Zoek op de website

Stedum

Gemeente Stedum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Stedum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. De Weer, Crangeweer, de Vennen en Luttjewytwert.
b. De Weer een kwartier uur en de anderen iets verder van de kerk. Zynde de Weer ten noordwesten, de Vennen ten Oosten, het Luttjewytwert ten Zuiden en Crangeweer ten Westen van de kerk gelegen.
c. Stedum, werd ook wel Stederhem of heim genoemd, komende van heem en stede, of plaats, want de naam is thans nog in ’t gebruik, want men zegt, heemen waarop de boerenplaatsen staan. In 1300 en in 1471 schreef of spelde men stem, volgens opschriften.
De Weer zal zeker den naam gekregen hebben van de Wier, waarop, en by, het gelegen is, de naam Wier, is zeker in Weer veranderd.
Crangeweer, dúnkt my komt van kring of ring wier, want in Crangeweer vindt men vele wierden van eene ronde gedaante, loopende in eene kleine kromme rigting. Vennen, misschien van hoogland en goede grond, en vruchtbaren aard, want hier ligt het beste land van Stedum.
Luttjewytwert, is een uur Oost van Westerwytwert gelegen en beide op hooge wierden, zal mogelyk de naam Luttjewytwert gekregen hebben, om zyne ligging van het grootere Wytwert of Westerwytwert. –

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen? – Buiten aan de kerk heb ik geene ontdekt, maar by ene reparatie voor jaren opgemerkt, dat de muren gegoten en met steengruis, waaronder dufsteen was, gevuld waren.
Aan den Toren heb ik eenigen gemeten, breed 9½ en lang 35 ned. duimen. – Het schynt wel, dat er vroeger een gebouw van dufsteen aanwezig is geweest, behalve in opgemelde muren, ontdekt men van tyd tot tyd in, of by delven van graven op het kerkhof, stukken dufsteen met kalk bevlekt.
Opschriften op de klokken. In het jaar 1910 is eene klok hergoten, had tot opschrift: 1382.
Te : Eolo : Virgo : Pia Posto :
Locor Urgo Maria.
Eene andere heeft geen opschrift, sieraad of merk, is volgens getuigenis van den klokkengieter A. van Bergen, in Italië gegoten, kort na de uitvinding.
Een dito heeft het volgende met onduidelyke letters tot opschrift:

Dit teekens taat aan beide zyden op de klok, heeft de lengte van 2 voeten.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

a. Het Stedeumer Maar, loopt zuid oost noord west, valt in het Westerwytwerder maar.
b. Het Hilmaar, loop van den Delleweg Zuidwaarts in het laatst voorgaande maar.
c. Het maar Vliet de scheiding tusschen Hunsingo en Fivelingo, loopt uit in het Westerwytwerder maar.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren? Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Onder Stedum zyn 8 Wierden, de eerste, waarop de kerk en een gedeelte van het dorp staat, hoog 3 el 2 palm (volgens de meting van het verleden jaar).
De tweede Oost van de eerste, waarop het overige van het dorp staat, hoog 3 el 7 palm 5 duimen, deze beide wierden zyn ieder pm. 3 Bunders groot.
De Derde, Oost aan de voorgaande gelegen, hoog 3 el 4 palm 8 duim, groot 2 Bunders.
De Vierde, de Westelykste wierde in Crangeweer, niet ver van het Maar vliet, hoog 2 el 8 palm 8 duim, groot 3 Bunders.
De vyfde de meer Oostelyke hoog 3 El 1 palm voor eenige jaren, is van deze Wierde ruim een Ned: El afgenomen; groot 5 Bunders.
De zesde, nog Oostelyker gelegen, hoog 2 El 3 palm groot 2 Bunders.
De Zevende wier gelegen in Luttjewytwerd, Oost van laatstgemelde, hoog 3 el 9 palm 5 duim, groot 3 Bunders.
Voorts nog eene Wierde door my in het verloopen jaar niet opgemerkt, gelegen in de Weer, hoog boven het gewoon maaiveld 1 el 6 palm 4 duimen, groot 2 Bunders, heeft eene rondachtige gedaante ligt aan, en op de Delleweg zuidzyde. Noord aan deze Wierde en de Delleweg, vindt men diep in een Sloot, zware posten, zekerlyk gediend om de weg voor verzakken te beveiligen; want men denkt hier algemeen, dat de delt, aan de Noordzyde, al kronkelende by, en door de Delleweg oostwaarts naar het oude Slot de Muda, en West naar de zyde van Middelstum, en zoo verder naar de Schaphalster zyl gelopen heeft. De sporen harer loop zyn zeer zigtbaar. Eenige landen ruim 1000 treden Westwaarts dezer wier gelegen noemt men Uterdyken.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen? Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Delfstoffelyk ryk niets.
Plantenryk: Tarwe, Rogge, Raapzaad, Garst, Haver, Boonen, Aardappelen, Wortels; Appels, Peeren, Pruimen enz.
Dierenryk: Melk, Boter, Kaas, vleesch, spek huiden, wol enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Aan de Oostzyde vette klei met eenig zand gemengd, aan de Zuidzyde klei, Noord idem, Westzyde eerst klei en dan met rood oer gemengd: de diepte is my niet regt bekend.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Een pel- en Rogmalery, Kalkbrandery, Yzersmid, Wagenmaker, drie Bakkers, Kuiper, ververs en Zarkhouwers, Timmerlieden, drie Leerlooijers en Schoenmakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Afwisselend maar gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een kerk, een school, een Leesgezelschap en sedert 1816 een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Den Landbouw, veeteelt, eenige Handwerken en Scheepvaart.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Zy zeggen b.v. Goejen meurgen meten kander, Hoe gait het, binje zond?
En hoe gait ’t hoes? Het werd van daag drok, het is ysselyk mooi weer. Ik wol anders naat mart, maar ik mot hooijen. Zolt weer wel lank staan? Mi dunkt van Ja, der Barmeter is niks zakt disse nagt.
Baas is my goed klaar, ‘k moet tegen brytyd t hoes wezen, ’t is nu in de waars, en din ist er wat te doen, en by ons dog veural met de groote huusholling, want de Jongens moeten nog na ’t loeg na schoel en die binnen al te maal ook nog niet klaar, het binnen pluishouwers, de eine het gatten in hozen, enlie vlekken in boksen, ja zoo voel as ein swien enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zy zyn matig,werk en spaarzaam, veelal gehecht aan voorouderlyke gewoonten en over ’t geheel wordt den openbaren Godsdienst wel bygewoond en van het schoolonderwys wordt een tamelyk goed gebruik gemaakt. De Land- en handwerksman staan des voorjaars zomers om 4 uur en des Herfst en Winters om 5 uur op, ontbyt des zomers om 7 uur en des winters om 8 uur.
Des middags eet hy het geheele jaar om 12 uur, des zomers avonds om 6 en des winters om 5 uur. Het werkvolk gaat om 9 uur des zomers, en des winters om 8 uur ter ruste.
Boeldagen, Stad en Landkermissen, Harddraveryen worden vlytig bezocht. Het bezoeken geschiedt veelal in den winter; en zomers tusschen het hooijen en zichten.
De tafel meest één gerecht, maar rykelyk van vleesch en spek voorzien.
By het trouwen en begraven is hier niet byzonders, Bruiloften en begravenismaaltyden zyn in eenige jaren zeer vermindert. Aanzienlyken geven nog Bruiloften en begravenismaaltyden, daar wordt dan van alle het noodige meer dan overvloedig opgedischt; en kerkelyke inzegeningen hebben hier zeer zeldzaam plaats.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Het oude Huis Nittersum, is in 1579 door de Rennenbergs bezetting uit Groningen vernield; misschien om dat op ’t huis de Hervormde Leer wel eens in stilte gepredikt was. Hierna 90 jaren omver gelegen, is in 1669 door den Heer Clant opgebouwd en nu in 1819 geheel gesleten.
Eene Boerenplaats het groote, en een kleinere het Luttjewoel genoemd, zyn hier aanwezig, misschien heeft op het eerste een slot gestaan van Fokko Scholtede, zynde een Schieringer, is gesloopt in 1415 door de Benden van den Oostvrieschen Graaf Keno.
In de weer, heeft mede een Slot gestaan Burgwal genaamd; de laatste Heer Johan Ruffelaar afgevaardigde dezer Provincie op de Dortsche Synode ligt in deze kerk begraven 1620.
In de Weer ligt een smalle lange streep lands de Gildekamp geheeten; men zegt, dat de gilden van het voormalige groote aanzienlyke WesterEmden, aldaar jaarlyks hunne gilde vergaderingen gehouden hebben.
By den Heer van Halsema te Stedum, berust een Brevet van Paus Alexander de 4de, om op nieuws de kerk van Stedum aan den Abt en Convent van Aduard op te dragen, geteekend den 7 Juny 1257.
In de kerk ligt een grafzerk op het graf van Andolof Nittersum hofflink te Stem 1471.
Onder Stedum is eene Laan de drie Borger Laan genaamd, loopende van den delleweg naar het Stedumer maar. Op deze laan zegt men, dat een glenne wagen rydt en twee juffers in ’t witte gekleed wandelen en somtyds dansen. Kort ten noorden deze Laan, ligt eene hoogte Bargenheem genaamd, is sedert vele jaren wel 2½ ned: el verlengt en thans nog 1½ el boven het maaiveld, hierop heeft een groot slot gestaan, hebben in de lengte plm. 12 en in de breedte 14 oude roeden gehad, de fundamenten zyn nog aanwezig. Verscheiden wagenvrachten oude steenen, zyn voor eenige jaren hiervan vervoerd, waaronder veel dufsteen en oude pannen met nokken van wel drie oude duimen lengte, zoo als op sommige oude kerken (bv. te Uitwierda zyn). Ook is er gevonden in een vergane kist een groot geraamte, waarby een lange puntige degen gelegen was, wel 5 voet lang, voorts een dikke kanonkogel wel 14 libra (pond) zwaar, verscheiden looden ronde snaphaan en kruiskogels, vierkantige stukken yzer van wel 3 duim.
In de omloopende oude gracht, zyn ook vele hoofden en menschen beenderen gevonden; zynde deze hoogte groot 1 Bunder en rondom van lage landen omgeven.
Op de Wier van Luttjewytwert treft men ook sporen aan van een oud Slot of Kapel (mede naby aan de 3 borgerlaan gelegen).
In 1826 is mede op Luttjewytwert een put gegraven en op de diepte van 21 voeten in witachtige klei stukken van potten en vischgraten gevonden.
Voort achter de Stedumer Nieuwe til (ik weet niet regt of het onder Stedum of St Anne behoort) ligt een oud toegewassen meer groot plm. 4 bunders, oude lieden dragen heugenis, dat in hunne kindsche dagen ’t geheel vol riet en andere waterplanten stond en eene herbergzame plaats voor watervogelen was enz.
Eene proef van bygeloof. Eens met een landman in eenen helderen nacht rydende, zag hy heel opmwerkzaam en veel beteekend naar den sterrenhemel, en na eenig stilzwygen zeide hy: “Het is toch wel wonderlyk, dat al die sterren, zielen van menschen zyn, welke daar nu rond zweven” en verzekerde my, dat hy het dikwyls gehoord had, en dat hy het ook geloofde.
Thans geene byzonderheeden meer kunnende opsporen of ontdekken, en de tyd tot nasporing kort was, hoop ik, aan het verlangen der Edele Schoolcommissie voldaan te hebben.

Noem ik UWEd. onderdanige Dienaar de School-
onderwyzer

(get) A.L. Wessels.