‘t?
Klaas. Nog zond; hou gait joe?
P. - Nog al mooi zond; hou gait ’t hûs?
K. - Ook nog goud; bi joe ook?
P. - Ze bin bi ons ook nog vlug. – Heb ie joen hooi al ’t hûs Klaas!
K. - Ja, op drei Luttje opperkes na.
Heb ie ’t ook al ’t hûs?
P. - Ik heb guster mien leste binnen deur kregen. Wi meugen hier wel van geluk spreken, Klaas! want na ’t schrieven van de krant, stait ’t er op veul plaatsen binauwd bi. Daar bin boeren, dy nyt allyn gyn hooi ien hûs kregen hebben, maar dy ook al heur gruinland onder water zit; zoo dat ze de bysten bi ’n ander ien de waide loopen hebben.
Klaas. En ze mouten tot an de kneiën tou ien ’t water staan te zichten, en ’t zaad dan zoo ût ’t water opvisken, en mit veir peerden veur de wagen na hûs bringen.
P. - Ja, ’t is zeldzaam! ’t mag mi nyt dinken dat ’t ooit zoo west is.
K. - Mi ook nyt, Pyt! wi willen hopen, dat ’t gauw wat vrandren mag. – Dag Put! groutnis ’t hús.
P. - Dank Klaas! ook zoo.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners zyn hier arbeidzaam, zuinig, eerlyk en gezellig. Degenen, welke tot den boerenstand behooren, verlaten des morgens tusschen 3 en 4 uren het bed, en begeven zich dan al spoedig aan den arbeid, het zy op het land, het zy in de schuur. Zy werken dan tot 8 uren, wanneer hun, door het luiden van de torenklok een teeken wordt gegeven tot het ontbyt, dat gewoonlyk bestaat uit een boterham van roggenbrood met karnemelkspap, of zoogenaamde soepenbry.
Vervolgens werken zy van 9 – 12 uren, wanneer hun weder op gezegde wys een teeken wordt gegeven tot het middag-eten, dat bestaat in de voortbrengselen van hun land of hunnen tuin, als: aardappelen, erwten, boonen, koolrapen, wortels, kool enz. vergezeld met een stuk vleesch of spek, en gevolgd van genoemden bry. Tusschen 1 en 2 uren ’s namiddags, drinken zy thee, en werken dan in den zomer, van 2 tot 6 uren; doch in den winter zoo lang, als het daglicht hen dient: gedurende het Zomer halfjaar, van de dag- tot de nachtevening, wordt hun ’s avonds te 6 uren op meergemelde wys een teeeken tot het avond eten gegeven. Zy worden dan veeltyds onthaald op opgewarmd eten, ’s middags van den vorigen dag overgebleven zynde, weder gevolgd van soepenbry; in den winter wordt de avonddisch genoten, kort na het eindigen van den arbeid; terwyl zy zich des avonds tusschen 8 en 9 uren ter rust begeven.
De handwerkslieden of zoogenaamde burgers des dorps, wyken in eenige opzigten van genoemde regelen af.
Hoewel hier geene openlyke vermaken plaats hebben, zoo zoekt men echter uitspanning in het bezoeken van deze of geene jaarmarkt, en in onderlinge vriendschappelyke byeenkomsten. Deze geschieden hier veeltyds des avonds na den eten, en wel meest op Zondag. Onder het rooken van eene pyp tabak, en het genot van een glas sterken drank, een kopje chocolade en koffy, spreekt men met elkander over zyn bedryf, over gehoord of gelezen byzonder of algemeen nieuws, enz. men scheidt omstreeks middernacht van elkander.
By het trouwen hebben hier geene byzondere plegtigheden plaats. – By de begrafenisplegtigheid worden de bloedverwanten, vrienden en bekenden des overledenen, de kerkeraad en de onderwyzer uitgenoodigd, om den gestorvene de laatste eer aan te doen; mannen en vrouwen /eenige der laatsten gedekt met een zwart kleed/ volgen het lyk naar het graf, en na afloop der plegtigheid begeeft de stoet zich naar het sterfhuis en doet den maaltyd met wittebrood en bier.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men zegt, dat in vroegeren tyd, aan de Westzyde van de kerk op de hoogste verhevenheid der wierd, een Burgt gestaan heeft, die den naam droeg van Alma-Burgt, en toebehoorde aan Koppen Jarges.
Men wil, dat de naam van dezen Burgt is bewaard gebleven in eene Boereplaats, die by de kerk staat, en Alma-heerd heet.

Aanmerking van den Heer N Westendorp
“Eiso Jarges woonde althans op Heeralma te
Saaksum. Deze veronderstelde overbrenging
van namen is niet waarschynlyk.”

(get) A Rosingh onderw. te Saaksum.