Zoek op de website

Uithuizen

Gemeente Uithuizen

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Uithuizen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. Oldorp, bestaande uit drie boerenplaatsen, aan de helling van eene zeer hooge wierde, ten westen van Uithuizen, op den afstand van plm. ½ uur gaans.
b. Bovenhuizen, zynde eenige boeren plaatsen ten N.W. van Uithuizen, aan het voetpad naar Usquert, kort by het dorp beginnende.
c. Aangaande den naamsoorsprong is niets met zekerheid bekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen is er aan den kerktoren, zynde het onderste gedeelte ter hoogte van pl: 12 ellen, daarvan opgetrokken. De steenen zyn 35 duim en 10 dik, doch er zyn er ook, die maar 3 palm. houden.
Torenklokken; de groote is van 1787 en de kleine heeft het volgend opschrift: Jan Grans me fecit Enchusae, Anno Domini M.D.CCXV. De Hoogh Welgeborene Everdina, Cornera van Berum.
Douairiere van Alberda vrouw van Menkema Als Primaria Collatria van Uithuizen.
Heeft deze klokke laten vergieten Ten dienste van de Carspellui van Uithuizen.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Kolken zyn er 4 aan den voet van den ouden dyk, als gedenkteekenen van den watervloed van 1717, en één zeer groote in den nieuwen dyk, ten N.O. van hier zynde, volgens aanteekening in den dykrolle van het Uithuister Dykregt, van den watervloed van 1686, door het uitscheuren van de Zyl, ontstaan, en van daar nog de Zylkolk geheten. De kapitale Zeedyk was toen maar slechts een kade.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

-

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Dyken zyn er 3, als de oude dyk, de nieuwe of nu middeldyk en de Polderdyk van 1827.

7. Welke bosschen zijn daar?

-

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

-

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

-

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

-

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Korenmolen , pelmolen, en een houtzaag- en oliemolen van 1819.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

-

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Kerken 3. de Geref: R. Katholyke en Doopsgezinde kerk. De laatste is in een zeer vervallen staat en wordt ook geen dienst gedaan.
Eene school, 3 Leesgezelschappen, waar onder een, dat meer dan 30 jaar heeft bestaan.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

-

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

-

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De ingezetenen zyn zeer arbeidzaam en huishoudelyk zuinig. – Over het algemeen zyn de ingezetenen van Hunzingo en Fivelgo niet zeer gehecht aan het oude, maar hebben, daarentegen meer over tot nieuwigheden. Zy zyn ingenomen met het verbeterd schoolonderwys, dat zy by elke gelegenheid roemen, doch maken daarvan, uit hoofde, van eene zekere karigheid, niet al dat gebruik; vooral sedert 1816, wanneer met de invoering van de Publicatie van H. Gedeputeerde Staten, waarby de kinderen van 5 – 12 jaren schoolpligtig werden, de avondschool, welke voor dien tyd ook wel weinig betekende, nu geheel te niet liep. Uit welken hoofde onze scholen nimmer met die van den Oldambte kunnen wedyveren, waar de Ingezetenen voor het onderwys hunner kinderen, zoo als men het noemt, geen geld te lief hebben.

(get) H.L. Wessels.