Zoek op de website

Ten Boer

Gemeente Ten Boer

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nu Ten Boer; doch volgens een brief van 1529 is het oudtyds Búúren genoemd, – in 1701 Ten Buur, in 1739 Ten Búir en in 1724 en later Ten Bour geschreven.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

St. Annen een half uur N.O. t N. van Ten Boer, wordende alzoo genoemd, naar het aldaar oudtyds staande St. Annen Klooster.
Oosterdykshorn 20 min: Noordoost van de kerk, heeft zekerlyk zynen naam van de Woldyk ontvangen, welke aldaar eenen hoek maakt, en ooster by genoemd, ter onderscheiding van Westerdykshorn.
Bouwerschap mede 20 min: O.Z.O. van hier. Van dit gehucht alsmede van Ten Boer is my de naamsoorsprong onbekend.
 

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Geen duifsteen. Het opschrift op de kleine klok luidt: d. Eed: Moog: Heeren Gedeputeerde Staaten van Stadt Gron: en Omland. D. Simon Hoisingius Pastor Ten Bour Carolus Spronneauq me fecit Anno 1686. En op de groote klok: Marnees Fremy heeft myn vergooten voor het Karspel Ten Búúr Anno 1705.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het Damsterdiep loopende Noordwest, heeft by Delfzyl zyne uitwatering.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene aanwezig, nog er geweest, zoo ver hier bekend is.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Eene kleine hoogte hier Wier genoemd, van plm: anderhalf El waarin nog veel stukken van aarden potten en deksels worden gevonden. Voor 19 a 20 jaar heeft de gebruiker derzelve 2 voeten grond van een klein gedeelte afgegraven, en by het omploegen verbrande beenderen gevonden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Het delfstoffelyk ryk levert hier geene voortbrengselen op dan eenig leem.
Het plantenryk, weinig hout, dienende slechts tot brandstof en eenig ander gebruik.
Tuinvruchten worden hier veel, doch boomvruchten, zoo veel niet als in het noordelyke gedeelte van Fivelingo aangekweekt. –
Rogge, Garst, Koolzaad, Erwten en paardeboonen worden hier weinig, in vergelyking van haver verbouwd. Aardappels meer dan voorheen.
De voortbrengselen uit het Dierenryk, staan gelyk met de kleiachtige streken van Fivelingo en Hunsingo.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Aan de Noordzyde van het damsterdiep is de bovengrond kleiachtig en daaronder vindt men rooddoorn en ook eenig leem; doch aan de Zuidzyde van het diep eene dargachtige bovengrond en daaronder eene veenachtige stoffe.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Voornamelyk de Landbouw.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken. Een houtzaagmolen. Trafyken geene. Handwerken, Yzersmid, Kuiper, stel of wagenmaker, Timmerman, broodbakker, schoen- en kleermakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, twee scholen, n.l. te Ten Boer en St. Annen, Een zang gezelschap, bestaande alleen des winters, doch geen leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Daar de inwoners, byna allen, uit boeren, handwerkslieden en uit boerenwerk verrigtende menschen bestaan, zoo vindt een ieder in eene mindere of meerdere ruimte voor dit zyn bedryf of handenwerk, zyn brood; – of men zou kunnen zeggen, voonamelyk door den Landbouw.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Onder het Pausdom heeft hier een Klooster van de Benedictyner Nonnen gestaan, zynde van hetzelve nog eene muur, van 30 Ellen lang en 1¼ ellen hoog aanwezig.
Van de geleerde mannen, welke hier geboren zyn, noem ik de Heeren Professoren J. van Eerde en H. Nienhuis alsmede den Heer Spandau, Griffier der Staten.

Aldus beantwoord door

(get) H. Boerema onderwyzer
te Ten Boer.