Zoek op de website

Ulrum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam mijner woonplaats wordt Ulrum geschreven.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Nagenoeg tien minuten ten N.W. van de kerk ligt eene buurtschap de Hogt genaamd; bestaande in twee boerenwoningen. Tien minuten ten westen de kerk, vindt men de buurtschap Elens, uitmakende vier boerenwoningen, de naamsoorsprong van beide deze buurtschappen zyn mij onbekend.
Naar men wil zou de plaats mijner woning zijn naamsoorsprong verschuldigd zijn, aan de tegenwoordige Pastorij alhier, omdat dezelve volgens zeggen van anderen Ulrum heet. De afleidingen zijn dikwijls raadselachtig en onzeker, zoo dat men ten opzigte van Ulrums naamsoorsprong niets met zekerheid kan zeggen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk van Ulrum is geen dufsteen te vinden, de kerk is binnenwerks 2 roeden 1 elle en 4 palmen lang; 6 ellen 9 palmen en 7 duimen breed; zijnde de muren 1 elle en 2 palmen dik, verder is de kerk verzien van 4 steenen gewelven; voort vindt men er een orgel, hetwelk in 1806 nieuw gemaakt is, na alvorens het oude weggeruimd te hebben; hetwelk lange jaren in een doellooze herstelling daar aanwezig was. Het tegenwoordige orgel bevat 9 sprekende stemmen, 1 tremulant, 1 handklavier en een aanhangend pedaal. Aan de zuidzyde in de kerk is een wel bewerkte predikstoel. Men vindt er nog eene sierlijke koperen kroon, eenig beeltenis en loofwerk van beeldhouwkunde. - Op het westeinde der kerk staat eenen fraaijen toren, ter hoogte van 3 roeden 8 ellen 1 palm en 7 duimen, voorzien van uurwerk, twee uurwyzers en twee luidklokken.
Het opschrift op de grootste klok boven, luidt dus:
Sancta Catarina bin ick gheheten
De van Ulrum heten mi gete, Anno Dne MCCCCLXXVIII
Op de zijde vier beelden met het omschrift.

(Noordkant) Sancta Catarina
Oost - St. Margreta
Zuid - /Jezus aan het kruis/ I.N.R.I.
West - Virgo Maria.

Beneden om de rand

Defunctos plango
Vivos voco
Fulgura Frango
Vof mea vof vité (vitae)
Voco vos ad saera venite
Her Syado Kerckheer te Ulrum, Beugger Blauma ende Galo Asinga kerckvogede weren
Herman mi goten haet.

Het opschrift op de kleine klok boven, luidt dus:

Petrus Overneijme fecit Leoverdiæ Octob. 1698

Aan de Noordzyde.

H.T. Baron v. in en Kniphuizen Heer en unicus Collator tot Ulrum, I.F. Spruit Pastor tot Ulrum en R. Jansen kerckvooght tot Ulrum.
Het kerkhof was voorheen met eene muur omgeven, welke in 1805 à 1806 is afgebroken, de daaruit  voortgekomene steenen gebruikt tot pilaren, om de kerk aan de buitenzijden te onderschragen. Hetzelve is nu met eene doornen heg omgeven; twee ellen meer binnenwaards, is hetzelve door lindeboomen omheind.-

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, stroomen, maren of kolken zyn in onze kerkelyke gemeente niet, de eenige vaart die er bestaat is een diep, en neemt zyn begin in het Noordwester gedeelte van Ulrum, loopende eerst Zuidwaards bylang Ulrum, vervolgens Oostwaards alwaar het zich in het provinciaal trekdiep uitstort, menende genoemd trekdiep zyn begin in het Zuidoosten van Ulrum alwaar dagelijks eene schut af, en aanvaarte, naar en van Groningen. Hetzelve heeft zyne uitwatering door de Schouwerzijl in het Reitdiep.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zijn er geheel geene, ook vindt men van dezelve geene sporen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

In de kerkgemeente is eene wier; de Elensterwier genaamd; waarop de buurtschap Elens is gebouwd, hoog boven gewoon zomerpeil 4 ellen en 5 palmen, de uitgestrektheid van dezelve, nagenoeg 2 bunder, alsmede eene hoogte waarop Ulrum ten deele is gebouwd, hoog boven gewoon zomerpeil 4 ellen en 8 palmen; gasten, warven, essen, heuvels of dijken worden er niet gevonden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Het eenige hout dat in onze kerkgemeente groeit, bestaat voor het grootste gedeelte, by de boerenwoningen, om dezelve voor de stormen de bevrijden, bestaande meest in witteblad, yperen, esschen, elzen, wilgen enz. de laatst genoemde kan om de drie jaren worden gekapt, en is alsdan zeer geschikt tot erwtrijs, de kleinere rijsjes gebruikt men tot het maken van bezemen, welke alhier veelvuldig worden gebruikt, tot reiniging der voornamelyk boerenwoningen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het dierenrijk vindt men hier voornamelijk: paarden koeijen schapen en zwijnen welke door den landman worden (worden) aangekweekt; wordende de overtollige paarden verkocht, op de markten te Groningen, Appingedam, in de provincie Drenthe, en elders. - De koeijen worden des Winters bij den landman opgekocht, en des voorjaars naar Holland gevoerd en aldaar verkocht. De schapen, hier vet gemaakt zijnde, worden veeltyds aan de slagers in Groningen en hier te lande verkocht om te worden geslagt. Zwijnen worden hier niet genoeg voor eigen gebruik aangeteeld, men voert derselve hierby menigte in, van Drenthe en andere plaatsen. -Vogels zijn er ook, als: eenden, ganzen, hoender, duiven, musschen, vinken, leeuwerikken, enz.
In onze wateren houden zich ook visschen op als: aal snoek, baars, karper, voorn enz. Ook vindt men hier Amphibiën, waarvan kikkers de voornaamste zijn, om zich in eene groote hoeveelheid in onze sloten en tochten ophouden. - Men vindt er Insecten, zooals muggen, wespen, bijen enz. welke laatste bij eenigen hier meer voor liefhebberij, dan voor winstdoende worden gehouden. Ook verneemt men hier van de klasse der wormen, welke zeer dikwijls nadeel doen aan de veldgewassen en tuinvruchten. Uit het rijk der planten kan men hier voornamelijk tellen de graansoorten als: raapzaad, rogge, weit, gerst, haver, erwten, boonen enz. als ook buiskool, rapen, wortelen, aardappelen, wordende de aardappelen hier menigvuldig gebouwd, en door den landman veeltijds naar Groningen gezonden, om dezelve aldaar te verkoopen; ook worden hier appels, peren, pruimen, kersen, wijndruiven enz. gevonden, voornamelijk tot eigen gebruik; tuinvruchten vindt men hier ook, als: groote boonen, de zoogenaamde Turksche erwten, salade, peterselie, uijen; ook vindt men hier en daar eenige bloemtuinen tot vermaak. - Van de derde klasse n.l. delfstoffenryk, kan men slechts opgeven het leem, dat men uit den grond graaft, en tot metselen van geringe woningen wordt gebruikt, in plaats van zand en kalk.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De gesteldheid van den grond, in ons kerspel, is gemengd van klei en zand, de hoogten zijn insgelijks klei en zanddeelen, beneden in den grond vindt men leem.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Behalve het lager onderwijs, kan men hier geen naam aan kunsten of wetenschappen geven, dewijl de inwoners byna alle in Landbouwers, Handwerkslieden en dagloners bestaan.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

De Fabryken zijn deze: één Pel molen, één Roggemolen, een Boekweitmolen (door de wind gedreven), twee Leerlooijeryën, vier Weveryën, drie Broodbakkeryën, drie Ijzersmederijën; voorts Winkeliers, Kooplieden, Schippers, Tappers alsmede handwerkslieden; kuipers, Wagenmakers; Kleedermakers,  Schoenmakers, Timmerlieden, Metselaars, Ververs en Glazenmakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De gesteldheid van de lucht, in deze plaats is zeer veranderlyk, dewyl bij den Zomer in warme dagen, somtijds zware zeedampen verschijnen; welke de warmte in een oogenblik doet ophouden en zeer gevaarlijk is, voor den arbeidsman op het veld; ook in het voor- en najaar leveren dezelve aan de bewoners niet zelden koortsen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Ulrum bezit eene Gereformeerde kerk, de hoegrootheid in het derde antwoord opgegeven, eene school in 1815 nieuw getimmerd, houdende ruimte voor 100 kinderen, met 6 engelsche gezigten voorzien, lang 9 ellen en 7 palmen; breed 5 ellen 4 palmen en 2 duimen, hoog onder de zolder 3 ellen 3 palmen, en 4 duimen; met de noodige schoolmeubelen voorzien; voorts een leesgezelschap, met dat van Vierhuizen, Zoutkamp en Niekerk vereenigd, bestaande thans uit 29 leden.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de Winkeliers, Kooplieden, Tappers en Schippers, zijn de overigen, Landbouwers; Handwerkslieden en dagloners; welke daardoor hun middel van bestaan hebben.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal verschilt nogal veel van de overige districten van de provincie Groningen, en nog meer van het zuiver Nederduitsch. - B.V. Ien Olderom zin zoo sirkom honderd en fieftig hoezen, grooten en leutjen; veur ' n tied lang stond er ook ' n burg mit 'n hyl groot schathoes erbi, ook wassen der ook 'n hyl bult  bosken en singels omtou, en ' n binnenhof, mit van alderhande fine vruchten, der wassen ook bruikasten veur annassen, wiendrouven en mooije bloumen; maar dat hyle spul is tegenwoordig weg, ik mein dattien 1810 ofsleten is. - 't Is jammer dat de burg weg is, want er kwammen nogal veul olle arbaiders an de kost, dij bie de boer nijt meer mit vol konden. - Ik zol ien dezen mie hyl brydvourig kennen oetwaiden; maar ' t zel wel an ' t oogmark voldounde wezen, 'k hol dus maar op, om dat ‘t ook zeker nijt mooij zel klinken ien de ooren van yw dy de taal zuver het leeren spreken, lezen en schriven.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het karakter van Ulrums ingezetenen is over het geheel genomen, bedaard, deftig, ernstig, toegevend, eensgezind en gaarne vergevende, wars van hoogmoed en overtollige pracht; dult geen dronkenschap noch overgedrevene heerschappij; de leefwyze is zeer gematigd, de tyd van opstaan by den Landman, gewoonlyk te 4 uren des morgens, de handwerkslieden te 5 uren en vroeger naar mate hunner bezigheden, het ontbyt wordt by den Landman des winters te 7 uren en by den dorpsbewoner te 8 uren gehouden, het middageten te 12 uren, voor alle in onze kerkgemeente; doch eenigen uitgezonderd, het avondeten te 6 uren, den handwerksman te 7 uren; de boeren by den Winter te 5 uren; het naar bed gaan by den Zomer des avonds te 9 à 10 uren, des Winters 8 à 9 uren; de vermaken en uitspanningen, bestaan hoofdzakelyk in het bywonen van kermissen, harddraveryën en verkooping van roerende goederen; de wijze van bezoeken geschiedt ten naasten by dus: de genoodigden gaan des avonds te 7 à 8 uren uit, drinken dan te zamen koffij of chocolade en daarna eenig brandewijn met suiker, en na elkander onder het roken van eenige pypen tabak, (roken geschiedt hier door de mannen) het nieuws van den dag, ten nuttige gesprekken afgehoord te hebben, scheidt men ten 11 à 12 uren of later in den nacht. Men is hier gewoon een of meer malen in een jaar, zijne vrienden by zich te noodigen, de tafel wordt dan eenvoudig, merendeels van eigene voortbrengsels opgedischt.
Bij het trouwen wordt alles op de eenvoudigste en minst kostbaarste wijze behandeld, de naaste bloedverwanten van de ondertrouwden en de naaste buren, komen als dan met de jonge lieden, welke  door den Burgemeester door het huwelijk worden verbonden in het Gemeentehuis te zamen, en na dat alles volgens de wet is afgeloopen, keert de familie en verder genoodigden, naar het huis der jong getrouwden terug, en dan wordt niet zelden het overige van den avond in vrolijkheid doorgebragt, en men  scheidt somstijd diep in den nacht.
Begravenisplegtigheden, worden hier met onderscheid gehouden; de gegoedsten verzoeken op den dag, als het lijk ter aarde zal worden besteld, de naastbestaanden, de naaste naburen, benevens den Predikant en Kerkenraad, om die begravenis te komen bijwonen en worden des voordemiddags tusschen 10 en 12 uren ontvangen ververscht door koffij, brandewyn of jenever, als de klok 12 uren heeft geslagen, draagt men het  lyk uit, zet het vevolgens op een draagbaar, en dan wordt het door 8 a 10 personen naar het Kerkhof  gedragen, de vrienden en buren volgen deze trein paars gewyze in het zwart grootendeels gekleed, de naaste bloedverwanten vooräan, de vrouwen plaatsen zich achter de mannen en voor het grootste gedeelte door een  zwart kleed omhangen, onder den naam van zegenkleed. Op het kerkhof gekomen zijnde, draagt men het lijk rondom het kerkhof, en zet het vervolgens in een graf; hetwelk door de buren of kluflieden des voormiddags
is gegraven. Na dat het graf toegemaakt is, keert men gezamelyk naar het sterfhuis terug, alwaar dan eene wel aangerigtte tafel wordt gevonden; zynde veeltyds goed voorzien van wittebrood. Voor men zich aan tafel zet, wordt er weder iets tot verversching voorgediend, vervolgens plaatst men zich op de wenk van de tafelbediende aan tafel, na dat elk zich van plaats heeft voorzien, tikt de bediende aan de deur van het vertrek waar de vrienden te zamen zijn; terwyl dan alles stil is staat de Predikant op en doet gepaste aanspraken en gebed voor den maaltijd. Indien men van wittebrood byna voorzien is, wordt er Rystebrij gegeven, hiervan ieder deszelfs behoefte genomen te hebben, houdt men de maaltyd voor geëindigd. Voorts doet wederom den Predikant, eene dankzegging, voor het genotene en het overige van den dag, wordt dan in stille eerbiedigheid, onder het roken van tabak, aangevoerde zedelijke gesprekken en nuttigen van thee, koffij en bier doorgebragt; waarna de vrienden en verder genoodigden, den een vóór en den ander na vertrekt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Voor eenige jaren was hier nog eene Burgt; het huis Asinga genaamd, doch in 1810 op afbraak verkocht, de eenige sporen welke van dit heerlijk paleis, hetwelk bestond in eene zeer groote behuizinge, van alle zyden uit het water opgetrokken, met de heerlykste en wel aangelegde tuinen, hoven, groote bosschen en lanen zijn overgebleven, is een gedeelte van de buiten en binnengrachten, voor het overige is het in korenvelden en weidelanden herschapen ez. Voorheen was Ulrum door een diep in twee deelen gescheiden, het Oostergedeelte noemde men Asinga naar de toenmalige Burgt, en het Westerdeel Ulrum. Doch daar het diep en de Burgt niet meer aanwezig zijn, is de naam Asinga byna verloren geraakt enz.
Spookverschijningen of bygeloovigheden welke op daadzaken steunen, van den ouden tijd, zyn hier niet te vinden; noch kinderliedjes, oude gezangen, oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen enz.


Aldus opgemaakt door mij ondergeteekende Schoolmeester te Ulrum den laatsten van de maand
September 1828.

A.J. Buiringe.

Aan de Commissie van Onderwijs in de Provincie Groningen.


Ulrum den 28 Dec. 1835.

Mijn Heer!

Ingevolge aanschrijving van den 7 Nov. j.l. doe ik Uw Edele bij dezen toekomen eene geschiedenis van mijne school. De school welke in 1815, van gronds op nieuw is gebouwd en veel vergroot; en in welke ik, met begin van 1822 mijne functiën heb aanvaard, is ruim genoeg voor honderd kinderen, voorzien van de noodige meubelen, en in eenen behoorlijken staat, uitgenomen de in de school zes aanwezige gezigten, welke te klein in dit ruim gebouw, zijnde dezelve genomen, uit de vorige oude school, welke toen nieuw waren, en in het Wintersaisoen (bij donkere dagen) het noodige licht niet doorlaten, en omdat dezelve binnen korte jaren moeten vernieuwd worden, heeft de Burgemeester mij gezegd, dat dezelve dan zouden worden vergroot. In Januarij dezes jaars had ik het grootste getal leerlingen 82 Jongens en 40 Meisjes dus te zamen 122. Dit getal bleef tot aan de maand April, zoodat er toen van tijd tot tijd eenigen terug bleven, welke op het land, of in huis door eenigen arbeid werden bezig gehouden, de eene moest op kleinere broeders of zusters passen, omdat de moeders de te velde staande aardappelen van onkruid moesten zuiveren, een ander moest dat werk mede doen, voorts moesten de korenaren opgezameld worden, zoodat het getal kinderen midden in den Zomer tot op de helft werd verminderd; dit getal vermeerderd niet, voor, dat in de herfst de aardappelen zijn opgedolven. Thans telt myne school te zamen 90, 60 Jongens en 30 Meisjes. Dat het getal thans kleiner is dan in Januarij van dit jaar, is hoofdzakelijk daaraan toe te schrijven, dat sommigen boven de schooljaren zijn en schoolgaan met werken hebben verwisseld, er zijn ook eenigen met de woon vertrokken, weer anderen die de school niet bezoeken, omdat, (zoo als de ouders zeggen) de kinderen genoeg kennen, en zij dezelve nu wel verder kunnen onderrigten, bestaande dat onderwijs eenig en alleen in het lezen in den Bybel, dewijl alle meerder wetenschappelijk onderrigt, by hen op eene zeer lage trap staat; ja zelfs als ydelheid beschouwd wordt, en hunne kinderen in zoo verre in de School gevaarlijk, te meer nog omdat de onderw. soms spreekt van zedelyke verbetering, dezulken behooren tot de partij van de sterke en domste de Cock's gezinden, nog anderen omdat de ouders geen belang in het leeren stellen en de onderw. hen vraagt naar zijn verdiend loon; en één kind is mij zelfs door deszelfs Grootvader van de School gehouden, omdat ik, (zoo als hij zeide) eene verderfelijke leer had en slechte boeken. Mijn heer! het laatste bragt mij niet eens in drift, omdat het de opperste der de Cock's gezinden mij dit toeduwde! Voor het overige verblijd ik mij, dat het onderwijs, aan die kinderen welke de School geregeld bezoeken voordeelig werkt, en zou niets vuriger wenschen, dan dat allen de School nooit verzuimden, opdat ik meer en meer aan de wensch van de Commissie van onderwijs kon voldoen, ingevolge de Circulaire no 1 en 2 van den 13 Oct. 1.1.- Vermenende aan Uw Edele verzoek en mijne verpligting te hebben voldaan, ben en blyf ik


Mijn Heer! Uw Edele D.H. Dienaar
A.J. Buiringe onderw. der Jeugd.


Aan den Heer Schoolopziener
van het derde district in de Prov. Groningen