Zoek op de website

Stitswert

Aan de Heer J. van Cleef
Schoolopziener in het 5de
district der Provinci Groningen.


In voldoening aan het verzoek van de commissie van Onderwys, dient ter beantwoording als volgd:

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Woonplaats Stitswert

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Den naamsoorsprong onbekend; doch in oude geschriften vindt men hetzelve gespeld Stedeswart.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze kerk is geene dufsteen of duifsteen. Het opschrift onzer torenklok is:
Honore . Sancti . Georgu . anno . domini . millesimo . 400.39.4.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

In- en aan de onder ons dorp onderhovige landen zyn drie maren, als:
1. Het Stitswerdermaar neemt het begin ten Noorden aan Stitswert, en loopt van het Oosten tot het Westen tot in de Delthe, waarin hetzelve de uitwatering bekomt.
2. Het Kokmaar, loopende van het Oosten tot het Westen waaraan een gedeelte van de onder ons dorp behorende landen ten Noorden belenden; doch snijd het Westeinde eene hoek (ongeveer veertig bunders) af: welk gebruiker door middel van eene til over hetzelve zynen uitweg bekomt: heeft mede de uitwatering in de Delthe.
3. De Delthe loopende van het Noorden tot het Zuiden, waaraan ten Westen vele aan ons dorp behorende landen zyn belendende, neemt het begin by Warffum en eindigt in het Warffummerdiep by Scheelstil, welk  laatste loopt in het diep by Onderdendam, en vervolgens de uitwatering door de Winsummer en Schapshalster zylen bekomt.
 

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Een wierde waarop grootendeels ons dorp is gelegen; doch door eene slood van de twee aan elkander belendende wieren afgescheiden, waarvan de hoogte en uitgestrektheid in 1827 reeds is overgegeven.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voornaamste voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken zyn:
1° Raapzaad, rogge, tarwe, gerst, haver, boonen, erwten, aardappelen enz.
2°Paarden, koeijen, schapen, honden, hazen, konynen, katten, eenden, zwanen, ganzen, patryzen, hoender,
duiven, enz.
3° Klei en leem.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgsteldheid is hier kleigrond, welke spoedig door eene onvruchtbare gele grond onder den naam van rooddoren wordt vervangen, en komt in sommig streeken op niet meer dan eene palm diepte reeds ten voorschyn; vooral op eenen afstand van ten Oosten ongeveer honderd Roeden, ten Westen vijftien - ten  Zuiden vijftig - en ten Noorden ongeveer twintig Roeden van het dorp; onder welk rooddoren, in de betere landen witklei, en in de mindere streeken klei gemengd met derg ten voorschyn komt; zynde de om het dorp, en eenige Bunders by iedere boerenwoning gelegene landen meer vruchtbaar en gemengd met zandgrond,  waar het rooddoren dieper of ook geheel niet gevonden wordt, inzonderheid ten Oosten van het dorp.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene kunsten of wetenschappen.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er zyn in ons dorp 2 kruidenierswinkels, 2 schoenmakers, 2 timmerlieden, 1 kleermaker, 3 herbergiers en twee koornschippers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is door de nabyheid van ongeveer twee uren der zee, veeltyds koud, en wordt eenen warmen zomerdag des avonds dikwyls spoedig door eenen kouden uit de zee opkomende damp vervangen, welken zeer nadeelig is, voor de gezondheid des menschen, en veelal eene verkoudheid, of ook koortsen by hen doet ontstaan; (vooral by dezulken welken op zandgronden te huis behoren, en des zomers hier eenigen tyd hun verblyf houden.)

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is ene Hervormde Kerk en een school; doch besaan geene lees- noch zanggezelschappen, evenwel bezit ons dorp eenige leeden van een leesgezelschap in het Winterhalfjaar bestaande te Kantens.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De acht landbouwers hebben hun bestaan door den akkerbouw en veeteeld, benevens zyn onder hen drie welke daarenboven de jaarlyksche veehandel op Holland beoefenen: de handswerklieden enz. hebben hun bestaan ieder door zyn bedryf, in het 11de antwoord aangewezen: voorts bestaan de arbeiders door hunne gewone dagloon.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne taal is plat groningerlands: als opgehelderd door eene zamenspraak tusschen een arbeider (des avonds by zyn te huiskomst) en zyne vrouw.

Arb. Goud n' oâvond!
Vr. Goud n' oâvond!
Arb. Hesse ook hen kerdonselreuden (aardappels) west?
Vr. Ja, maar wat is 't allernoârst luttik goudt, men krigt hoâst gyn dikke te zyn, en wat n' ruttergn'
Arb. Den zewwe ook nyt te veul kriegen tou onz' gerief.
Vr. Gerief! dat liekter nyt noâ! Lutjen mouten mit te boât: en wat blieven der n' bult ien zitten,
deur de natte, men ken z' almoâl onmeugelk kriegen, want men mout z' oet de klai kniepen.
Vr. Ja! nou kriewe eerst te zyn! wat schoâ de natte onz doân het! Zel van winter gebrek genög komen
aan roegvour.
Hierdoor wordt het dagelyks voedsel, als aardappels, wortels, knollen, kool enz. bedoelt.
Tou boui luttje jonges oet, dat z' an kant komen, en leg heur tuug op ' n stoul.

Hierdoor moet men verstaan, de kinderen zoowel meisjs als jongens te ontkleden, te bed brengen en de
uitgetrokkene klederen op eene stoel te leggen.
Hou gait Hinderktje nou?
Vr. ' k Loof dat hy van doâg weer wat koorsig west het: 'k heb hom doâlk n' beetje mit noâ 't land hadt,
maar hy was hyltied zoo mal, dat k' er binoâ niks van oetrichten kon.
Zewwe ook nog koffi drinken?
Arb. 'k Hebber gyn zin an, 'k heb mi van oâvond dik zoepenbry eten; 'k goâ maar hen sloâpen,
meûrgenvroo mout 'k vroo op; boer het mi n' piep bak blooft ans k' meûrgen vroo woâk
hollen wol; doâr zelk' hom of helpen; hy is toch zoo bang veur n' piep bak.
Vr. Ja, 'k wyt nyt wel krankielst is van heur baiden; boeren vrouw zin albai gelicke benoud;
vrouw durst mi veur n' dag of wat dou k' kompot was, hoâst gyn ynmoâl n' beetje zoepen geven
Arb. Ja, ans zy nyt bestoân kennen komt bie heur gierighaid nyt tou.
Vr. Nee zeker nyt. 'k hoop nyt dat 't luttje jong (Hendriktje) van nacht weer zoo mal is, 'k heb verleden
nacht hoâst gyn oog tou hadt: ans m' 's nachts gyn sloâp krigt den is m' doâgs niks weert
Arb. Nee, den is m' hyle dag gelieke goor en ongedaên: mosse nou maar nyt langer proâten,
' k wil sloâpen. Nagt Gryt.
Vr. Nagt Joâp.  

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun algemeen karakter is godsdientig, eerlyk, zuinig en werkzaam; en de levenswyze van de landbouwers en daglooners is, des morgens te vier uren op te staan en zich als dan ieder by het werk begeeft tot zeven uren, wanneer zy hun ontbyt houden; bestaande in roggebrood en karnemelkbry, waarvan te acht uren de hier algemene naam brytyd oorspronkelijk is; verzadigd zynde begeven zy zich weder aan het werk tot des middags twaalf uren, en al dan hun middageten nuttigen en begeven zich verzadigd zynde des zomers tot half twee uren ter ruste; ontwaakt zynde wordt er algemeen een kopje thee gedronken, en van twee tot des avonds zes uren weder aan het werk, en genieten als dan hun avondeten, verzadigd ynde wordt er gewoonlyk eene pyp opgestoken met welke de dagloners zich naar hunne huisgezinnen begeven en de  landbouwers by hunne gezinnen blyven zitten; of niet te veel vermoeid zynde nog eene kleine wandeling in het veld of dorp houden; ten acht à negen ure wordt er algemeen een kopje koffy gedronken, en begeeft
zich vervolgens ieder ter ruste; by de handwerkslieden is de tyd van opstaan, van ontbyt en avondeten een  à twee uren later. Tot vermaak en uitspanning maken de meeste hun gebruik van de landmarkten, harddraveryen en  boeldagen.
De gebruiken by het trouwen, en de begravenisplegtigheden, worden veelal op de minst kostbaarste wyze ingerigt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Oudtyds moet hier eene vrouwenklooster aanwezig geweest zyn, waarvan nog eenige kenteekens, als singels, grachten enz. zigtbaar zyn; zynde thans eene aanzienlyke boereplaats, dragende den naam van Zuidwenda, oudtyds Suidwende, staande aan de Delthe, ten Zuidwesten van het dorp, en thans nog eene zerk aanwezig is waarop men de letters MUYLAG geplaatst vindt.

Opgemaakt, en ingezonden door den ondergeteekenden onderwyzer te Stittswert.

A. Meinardi.