Zoek op de website

Scharmer

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Scharmer.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De naamsoorsprong komt wel ligtelyk van het woord schar, by de oude vriezen zoo veel als grasland; en men houdt dit woord afkomstig van scheren, afscheren, afmaa��en (*). Men zegt ook meenteschaar, meeneschaar van eene mandeelige ongescheiden weide, enz.
Hier liggen geene gehuchten of buurtschappen.
(*) P. Wierdzema Oude Vriesche wetten. bladz. 304 en E. Wassenbergh taalkundige bydragen tot den Vrieschen tongval. I. 85.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De kerk, hier omtrent het midden der dertiende eeuw, is in het jaar 1823 afgebroken. Dufsteen is er niet aangeweest.
Scharmer is in het jaar 1883 met het naburig Harkstede gecombineerd, te voren was het een afzonderlyk kerkdorp.
Op onze torenklok, die thans niet hangt, noch mede geluidt wordt, is geen opschrift.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De rivier de Ee; loopende van het zuiden naar het noorden in de Woltersummer-verder in de Poster Ee, en komt by Ten Post in de Fivel of het Damsterdiep, dat zyn uitwatering heeft, te Delfzyl, in de Eems.
Daar Scharmer- en Woltersummer Ee, aan- of in elkander komen, loopt het Slochterdiep, dat ook in het Damsterdiep komt, daar dwars doorheen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen byzonder te melden geene; doch boschryk is het hier algemeen, zoo als men doorgaans in de woudstreken aantreft.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het dierenryk: paarden, runders, schapen, varkens enz.
Uit het groeyendryk: rogge, haver, boekweit, tuinvruchten, gras, riet etc.
Uit het delfstoffenryk: turf of bagger.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is laagveen, veel al vergraven, moerassig en watergaten.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Hooge of byzondere niet behoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Geene Fabryken of Trafyken. Timmeren. Klêeren- en Schoenenmaken etc. gedreven.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid hier doorgaans gematigd en tamelyk gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

De kerk is, zoo als op vraag 3 geantwoord, afgebroken.
Eéne school, in 1825 nieuws getimmerd als ook het schoolhuis of Kostery. Geene leer- en zanggezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Misschien eenige door Land- en veegebruik, sommige door iets te verveenen, vele door arbeiden of dagloonen, enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Nederduitsch. Wyl sommige inwoners zyn uit onderscheiden landschappen etc: zoo is de spraak verschillend.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Werkzaam, minzaam enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

De burgten zyn voornamlyk Rozenburg, Tilburg en Overveen, by den welken ook bosschen aanwezig zyn, enz.

(get) H.L. Hulshof,
Schoolonderwyzer.