Zoek op de website

Sellingen

Gemeente Vlagtwedde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Zellinge.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De gehuchten zyn ter Borg, Lande, ter Walslage, Veldhuis, ter Wisch en ter Haar; liggende in eene Z.W. strekking van Zellinge. Deze gehuchten van ¼ uur gaans tot 1½ uur van Zellinge van de naamoorsprong weet ik niets.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Men vindt aan deze kerk geene byzondere steenen. – Op de torenklok vindt men de volgende opschriften: A.M. Pastoor, Boelman ter Haar, Jan ter Walslage Kerkvoogden tot Zellingen, hebbende tot dienst van ’t Karspel my doen gieten 1679.
Jan Willem Pastor Geert Pollinck en Jan Walster Kerkvoogden 1751.
In het jaar 1811 toen H.G. Leemhuis Predikant J.D. Meendering en Wubbe Walslage Kerkvoogden waren, zyn de ooren aan deze klok vernieuwd door P.J. Kruiper.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Rivier de Aa komende van het klooster ter Apel; loopende bylangs ter Haar, ter Wisch, Veldhuis, Lande, ter Borg en Zellinge, doch verdeeld zich weder in tweeën by de zoogenoemde Rysdam, waarvan een naar Vlagtwedde en Wedde loopt en de andere naar de Boertange.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

1) Het Zellingen meer: liggende tusschen de Boertange en Zellingen.
2) De zoogenaamde Zeven meers; liggende ten Westen tusschen Zellingen en de Zellinger Beetze. Dit meer kan met alle regt deze naam verdedigen, om dat er zeven in getal zyn; doch zy zyn klein.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hasseberg. Deze hoogte ligt pl.m. 300 roeden van Zellinge, behoorende half aan Munsterland en half aan de Ingezetenen van Zellinge. De scheiding van Munsterland en Westerwolde loopt hier ongeveer midden over, en men rekent, dat dezelve min of meer vyf bunders groot is. Deze zandige hoogte ligt vlak in het Veen. Een dyk door het Veen opgeworpen ter lengte van 3½ uur komende van Ter Apel en loopende ten oosten langs Zellinge tot aan de Boertange: de hoogte hiervan in moeijelyk te bepalen, op sommige plaatsen is dezelve omtrent met het land gelyk en op andere plaatsen nog wel 1½ el hoog.

7. Welke bosschen zijn daar?

Het Bosch van ter Borg en ter Wisch. Verder is hier veel hout gewas, bestaande altemaal in eiken boomen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1) Paarden, Runderen, Schapen, varkens, hazen, Hoenders, Eenden en Patryzen.
2) Rogge, gerst, boekweit, Haver, boonen, Koolzaad, aardappelen, knollen, wortels en vele tuinvruchten, moes-Groenten.
3) Zand, turf en Zooden. Dit laatste wordt het meest gebruikt in de gehuchten Lande, ter Wisch en Veldhuis. Keenhout moet men hier niet vergeten; want des winters legt men hier van dit hout in het vuur, het welk zoo veel licht geeft, dat men er van zien kan te spinnen en te breiden; doch de rook daarvan is zeer nadeelig voor de oogen. Hoe menigeen ziet men hier by den winter in een hoekje van het huis zitten, die zyn gezigt moet bedekken, en dat alleenlyk door de sterke rook van het keen hout.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond bestaat hier uit Zand, Veen, leem en oergrond of rooddoorn. Het leem is hier verschillend, by Zellinge vidt men rood doode leem genaamd en tusschen het Veldhuis en ter Wisch zwart: dit laatste houdt men voor het beste. Ten westen van Zellinge vindt men op sommige plaatsen onder het Veen eerst zand met kleine steentjes vermengd en een weinigje blaaúw leem.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

De inwoners bestaan hier meest alle in landbouwers, zoodoende worden de Kunsten en Wetenschappen niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken geene. De Handwerken bestaan in: Timmerlieden, Kleermakers, Schoenmakers, Wevers en een Molenaar.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier zeer gezond en matig droog. In het voor- en najaar is zy eenigzins vochtig, zoo dat dan veeltyds de lage landen onder water staan; doch het water komt er zelden voor de maand December op, en gaat er vroeg weder af, omdat het hier hooger is dan het naburig Vlagtwedde en Wedde, alwaar het water zynen afloop heeft. Ook om dat er een gedeelte naar de Boertange loopt.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een kerk en eene school. Een zanggezelschap des winters tweemaal in de week.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn Landbouw, Veelteelt, Byenteelt en handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is hier plat duitsch, echter vermengd met verbasterde hoogduitsche woorden als:
Jan: Wyste wel wat oe Geert deit?
Nes: Ne! Hoe scholk dat wyten, ‘k wyt nig waneer dat ‘k hum wol zein heb.
Jan: Hi steit daar bi de deur.
Nes: Wat deite daar dan?
Jan: Och! Hi het in de sloot zeten, on noe duurte nig in hoes, omdat oe vader bi ’t vuur is, die zut dat, dan krigge wat oppen balg.
Nes: Noe dan moeste ’t ook nig zeggen: want de eine bruir mag nig van de ander klasppen.
Guster het oe vader na de schape mining (boeldag) west, on het er twy dikke weers mient veur 6 gl en 5 St. Oe Klaas het guster na ’t veen west, on wol daar houwen (veen hakken) man hi kwamp gauw weer. Hi zee het hol nog wol acht dagen an eer de vorst er oet was. Doe most hum ies zein hebben, hi had de hou net zoo krom houwen as en vlitzeboog.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De ingezetenen zyn hier zeer werk- en spaarzaam. Men leeft zeer zuinig en behelpt zich meest met Engelsche Aardappelen, stamboonen, roggenmelenbry en gortemelk bry. De gortemelkbry wordt des zondags middags gegeten, om alzoo het spek en vleesch te besparen; doordien men des Zondags niet behoeft te werken. Men gebruikt hier weinig kalfvleesch, maar onder den boerenstand veel rund, schaap en varkensvleesch en spek. – Men leeft hier over het algemeen nog al Godsdienstig zoo dat men niet veel den openbaren Godsdienst zoo dat men niet veel den openbaren Godsdienst verzuimd: echter zyn de ingezetenen niet vry van eenigzins valsch, zoo dat zy anders spreken dan zy het meenen. Over het algemeen leeft men hier zeer ingetogen; doch in openbare Gezelschappen is men vry woest en wild, zoo dat een ordentelyk mensch zich dadelyk uit hun gezelschap verwyderd.
Men vindt hier niet veel dronkaards, of men moet het vergeeft kunnen krygen, die dan het meeste drinken kan is de baas. In herbergen te gaan daartoe is men veel te zuinig.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.