Zoek op de website

Usquert

Gemeente Usquert

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Uskwerd, Uskwert, Usquerd, of Usquert.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

T.O. Groot Bosch, op den afstand van pl.m. 30 N. Roeden
T.Z.O. Holwinda, op den afstand van pl.m. 2½ “ Mijlen
T.O.Z.O. Oldorp, op den afstand van “ “ 2½ “ “
T.Z. Helwerd op de wierde van dien naam op 35 “ Roeden
T.W.Z.W. De Westerhorn zijnde vry uitgebreid, bestaande uit boerenwoningen. –
T.Z.W. Luidema op den afstand van 40 N. Roeden

Naamsoorsprong van: Usquert. De schrijfwyze van den naam onzer gemeente, schynt willekeurig te zyn, zoo als boven te zien is, alle welke namen (vr.1) in gebruik zijn. Usquert schynt naast aan den oorspronkelyken naam, welke te bepalen en te verklaren ons moeijelyk toeschynt. Zekers kunnen wij er niets van zeggen. – Oude overlevingen zeggen ons dat het Oswierd is geweest, om de vele ossen die men alhier zou geweid hebben, en om de menigte oude (zoogenaamde) ossegangen. Doch by het woord ossegang, denken wij terstond aan de Hostiegangen der Kloostertijden van Helwerd. – Sommige verklaren ons den naamsoorsprong van deze wierde aldus: Helwerd ligt op de helft tusschen Usquert en Rottum en heette alzoo Helftwierd. Beter komt ons het volgende voor: De Jufferen van Helwinda en de Nonnen van Rottum hadden somtyds eene byeenkomst te Helwerd en dit zou aanleiding gegeven hebben tot den naam van Heilige Wierd, hetwelk men naderhand tot Helwerd verbasterde. Holwinde zou dan zoo men zegt Heilige weg beteekenen. –
Luidema, is eene willekeurig aangenomen naam. Westerhorn verklaart zich van zelf.
Oldorp. Hier zou voormaals een dorp geweest zyn en om derzelver vernietiging zou men het nu Oldorp heeten. –
(Hoe zou het voor dien tyd geheeten hebben?)

Wadwerd ten W. van de kerk op den afstand van 1 N. Mijl.
Deze naam hebben wy afgeleid van derzelver ligging, als eene der noordelykste in de provincie. By het leggen van den ouden Dyk is dezelve slechts ten halve binnen den Dyk gekomen zonder het noordelyk gedeelte nog door het wad kon bespoeld worden, en aldus is de naam Watwerd ontstaan.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duifsteen vindt men in groote menigte aan onze kerk.
Lang 23.55 dm. breed dm. en dik 10.5 dm.
Op de groote klok leest men:

Op de Kleine klok ziet men het volgende

Soli Deo Gloria Leonrad Walraven me firi fecit 1690. –
Harmen Knol en Pieter Cornelis Kerckvooghden.
Aan de westzyde ziet men een wapen waaronder de woorden

Esaias Hillenius
Pastor.

(Laatst gemeld opschrift bestaat geheel uit Romeinsche hoofdletters. – )

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, kolken en diepen vindt men in onze gem. niet. Het kanaal, bekend onder den naam van Usquerder maar, loopt van af, uit het Z.W. naby ons dorp, eerst W. en daarna Zuidwaards, ter lengte van pl.m. ½ uur. Hier komt uit het oosten in hetzelve het Helwerder maar, waarvan straks nader. Nu neemt het Usquerder maar eene Westelyke rigting onder de benaming van het Lange Rak, ter lengte van ongeveer ¼ uurs, en ontvangt daar de oude Delte, (zie beneden) komende uit het noorden, en vanaf deze plaats der vereeniging heeft het eene zuidelyke loop, en men noemt het Delt, tot aan de Scheve til, alwaar hetzelve in het Warfumermaar loopt, en zich eindelijk, door de Winsumer– en Schaphalster Zylen uitstort.
Het Helwerdermaar neemt zynen oorsprong te Oosternieland en op de Meeden, welke twee armen zich zich vereenigen, en naby Uithuizen in het Uith.-diep komen. Verder in eene westelyke rigting is het de limiet tusschen Kantens en Uithuizen, en vervolgens tusschen Usquert en Kantens, tot het eindelyk in de Langerak stroomt, en verder als boven.
De oude Delte, makende de westelyke grensscheiding uit tusschen Usquert en Warfum. – Zy had in den ouden Dyke eene Zijl of Sluis tot de uitwatering en liep vervolgens al kronkelende zeewaards in, hetwelk ons doet vermoeden dat zy haren oorsprong aan de zee verschuldigd was. – Gezegde Zijl vindt men nog op eene kaart van deze provincie welke in onze handen is. – Of deze afwatering haren naam bekomen hebbe van derzelver bogtige loop (Delta) en of de landstreek of andere plaatselyke omstandigheid, hiertoe aanleiding gaf, kunnen wy niet beslissen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

1. De wierde op welke het dorp gebouwd is.
2. De wierde van het klooster Wytwerd ten Z. vandaar.
3. Groot Bosch ten Oosten van het Dorp.
4. De wierde genaamd Wadwerd.
Voords, ten noorden van ons dorp nog drie zeedyken.
1. De oude Dyk, in 1717 verwoest, en niet weder hersteld.
2. De provinciale Zeedyk, of ook wel Middeldyk.
3. De Noord Polder Dyk; in 1811 gelegd.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlyk gezegde bosschen vindt men hier evenmin, als in geheel deze landstreek.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Om de natuurvoortbrengselen van ons dorp alle stukswyze op te geven, dit achten wy niet noodig, want wat in naburige dorpen verbouwd wordt vindt men hier ook, en byzondere voortbrengselen hebben wy niet optegeven.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Op den afstand van pl.m. 10 minuten of eene N. myl rond om het Dorp (buiten de Wierde) heeft men eenen gemengden grond, van klei en zand, welke met den naam van aarde bestempeld wordt, ter dikte van pl.m. 1 N. El. T.O. De Streek genaamd meer zandig ter breedte van een mijl tot digt aan Uithuizen, zynde eene aardlaag van 1 N. El. hieronder treft men blaauw-zand zijnde een weinig met schelpen vermengd. –
T.Z.O. Een gemengde grond, doch meer klei dan zand meer geschikt om te weiden dan om te bouwen, zynde witachtige, minder vruchtbare klei.
Op vele plaatsen heeft men hier eene onderlaag van geel zand, doch ook wel houdt men witte klei.
T.Z. Dezelfde grond als het Z.O., doch de klei wat graauwer. – by droogte harder, – en by natte taaijer dan Z.O., en de ondergrond zeepachtig-kleiachtige grond.
Z.W. Dito. – 25–40 dm. dik, vervolgens eene middellaag van 35-50 dm. bestaande uit drooge, harde klei welke het water niet doorlaat, en met roodoorn vermengd. – Dieper vindt men eene laag van wit- en zeepachtige klei, zynde zeer goede bouwaarde, doch wegens de middellaag en de diepte kan er weinig gebruik van gemaakt worden.
Verder Zuidwaards, eene streep lands, Tjuchem of Tjugchem genaamd. Deze is innerlyk dezelfde van de voorgaande met uitzondering dat de bovenlaag slechts 15-25 dm. dik is en de middellaag meer gemengd met roodoorn. – De bovenlaag wordt langzaam meer vereenigd met de middellaag, welke laatste door het blootstellen van de lucht, en door veel arbeid en behandeling, allengs meer vruchtbaar wordt. –
W.waards. Gemengde grond, evenmatig van klei en zand, verder tot en langs de grensen van Warfum behalve wat meer zand, gelyk aan het Z.W.
Onder de bovenlaag heeft men hier veelal eene laag van geel zand, en verder beneden zeepachtige klei op andere plaatsen heeft men altyd klei. –
Noordwaards, beginnende langs den ouden Dyk van geheel Usquert. – Van af den ouden Dyk N.waards vry zuivere en zware klei, langsamerhand meer gemengd met zand, tot aan den Middeldyk, waar men eenen evenmatig, van klei en zand gemengden grond aantreft. – Ten noorden de middeld. vooraan op den Noord Polder vrij zuivere klei en noordwaards tot aan den Polderdyk krygt men meer zand, zoodat het midden van den Polder gelyk is, aan het noordelykste Uiterdyksland, en achter op den Polder, meerendeels zand. –
Vooraan, achter den ouden Dijk, heeft de bovenlaag een dikte van 80-110 duimen, en de ondergrond is vry zuiver blaauw zand, met schelpen vermengd. –
Verder noordw. meer zuiver van klei en schelpen. –
De ondergrond van den Noord Polder is min of meer dezelfde van het uiterdijk. – Veelal echter eene middellaag van geel zand van pl.m. 1 N. El. –

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt er: Grofsmeden, Stel- of Wagenmaker, Kuiper, Schoenmakers, bakkers van zwart en wit brood, verwers, timmerlieden, kleedermakers, weverijen en eene Pel- en Rogge- en Boekweitmolen in één fabrijk.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Over het algemeen zeer veranderlijk, gelyk alle plaatsen in de nabyheid der zee gelegen. En was het niet, dat de gewoonte het klimaat dragelyker maakte, dan zou het menschelyk gestel niet in staat zyn, de plotselyke verandering van eenen heeten zomerdag in een kouden avond te verduren. –
Verder hebben hier vele koortsen plaats vooral des voor- en najaars, tot welke misschien het voedsel en den grondsgesteldheid mede iets bydragen. –

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een kerkgebouw voor de Hervormden, eene school, en drie leesgezelschappen. a) dat der Vaderlandsche Letteroefeningen, b) de Boekzaal der Geleerde Wereld! c) een algemeen Leesgezelschap van onderscheidene lectuur. Zanggezelschappen vinden hier geene plaats. –

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de genoemde handwerken enz. heeft men er de uitgebreidste Boerenstand, welke, zoowel voor een groot aantal dagloonershuishoudingen een bestaan geeft als zy voor de koop-ambagts-en neringdoende lieden eene aanzienlijke tak van welvaart is. – Niettemin wordt door derzelver veelvuldige werkzaamheid veroorzaakt, dat in den zomer 50 à 60 kinderen de school onthouden worden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Ons is geene juiste en wezenlyke naam bekend, tenzy men deselve onder het groote gebied van het Plat Duitsch plaatse, hetwelk ons te onbepaald voorkomt. – Eenige voorbeelden zullen meer ophelderen dan eene benaming.
Een boer tot zyn knecht sprekende zegt:
Tou jong haal mie ol goel e’s op: ‘k wil nou ’t loug. Hy lopt ien kromme vyr heur! (roept hij hem achterna zynde een stuk land). Kedonzels schudden nijt best van ’t jaar, – ze ben part hylndal verzopen. Hye nog al vust appels had? enz.
(De beide laatste voorbeelden hoort men onder de gegoedste klasse niet veel.)

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hunne algemeene levenswyze is verre van groot en prachtig. Zy draagt allezins het kenmerk van den eenvoudigen Landbewoner.
De tyd van opstaan is zeer onderscheiden.
Het boerenwerkvolk staat in den zomer op te 3 uren, ontbyten is te 7 uren, het middageten te 11-12 uren. – De tyd van te bed gaan is te 8-9 uren. De winteropstaantyd is te 2 uren, ontbijten te 6 uren, en middageten, als boven, het avondeten te 5 uren en de tyd van te bed gaan 6 à ½7 à 7 uren uiterlyk. – De handwerkslieden beginnen hun werk des zomers te 5 uren ontbyten te 7 –, middageten te 12 uren en het avondeten te zes uren, en gaan te bed 9 à ½10 uren.
– Over het geheel dient echter aangemerkt te worden, dat de bovengenoemde bepalingen, geene wetten zijn. – By sommige landbouwers staat het werkvolk reeds om 1 uur à ½2 op, en zoo vervolgens. –
Uitspanningen vindt men in de kermissen, harddraveryen en boeldagen. –
De wyze van bezoeken is zeer eenvoudig en geschiedt gewoonlyk des avonds na 7 à ½8 uren. –
De Huwelijksplegtigheden zyn in vergelyking van vroegere dagen zeer eenvoudig, en het is te denken dat dezelve langzaam geheel vernietigd zullen worden.
Begrafenisplegtigheden zullen zekers krachtens het Besluit op de begraving der lyken, spoedig geheel ophouden, en de botsing zal niet groot zyn, want dezelve zijn reeds van weinig aanbelang. –
Zeden. Wat men van een of meer perioden zou kunnen zeggen, laat zich schaarsch op eene geheele menigte toepassen, en dit zeggen wij ook hier. –
De aanzienlijkste klassen kan men geenszins beschaafdheid ontzeggen; echter behoudens het kenmerk van den landbewoner. Verschil in stand, rykdom en betrekking wordt er wel gevonden, doch weinig in aanmerking genomen.
Verder zijn hunne zeden zeer verdraagelyk en minzaam. –
Karakter. Dit is over het geheel zeer wel bruikbaar in de maatschappij, hetwelk zich uit het gezegde laat opmaken. –
Verre weg, van hun niet de blaam der lichtzinnigheid te willen bezwaren, durven wij echter betuigen dat zij de openbare Godsdienst, op geen zeer hoogen prijs stellen.
Wij voegen er bij, dat door de geheele gemeente, veel nut wordt gesticht, door de genoemde Leesgez., zoodat men hier niet dien engen gezigtskring van denken aantreft, welken men wel elders aantreft.
Gewoonten. kennen wy slechts weinige.
a) Het is een algemeen gebruik dat, onder de Boerenstand in het eerste uur, na ontbyten en middageten niet gewerkt wordt.
b) Bij Paasch, Pinkster en Midwinter wordt ook den derden dag of Dingsdag hier niet gewerkt, hetwelk wy als eene gewestelyke gewoonte aanmerken.
c) De Vrije week, onder de dienstboden zyn de 1e Zondag, na den 12 Nov. – tot de 2e –
By eenige in het dorp ook wel de 1e – 2e Zondag na den 12 Mei. –

Oudheden, omtrent het Klooster Wytwerd de Burgten Luidema en Holwinda, deze zyn by ons zeer schaarsch en dezelve zyn te zeer bekend om er van te gewagen.
In de schoone boerenplaats welke het Klooster vervangen heeft is nog overig. –
In de tuinkamer ziet men eene zerken Schoorsteen met het opschrift anno dm. (oudduitsche letters) MCCCCLXIX. en verder het wapen van de Ridders van Maltta.
Voorts vindt men hier nog een zerkstuk in den muur gemetseld met eenige Roomsche beelden, met het onderschrift: anno dm. MCCCCLXIX.

N. van Zalen
Onderwyzer te Usquert.

Naar het verhaal van bovenstaande Ond. my in 1834 gedaan, was het toen nog maar 50 jaar geleden, dat er eene afzonderlijke gemaal stond; daar de School voorheen werd gehouden beneden in den toren, een klein akelig hol, voor gevangenis regt geschikt.

 

P.H. de Groot.

Bijlagen.

a. Ten opzigte van den naamsoorsprong hebben wy nog op te merken, dat het in de 8e eeuw reeds Uysquirt of Uysquirde genoemd werd.
b. De begravenisplegtigheden zijn in gerigt, meer of min aanzienelyk, naar mate de gegoedheid der inwoners zulks toelaat. Kort na het overlyden wordt aan Vrienden en bekenden, zulks bekend gemaakt. De naaste bloedverwanten en vele bekenden, alsmede de vier naaste buurlieden worden verzocht, om het lyk de laatste eer aan te doen en vervolgens aan het huis des overledenen aan tafel te gaan, en verders thee, koffij enz. te drinken, waarna gewoonlyk tegen 5 à 6 uren ieder zich huiswaards begeeft.
c. Wy willen nu nog eenige woorden opgeven, welke hier dagelyks gebezigd worden:
Udigst (begrafenis) gammel (min of meer ongesteld, niet ziek en niet gezond) domméé of domt (gais dommée (of domt) mit. waars (voorjaar) sars (in den herfst) vust (veel) iesbaarliek (in den zin van verwondering enz., zynde misschien afkomstig van ijzen en de uitgangen baar en lyk, zooals wonderbaarlijk.) praksel (in den zin van veel b.v. n’ hijle praksel) enz.

Geschiedenis der school te Uskwerd.

Het dorp Uskwerd behoort zonder twyfel tot een der oudste dorpen onzer Provincie; want al zeer vroeg komt het in de Geschiedenis voor, vooral in die van de invoering van het christendom in deze streken, en ook is het, gelyk alle oude dorpen, op eene terp of wierde gebouwd.
De geestelijken, welke na de invoering van het christendom in deze plaatsen kwamen, waren, wel is waar, verpligt om de jeugd onderwijs te geven, of te doen geven; doch of men hiermede terstond begonnen is, kan ik met geene zekerheid zeggen. – Dit echter aannemende, dan is hier reeds sedert verscheidene eeuwen onderwijs in het lezen, schrijven en kerkgezang gegeven, hetgeen meer waarschijnlijkheid bekomt, wanneer men in aanmerking neemt, dat kort bij dit dorp een klooster stond. Of men nu in het klooster onderwijs gaf, dan of men daartoe eenige der gebouw bezigde is mij geheel en al onbekend; doch in lateren tijd gebruikte men alhier den toren van het dorp, tot voor omtrent 58 jaren. Na dien tijd werd er een afzonderlijk gebouw of school opgerigt voor het onderwijs der jeugd. Deze school werd van tijd tot tijd vergroot, en is in het jaar 1827, zijnde de laatste maal dat zij veranderd en verbeterd is, gebragt op eene lengte van 13.04, op eene breedte van 6.33 en op eene hoogte van 3.3 ellen. Deze school behoort aan de Gemeente, zoodat alle aan dezelve komende kosten ook voor rekening van de gemeente zijn. Bij de bovengemelde verbetering van het schoolgebouw is goed zorg gedragen, om hetzelve van het noodige licht te voorzien, daar men aan drie zijden van hetzelve vensters heeft geplaatst. Deze vensters zijn boven voorzien van valraams, om de school versche lucht te kunnen verschaffen. Ook is er gezorgd, dat er, behalve de benoodigde tafels en banken, eenige der noodzakelijkste schoolmeubelen voorhanden zijn.
Welke onderwijzers hier, gedurende al dien tijd, dat hier onderwijs gegeven is, geweest zijn, is mij onbekend. Mijn voorzaat was de onderwijzer Henrikus van Zalen; deze is in het jaar 1819 door den ondergetekenden opgevolgd.
Het middelgetal kinderen, dat deze school bezoekt, bedraagt pl.m. 100. Doch het aantal, dat dezelve gedurende het jaar 1835 heeft bezocht, beloopt 140, n.l. 80 jongens en 60 meisjes; waarvan sommige slechts een zeer korten tijd ter school hebben gegaan.
Bij het onderwijs wordt geene bijzondere leerwijze gevolgd; echter tracht men zoo veel mogelijk aan de bepalingen van de algemeene en bijzondere schoolorde te beantwoorden.
Het spellen is hier nog met goed gevolg in gebruik, wordende tevens met en onder het spellen het lezen aanvankelijk geleerd.
Bij het lezen houdt men zoo veel mogelijk in het oog, dat dit natuurlijk zij. Door ondervraging herhaalt men het gelezene, en ziet men in hoe verre de kinderen dit verstaan. Het minder duidelijke of dat, hetwelk zij niet begrypen, wordt hun duidelijk gemaakt en opgehelderd.
Bij het schrijfonderwijs wordt zoo veel mogelijk getracht, om den kinderen eene ongedwongene houding te doen aannemen. Ook legt men zich er bij de verst gevorderde leerlingen op toe, om zijne gedachten op eene zigtbare wijze te leeren voorstellen.
Het onderwijs in het rekenen bepaalt zich meest bij her rekenen op de lei, terwijl het uit het hoofd rekenen minder behartigd wordt.
Bij het zingen gebruikt men bij afwisseling de Evangelische gezangen en gepaste schoolliederen.
Het aardrijks- en taalkundig onderwijs geschiedt voornamelijk in het mondelinge voorzeggen, hetwelk de kinderen eerst op de lei en daarna in het nette op hunne schriften overschrijven.

Gedaan te Uskwerd den 31 December 1835.

N. van Zalen.