Zoek op de website

Uithuizermeeden

Gemeente Uithuistermeeden

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van onze woonplaats is Uithuistermeeden.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Gehuchten of Buurtschappen zyn er niet, doch Uithuistermeeden wordt verdeeld in Binnen- en Buitendyks; zynde de zoogenoemde oude dyk, de scheiding tusschen beide. Meden beteekent weide of laag land, en dewyl er Uithuister voor gevoegd is, zal het misschien in oude tyden aan Uithuizen behoort hebben, en daarom Uithuistermeeden genoemd zyn. –

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is hier niet. Hier zyn twee klokken in den toren; op de grootste wegende pl.m. 2250 Ned. , is het volgende opschrift op den bovensten rand:
“A.O. MCCC.XC.VII. dum . trahor . audite . voco . vos . ad .
gaudia . vitae . sub . dno . hinricio . curato . Harmannus . me fudit . maria . vocor . yhesus .” Op de vier zyden staan de volgende namen; Raphael, Uriel, Michael, en Gabriel.
Op de kleine klok, gegoten, volgens het zeggen van een klokkengieter van Midwolda in de 9de eeuw, en volgende pl.m. 750 Ned, libra (pond) staat het volgende teeken op beide
klok:

onder dit groote teeken, staat nog dit kleinere

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

In onze kerkelyke Gemeente is een Maar, beginnende ongeveer ¼ uur oostelyk van de kerk; hetzelve loopt eerst ongeveer 5 minuten oostelyk op, nu in eene Zuidoostelyke rigting, makende als dan de scheiding tusschen Uithuistermeeden en Oosternieland uit, dan neemt het zynen loop naar het Zuidwesten, zynde alsdan de scheiding tusschen Uithuistermeeden en Oldenzyl, daarna loopt het naar het Westen en Noordwesten tusschen Uithuizen en Zandeweer door, en zoo komt het eindelyk in het Boterdiep. Er zyn ook nog eenige kolken, door den vloed van het jaar 1717 ingespoeld; als eene op ¼ uur afstands ten noorden van de kerk; eene andere, het Eiltsgat genoemd, (omdat de overlevering zegt, dat zeker boer Eilt geheeten, met wagen en paarden by ongeluk in hetzelve gerakende, dadelyk zoo diep wegzonk, dat naderhand niets van dat alles ontdekt werd) by den nieuwen dyk op 1¾ uur ten noordoosten van de kerk; 5 minuten ten noordwesten van daar, is nog eene andere kolk, (Oom Ate’s kolkje geheeten); zynde van eene buitengewone diepte, en alzoo genoemd; omdat zeker man Ate geheeten, zicht er te eene vlaag van razerny, in verdronken zoude hebben. Voorts is hier nog eene uitwatering, de Tjaryt genoemd, beginnende by den ouden dyk, op ¼ uur afstands ten noordoosten van de kerk, lopende met verscheidene hoogten en kronkelingen, noordoostelyk op, tot in het wad of slyk.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zyn hier niet en ook niet geweest.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Een Zeedyk, hoog 3½ Ned. El. boven het maaiveld, is eene strekking van het Westen naar het Oosten, ter lengte van plm. 8861 Ned: ellen; ook nog eenige stukken van den ouden dyk her- en derwaarts verspreid.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zyn er niet; maar eene Vogelkooi, na by den dyk, behoorende aan ’t huis Rensuma.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Van het dierenryk: rundvee, paarden, schapen, varkens, hazen, bunzings, hoenders, eenden, duiven, ganzen, patryzen, aal, baars, snoek karper. Van de melk der koeijen en schapen wordt veel boter gemaakt en ook kaas, voor eigen gebruik; de wol der schapen wordt hier by groote hoeveelheid verkocht; ook wordt er veel rundvee, benevens vele schapen uitgevoerd, en in den slagttyd vele huiden.
Uit het Plantenryk; rogge, tarwe gerst, haver, erwten, paardeboonen, raapzaad, wortels, knollen, aardappels, vlas, en vele moeskruiden, alsmede vele boomvruchten. Rogge, gerst, tarwe, raapzaad en aardappels wordt ook veel verzonden.
Uit het delfstoffelyk ryk geene natuurlyke voorbrengselen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De bovengrond is gemengd en moet door mest onderhouden worden; op ¼ uur afstands van den Zeedyk is dezelve kleiachtig ter breedte van pl: 10 minuten; de diepte van den bovengrond is ongelyk 2 of 3 palmen, hebbende men dan leemzand; ter diepte van 1 Ned. El, krygt men het zoogenoemde blaauwe zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten of Wetenschappen worden hier niet beoefend. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier zyn 2 molens, een rogge en een pelmolen; vele winkeliers, verder timmerlieden, kuipers, smeden, bakkers, kleermakers, wevers, stelmakers, schoenmakers, draaijers, vleeschhouwers, horologiemaker, zilversmid; voorts een Geneesheer en veeartsen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Eenigzins veranderlyk door de nabyheid van de zee; met eenen noordenwind stryken hier des avonds dikwyls koude zeedampen over den grond, die voor de gezondheid niet zeer voordeelig zyn; zoo dat men hier dikwyls over koortsen hoort klagen; evenwel kan men niet zeggen, dat de sterfte hier naar evenredigheid grooter is, dan in de meer binnenwaarts gelegene dorpen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is eene fraaije Kruiskerk, met een uitmuntend orgel van zevenentwintig stemmen. twee handklavieren, benevens een vry pedaal; ook een mooye Predikstoel gemaakt in 1708; twee wel ingerigte scholen, als een te Binnen- en een te Buitendyks, drie Leesgezelschappen buiten de Couranten, en des winters een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de handwerkslieden, bestaat het grootste gedeelte der inwoners van den Landbouw en de Veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De inwoners spreken over het algemeen de platduitsche taal, vermengd met vele Gewestelyke of verouderde woorden: men zegt hier, doen voor dronken, vust voor veel, brytied voor morgen ontbyt, venweegs voor de lengte van een stuk land, lai, voor looike, gammel voor slapheid, anbaayen voor aankleden, oetbaayen voor uitkleeden. – Ook zegt men hier; hou is de wiend? hy ’s zoo doen as ’n swien; holt joe wat stil kiender, de kop lopt mi haast om; dy het en kwaad gagel, dat wief het haar op de koezen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zy zyn over het algemeen, nederig, gulhartig, opregt, gastvry, godsdienstig, vast houdende aan oude gewoonten. By den Boerenstand staat men zeer vroeg op; des winters pl.m. te 2 en des zomers pl.m. te 4 uren, de burgerstand te 5 uren. Des morgens te 7 uren is de gewone tyd van ontbyten; tusschen 11 en 12 uren houdt men het middagmaal en by den boerenstand gebruikt men het avond eten des zomers om 6, en des winters te 5 uren, de burgers eten het geheele jaar door plm: te 7 uren des avonds.
In den boerenstand gaat men des zomers te 8, des winters te 6 uren naar bed, en by den burgerstand plm: te 10 uren.
Vermaken en uitspanningen zyn hier niet dan by enkele gelegenheden op boeldagen en jaarlyksche naburige kermissen. De bezoeken houdt men hier gewoonlyk des avonds na het eten, doch weinig in het lânge der dagen. Tafelgebruiken zoo by trouwen als anderzins zeer eenvoudig.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Onder de tegenwoordige burgten in dit dorp kan men rekenen: Het huis Rensuma, liggende op een kwartier afstands, ten noorden van de kerk en thans toebehoorende aan den Baron Onno Tamminga van Alberda. Onder de voormalige Burgten: Het huis Ungersma, liggende op een afstand van plm. 5 minuten ten Zuidoosten van de kerk; doch hetwelk thans maar eene boerdery is, welke nog dien naam voert. – In de 16de eeuw moet echter dit huis, nog in deszelfs bloei geweest zyn; want volgens overlevering heeft Jr Rodolf Huninga of Huinga voor de reformatie op Ungersma gewoond, zynde een zeer vermogend en verdienstelyk Edelman geweest, en uit hoofde van zyne groote kundigheden de vraagbaak der ingezegetenen, ook was het vorige orgel in de kerk alhier, door hem bekostigd geworden; uit kracht van welk een en ander dan ook de ingezetenen van de Meeden op hunne kosten, de graftombe op het koor van de kerk alhier, ter zyner eere en gedachtenis hebben laten vervaardigen, waarop het volgende opschrift:
De E.E. Jr. Rodolf Huninga op Ulgersma, obiit
XIX April. A° CIOIOLXXIV.
“Nascendo morimur.
Ut manus artificis Saxo Superinduit arte
Humani formam corporis egregiam,
Non alter Deus omnipotens et rector olympi
Massae animan jungit corporeae aetheream;
Et quando aeternae mentis divina volunta
Sic jubet, horum iterum dissociatur amor:
Atque ut de terra mortalia corpora nata
Sunt, ita rursus inhanc solvitur omnis homo."
Ofschoon geharnasd zynde schynt echter niet zeker te zyn, dat Huninga tot den Krygsdienst behoorde. Hy is gehuwd geweest aan Oede Tamminga, doch zonder kinderen verwekt of althans nagelaten te hebben, overleden.
Ook wordt hier melding gemaakt, dat in de Roomsche tyden, en dus voor de 16e eeuw (doch het kan ook in die eeuw geweest zyn) eene Burgt te Buitendyks zoude gestaan hebben, welke den naam Stenhuisheert thans nog draagt en nu eene boerdery is, ruim een half uur ten oosten van de kerk: Vele praatjes zyn hier in omloop: in een zeker oud handschrift voorheen berustende by denR.C. Pastoot te Uithuizen doch nu misschien by den Heer Preun ten huize van den Aardspriester Meddens te Groningen leest men: “dat op die burgt een Heer woonde, die gewoonlyk met zyne familie naar Holwinde ging, alwaar eene Kapel moet geweest zyn, om de mis te hooren. Op zekeren tyd, dat dit naar gewoonte op een zondag weer gebeurde, kwam hy te laat, zoo dat de mis reeds geëindigd was. Nu eischte hy, dat de Priester de mis nog eens zoude lezen, welke dit evenwel weigerde; omdat zoo als men weet, een Priester slechts eenmaal ’s morgens de mis mag lezen. Al zyn dreigen den Priester niet kunnende bewegen, werd hy zoodanig in woede ontstoken, dat hy denzelven voor het altaar vermoordde. Nu keerde men weder naar huis. gebruikte het middagmaal, en terwyl de meid bezig was op de waterplank in de gracht iets schoon te maken, hoort zy eensklaps een vreeslyk gedruisch en gekraak, en opziende, zag zy het geheele gebouw, met alles wat er op en in was in de aarde wegzinken, zoodat er niets van dat alles overbleef. Sedert dien tyd, zegt men, zweven er soms twee witte Juffers van die plaats af, schuins over het land, naar den zoogenoemde Schapeweg” .┼ In gemeld handschrift zijn nog vele andere byzonderheden te lezen. Naderhand noemde men de plaats Stenhuisheert; maar het moest eigenlijk Staanhuisheert zyn, omdat die burgt er gestaan hadt.
Hier is eene zeer fraaije toren, hoog 165 voeten of 48½ Ned. ellen, met drie transen, van waar men een zeer fraai gezigt heeft over de omliggende velden; boven de deur des torens heeft men de volgende inscriptie:
A° AERX. CIIIICCXVII.
Nobilissimus et maxime inclutus vir
Onno Tamminga ab Alberda
Dominus in Nifenstein et Rensema EtcEtcEtc.
jus dicentium inter Amasin et Lavicum
cum summa potestate Praeses, Primarius
Collator in medis, ex flagranti in
Deum amore hanc turrim ex strui jufit
in Dei opt. max. Gloriam et insignem
templi ornatum.
Huic turri tonitrus venti fera fulmina
parcant, Tu faxis numen Submisso corde
precamur.
Nog kan men met zekerheid melden, dat alhier te Buitendyks pl:m. één uur ten oosten van de kerk op de zoogenaamde Dobswal, voor den watervloed van 1717 eene Korenmolen gestaan heeft, welke molen op oude landkaarten van dien tyd te zien is, en waarvan de weg, welke alhier onder den naam van Laanweg bekend is, nog den naam van Molenweg voert, doch naar alle waarschynlykheid is deze molen in den noodlottigen Kersvloed van 1717 weggespoeld. – Verder kan hier nog melding gemaakt worden van een huis, het oude Schip genaamd, liggende pl.m. 2 uren ten Oosten van de kerk aan den nieuwen dyk. Dat dit huis dien naam draagt, komt hiervan daan: voorheen was op die plaats niets; maar nu ongeveer 70 jaren geleden, kwam er by den nieuwen dyk een oud schip aandryven (by hoogwater) hetwelk toen door eenige menschen van dien omtrek over den dyk gehaald en daar heen getrokken werd; van welke menschen er ten minste één leeft, die het mede gedaan heeft. Langen tyd hebben hier nog menschen zoo ingewoond, doch toen het eindelyk te oud werd, en onbruikbaar om er in te wonen, heeft men op diezelfde plaats een huis gebouwd en hetzelve met dien naam genoemd.
Dat de school te Buitendyks den naam van Roodeschool draagt, kan ook wel onder de merkwaardigheden gerangschikt worden. De meeste menschen zeggen, dat zy dien naam draagt, omdat zy voorheen van binnen en buiten rood geverfd was.

(get) R. Steenhuis   (get) J.J. de Groot
Schoolonderwyzer te   Schoolonderwyzer te
Uithuistermeeden   Uithuistermeeden
Binnendyks.   Buitendyks.