Zoek op de website

Scheemda

Gemeente Scheemda

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Scheemda, liggende in de Provincie Groningen, Arrondissement Winschoten, Gemeente Scheemda; zynde een vry groot, welvarend en aanzienlyk dorp, met meer of min 966 inwoners, waaronder 921 Gereformeerden, 15 Doopsgezinden, 10 Luterschen, 13 Roomschen en 7 Joden.
Dit dorp ligt ten Oosten, en onmiddelyk aan de Eexta, grootendeels door het Winschoterdiep, dat tusschen beide doorloopt, van elkander gescheiden: te zamen een groot vlek uitmakende, en nagenoeg 5½ uur van Groningen liggende.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Gehuchten zyn hier niet, maar wel buurtschappen, nl. Scheemderzwaag en Scheermdermeer. Het voornaamste gedeelte van de eerstgenoemde buurtschap, welke uit 7 boerenplaatsen, 5 arbeiderswoningen en 2 groote watermolens, welke tot droogmaling der landen van de Eexta en de Meeden dienen, bestaat, en voor de helft onder genoemde Eexta behoort, is byna ½ uur ten noorden en noordwesten van de kerk verwyderd. De tweede buurtschap behoort voor het grootste gedeelte onder Midwolde. Dat gedeelte hetwelk onder Scheemda gelegen is, bevat 3 kleine boerderyen en één arbeiderswoning, en is, in eene ZuidOostelyke rigting ongeveer ½ uur gaans van de kerk alhier verwyderd.
De naamsoorsprong van de Scheemda is onzeker; mogelyk is hy herkomstig van schemering door dien Scheemda wegens het boschryke buiten haar, als het ware in de schemering lag. – De beide buurtschappen hebben hare namen ontleend van Scheemda; de eerste met achtervoeging van Zwaag, dat mogelyk eene buitenstreek aanduidt, en de tweede met meer, doordien er oudtyds in dien omtrek een waterplas bestaan heeft, die wegens de slechte waterlossing, van de toen aldaar gelegen hebbende hooge venen gevormd was, en meer genoemd werd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen is er niet aan de kerk alhier; doch wel opschriften op de torenklokken. Op het kleine boven in den toren hangend klokje, dat alleen dient om de uren destyds aan te kondigen, in dit opschrift gesteld:
In aeternum A° 1571 verbun domini manet.”
en op de groote luidklok:
A° MDCXXV Als Henricus A. Freden Pastor, Wypcko Hitjens end Epcko Haijens Kervoogden waren in den Schemt. Klaes Sickmans me Fecit.”

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, stroomen, maren en kolken treft men in deze Gemeente niet aan, maar wel diepen, en wel vooreerst het hoofd- of Snikdiep van Groningen naar Winschoten, het Winschoterdiep genaamd, dat alhier, in eene Oostelyke en Zuidoostelyke rigting, grootendeels tusschen deze kerkelyke Gemeente en de Eexta doorloopt, en te Winschoten den naam van Rensel ontvangt. Ten tweede het Zyldiep of Termunterdiep, dat in het westelyk gedeelte van de Scheemda deszelfs aanvang neemt, en het water, by het begin, door eene sluis of vallaat van dat van het Winschoterdiep afgescheiden is. Dit diep, dat eerst, tot op den afstand van byna ¼ uurs van deze plaats, in eene Westelyke rigting, en aldaar bykans een regthoek vormende, vervolgens noordelyk naby Nieuw-Scheemda en door Nieuwolde stroomende,eindelyk oostelyker loopende, door de Termunterzyl in de Eems vloeit, dient voornamelyk tot een afwateringskanaal voor de Oldambster landen. Eindelyk ten derde vindt men hier het zoogenaamde Koediep, dat in Oostwold ontstaat, en, in eene Zuidwestelyke rigting, op eenen kleinen afstand van en bylangs Midwolde loopt, en aan de Noordwestzyde van de Scheemda op den afstand van 5 minuten van dezelve, in het genoemde Zyldiep stort. Dit diep dient hoofdzakelyk tot afwatering der landen van Oostwold, Midwolde en een gedeelte van de Scheemda.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geheel geene; en volgens getuigenis der oudste en kundigste inwoners alhier hebben er nimmer meeren bestaan.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hoe wel het behuisde gedeelte van de Scheemda een weinig hooger is, dan het land rondom dezelve; zoo treft men hier toch van dat alles niets aan.

7. Welke bosschen zijn daar?

Er zyn alhier geene bossschen aanwezig.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a.) Uit het Dierenryk: paarden, Koeijen, Schapen en varkens; doch in eene mindere mate, dan wel in andere oorden dezer provincie, daar de landbouw hier den voornaamsten tak des bestaans van den landman uitmaakt. Voorts wordt hier nog al vry veel wild, als hazen en patryzen gevangen; ook nog al wilde eendvogels; doch minder ganzen, en nog minder korhoenders en watersnippen. – Zeldzaam ontmoet men hier Otters en Vossen; doch meer bunsings en wezeltjes. Riviervisch houdt zich hier nog al in eene genoegzame hoeveelheid op, als snoek, baars, enz.
b.) Uit het Plantenryk zyn de voortbrengselen voornamelyk: tarwe, rogge, kool- en aweelzaad, erwten, boonen, haver en een weinig boekweit; voorts aardappels, kool, wortels, knollen, vlas en allerlei boom- en tuinvruchten.
c.) Het delfstoffelyk ryk levert hier niets op dan turf en zand van geringe beteekenis; wordende in dit dorp geheel geen turf en zand ter verkoop afgegraven.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten noorden van de Scheemda harde klei, ten Noordoosten, bylangs het Koediep, laag uitgeveend groen land, dat zand en van boven iets veenachtig is, het behuisde gedeelte vruchtbaar zand, waaronder potklei huisvest, welke op sommige plaatsen zeer dik en diep voorhanden is, het welk voor eenige jaren gebleken is by het graven en boren van eenen put, alwaar deze stof min of meer 14 Ned: ellen diep aanwezig was; en – eindelyk ten Oosten en Zuiden tevens vruchtbaar zand, hier en daar eenigzins veenachtig.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier in het byzonder niet beoefend; doch indien de bedoeling met de opgaaf dezer vraag mogte zyn, die gene op te noemen, die in dezelve werkzaam zyn ter uitoefening van hun beroep, dan komen hier voor onder de nuttige Kunsten: 2 Horologie- en klokmakers, wiens werk het meest in het herstellen van horologien en klokken bestaat; en onder de Wetenschappen: 1 Kantons Notaris, de Leeraar van den Hervormden Godsdienst en thans 3 geneesheren.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier: 12 groote en eenige kleine Boerderyen, 1 Steenbakkery, 1 Houtstek, 1 Olyslager of Olymolen, 1 Roggemolen, eenige Laken en Bontwinkels, verscheidene Kooplieden in Kruideniers waren en sterke dranken, waaronder 2 of 3 uitzetters, 1 Goud- en Zilversmit, 6 Brood- en Wittebroodbakkers, 1 Potaschmakery, 1 Blaauwverwery, 1 Kalkbrandery, 1 Gruttery, 2 Weveryen, 1 Stelmakery, 2 Kuiperyen, 2 Yzersmederyen, 2 Verwers en Glazemakers, 1 Koperslagery, verscheidene timmerlieden die tevens Metselaars zyn, verscheidene Schoen- en laarzemakers, vele Kleermakers, Wollen- en Linnennaaisters, 1 Kaarsemakery, 1 Slagtery, verscheidene Herbergiers, waaronder twee die tevens Logementhouders zyn, 1 Stalhouder, 2 à 3 voerlieden, 2 Hoveniers, 2 Barbiers en vele Boerenarbeiders.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Wegens de goede ligging en den zandachtigen grond, is het luchtsgestel hier gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk en wel de Gereformeerde, welke voorzien is van een goed orgel, ééne lagere school van den hoogsten rang, twee Leesgezelschappen en één meerstemmig zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Een ieder van het bedryf, dat hy uitoefent, in antwoord 11 nader genoemd.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hoofdzakelyk zoo als dezelve in deze Provincie gesproken wordt: Hier onder volgt eene zamenspraak tot eene proeve, waarin eenige woorden voorkomen, als ragchen (schelden), mesten (messen), proten (praten) en grommelen (donderen), welke byzonder in de platte Oldambster taal gebezigd worden.

Joaap.
Dag Pyter! woāār bin ie guster hen west?

Pyter.
Ik bin noā Grunnegen west, doāār ’k ein roāre grap zyn heb. Ik luip stynen stroāāt deur, bi ’t Zuderdeip lans en dat nōā Droā, bi de visbanken; en dou ’k doāār kwam, kon ’k mien lief niet inhollen van lagchen.

Joaap
(*) Jöng! wat was dat?
(*) zacht korte ö.

Pyter.
D’oetmiender van de Vis, had ’t mit ein viswief in stek; ’k heb nooit zök ragchen (schelden) heurd, as dat wief dee, ze was glende; ’k was bang dat ze höm mit ein schelvis veur kop smeet.

Joaap.
Nou, dat was gyn gekhaid, mit di vraulu is slim doun hebben; - moāār zeg mi rais, wasser anders ook wat neis in Stad?

Pyter.
Joā, moāār niet veul deegs. Der wör ein kerel geisseld, dy ein stok of wat mesten stolen had.

Joaap.
Zoo, heije ’t ook syn?

Pyter.
Joā, de kerel schryfde alderiesselikst, en zien rug was zoo rood as bloud.

Joaap.
Dy stumper van Kerel! mien hard krimpt mi in ’t lief, dak ’t dat heur; ’k wol om’ kwyt nyt wat, dat dat giesselen doāān wör.

Pyter.
Nou, dy tied zel wel gau komen; – en ’t is bedruifd dat de mensen de hannen nyt ’t hoes hollen kennen!

Joaap.
Dat is ’t ook Pyter! moāār doāār niet meer van geproot, ’t wordt tied noā hoes; zy je ’t wel dat de löcht dik wordt?

Pyter.
Zoo woāār, ’k leuf wi kriegen damme grömmel: In Stad het ’t van doāāg ook grömmeld en ein dikke schoer regend; zy mien böksen en hosen moāār rais, ’t sit al vol klai!

Joaap.
Nou, ’t was van doāāg ook iesselik warm, ’t swyt brak mi an alle kanten oet. Gouden nacht, Pyter!

Pyter.
Ook zoo; groutenis ’t hoes!

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De levenswyze van de inwoners alhier is, vry algemeen, ingetogen, eenvoudig en huiselyk. De tyd van opstaan is, by den Land- en arbeidsman, overeenkomstig het jaargetyde, zeer vroeg; by de handwerkslieden vroeg, en by den burger- en aanzienlyken stand geheel niet laat; zoodat nyverheid in beroep, hier zeer heerschende is. De tydstippen van ontbyten, middag- en avond eten is, met eenige uitzondering voor van den aanzienelyken stand, wat het middag en avondmalen betreft, des morgens te 8, des middags te 12 en des avonds te 6 uur. Aan vermaken en uitspanningen wordt hier, in vergelyking met andere plaatsen, weinig deelgenomen. De wyze van elkander te bezoeken is meest des avonds te 8 uur en, overeenkomstig den stand, eenvoudig en min kostbaar; en de trouw- en begravenisplegtigheden zyn wegens den minder gunstigen tyd voor den landman, zeer vereenvoudigd, en overeenkomstig den stand, gegoedheid en hoegrootheid der familien, min of meer uitvoerig en kostbaar, enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

De oude geschiedenisboeken leveren weinig byzonderheden van de Scheemda op; ook kon ik by overlevering weinig van belang opdoen. Het volgende meen ik van eenig belang te zyn en te moeten aanstippen, zonder daarvan nadere byzonderheden te weten. Ten Oosten en op den afstand van 10 minuten van de kerk, in de zoogenaamde Oostert, heeft een Burgt of Borg gestaan, waarop in het laatst een landschryver met name Mennema zou gewoond hebben; althans een gedeelte lands aldaar, van de Scheemda en Nieuw Scheemda, wordt nog heden de schryversheert genoemd. – In 1792 zyn by gelegenheid van eenige vertimmering in de kerk alhier, geraamten van twee menschen, in de muur ten westen, gevonden, welke aldaar ingemetseld waren geweest; en eindelyk dat er ten noorden en byna ¼ uurs van de kerk, een’ Zyl of Sluis gelegen heeft, welke mogelyk tot afwatering in den Dollard gediend heeft.

Verzonden aan den Heer Schoolopziener
van het 5e district in de Provincie
Groningen, den October 1828.
(getd) E.H. Ebens.