Zoek op de website

Tinallinge

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Eertijds Tynallinge, Tinnallinge, Tienallinge en thans Tinallinge.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Gehuchten en buurtschappen zijn onder Tinallinge niet aanwezig of gelegen en van den naamsoorsprong van ons dorp weet ik niet, wat er van te maken.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

duf- of duifsteen is er aan de kerk niet en het opschrift op onze torenklok is van het jaar 1787 en bevat slechts dat dezelve door de Heren Mammens ten tyde van A. Alberda van Menkema, Unir. Coll. vergoten is.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Er is slechts één maar, doch niet meer voor schepen bruikbaar. Hetzelve begint ten Z.W. by Tinallinge, loopt in deze rigting voort en vereenigt zich met het maar van Baflo en neemt dan eene meest Zuidelyke strekking, loosende eindelyk het overtollige water in het Zyldiep, beoosten Obergum, uit.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Nihil.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geen hoogten, dan slechts waarop het dorp zelf gelegen is.

7. Welke bosschen zijn daar?

Nihil.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Dierenrijk: paarden, koeijen, schapen, varkens, hoenders, eenden, ganzen, zwanen; – patryzen, hazen enz. over het algemeen weinig.
Plantenrijk: kool, weite, rogge, gerste, haver, boonen in overvloed; – peulvruchten enz. voor eigen gebruik.
Delfstoffelijkryk: thans nihil; eertijds vermoedelijk eene Steenbakkerij ten Zuiden van het dorp.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Grondsgesteldheid: ten Zuiden en Westen eene vruchtbare, zavelachtige aarde en tot alle verbouwing zeer geschikt.
Bij Baflo dáár, waar ons dorp, of liever de uitgestrektheid van hetzelve, begint, vindt men dez aarde 2 à 3 voet diep, neemt vervolgens af en heeft by Tinallinge zelf, maar 1 à 1½ à 2 voet meer. Ten oosten is men al ras, tot aan het Warffumer maar, op het zoogenaamde Meedensterland en men vindt hier stukken die ½ voet goede, vruchtbare aarde ophouden. Opmerkelijk is het, dat vele waarnemingen het resultaat opleveren, dat men, hier dieper, daar minder diep en elders, vooral ten Zuiden, by een slootgraven soms zigtbaar, onder de geheele uitgestrektheid een soort van veen aantreft, dat vele gelijkheid heeft met de lange turf, en 1 à ½ voet dikte heeft.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Nihil.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Slechts het handwerk van broodbakker,, kleer- en schoenmaker, naaister.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Luchtgesteldheid: voor ieder hier niet geboren in de eerste 2 à 3 jaren, geenszins gezond en het schynt, dat men door langdurigheid aan dezelve moet gewennen, vooral, tot de avondlucht, als die met vochtige en koude zeedampen verbonden is.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school en een leesgezelschap, verbonden met dat van Baflo, onder de spreuk: Lust tot wetenschappen, zanggezelschappen bestaat er thans niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de, onder Antw. 11 voorkomende handwerken, vindt men nog landbouwers en daglooners.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal verschilt veel van die der zuivere Nederlandsche. Een klein staaltje zal ten dezen aanzien genoegzaam zyn, zonder op de naïviteit te letten: b.v.
De landbouwer tegen zynen knecht:
Jan! doe mous van namiddag met ’t broen en ’t lutje bleske na zeuven juk te plougen en ans dut daan heste den kenst nog wel eis syn ofst de zwanen ookw eer vrienden kenst.
en tegen zynen arbeider of daglooner:
en den wolk wel, dat is den mitgingen, om de wenakkers deur te graven, den ken ’t water er beter ofloopen. enz. enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Betrekkelyk het karakter, kan algemeen aangenomen worden, dat hunne besluiten en oordeelvellingen, eene vastheid in zich vereenigen die na ryp overleg, ten uitvoer gebragt worden. Verder openhartig is het denken en vry in het spreken, zonder vleijende woorden of kunstgrepen, om zich in iemands gunst in te dringen, zonder echter aan den anderen kant lomp of onbeschaamd te worden.
De levenswijze alhier is eenvoudig: weidsche praal en pracht, noch in de kleederen, noch in de huissieraden is niet bemind.
De zeden zyn, gelyk het vorenstaande, eenvoudig, trouw, matig-, eerlyk-, naarstigheid enz.
De gewoonte van alles in eene behoorlijke orde te doen of te laten geschieden is hier zeer geacht; zooals: vroeg opstaan, des morgens om half acht, des middags om twaalf en des avonds om zes uren te eten, tijdig te bed gaan; vermaken en uitspanningen is minder aan de orde van den dag; – de wyze van spreken, bepalende zich slechts tot een zoogenaamd avondpaatje, is zoo eenvoudig als onkostbaar; – trouwplechtigheden behoeft geen naam meer; – de begravenisplechtigheden bepalen zich tot een eenvoudigen maaltijd na het begraven, aan de naaste aanverwanten en 2 à 4 geburen en eindigende in de beste orde van deftigheid.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Plaatselyke bijzonderheden zyn my, althans van eenig aanbelang, niet bekend, dan dat de bevolking eer af- dan toeneemt, voornamelyk is zulks het geval met de huizen. Ik ben echter van gedachten, dat deze afneming voornamelyk, sedert het eerste vierde gedeelte der voorgaande eeuw, begonnen is, en als oorzaak geef ik hier voor op, de algemeene verarming der bezitters van Heerlykheden door den kersvloed van 1717, als zynde toen ook het kleine, doch fraai beschilderd geweest zynde, orgel in de kerk komen te vervallen, want in gemeld jaar was er nog een organist en van de kort daarna beroepen opvolger, die in 1751 is overleden, leest men, ten dezen opzigte, niet van.
Onder de oudheden kan men nog noemen, dat het afgebroken orgel zeer veel sporen droeg van beschilderde beeldwerk uit den Roomschen tijd,zoo ook de thans bestaande preêkstoel in gesneden beeldwerk, dat over het algemeen nog vrij wel bewaard is. Het opschrift van het orgel is nog, op myn verzoek, in de kerk bewaard gebleven en was letterlijk aldus:
......................... arems . gulden . wart . bentaelt . Bi . tiden . her . Eilko . Engelbert , pastor . des . erwerdigen . Heren . Is . dit . werck . geschildert . en . gemaket . to . Gades . lof . en . eren . Hiir . to . hebben . de . vogeden . gedaen . dat . belt. Dat . heft . 1.5.4.9 . Herme . Eluelt . Julle . Berwes . Gerijt . Jansen . gewelt . Da . men . schref . M . viif húndert . en . vijftich . noch . seunen . dar. bi . Dit . warck . wert . geschildert . en . gemalt. Bi tiden do dat muidde rogge vor xxi ......... Do . schilderde . Hinrick . Maler . van . Bremen . mi . Ick . herme . Eluelt . mach . denke . dat . én . tume . rode . botter . golt . xi . Arens . gl en . mudde . rogge . xii . krustert . l . mudde . garste . viii . krustert . l . mudde . hauer . iiii . krustert . vu . do . hurde . me . dat . juck . lants . ..,........................

Opgemaakt en beantwoord door
den Schoolonderwyzer te
Tinallinge

J. Sluirman.