Zoek op de website

Veendam

Gemeente Veendam

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Veendam (voor het grootste gedeelte op afgegravene veengronden aangelegd, begonnen in het midden van de 17de eeuw; de kerk gebouwd 1662).

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Borger- of Burgercompagnie, Ommelanderwyk en de Zuidwending.
Liggende Borgercompagnie ten Westen der Hervormde kerk in eene Z.Z.O. een N.N.W. strekking van ½ tot 1¼ uur. Ommelanderwyk, O.Z.O. van gemelde kerk in eene strekking van Z.O. ten oosten van ½ tot 1 uur. Zuidwending ten Oosten dier kerk in eene oostelyke strekking van ¾ tot 1¼ uur. De namen dezer buurten duiden reeds derzelver oorsprong aan.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De zich hier bevindende 1 Hervormde, 1 Roomsche, 1 Doopsgezinde kerk voor thans niet eene Lutersche en 1 Israëlitische Synagoge zyn van lateren oorsprong en dus alle uit gewone baksteenen opgetrokken. De Hervormde alleen heeft eenen klokken toren, wiens groote klok het volgende opschrift in oude duitsche letters heeft Sante Pauvel heit ick geert van wou goet mick anno domini MCCCCCXLIIII.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Een riviertje oude Æ (in de platte uitspraak Olde ei) genaamd loopt hoofdzakelyk in eene Z.Z. Westelyke rigting tusschen beide hoofddiepen, onder het zoogenaamde Elwarsdiep Meedemer- en Winschoterdiep door, en ontlast zich vervolgens te Termunterzyl in de Eems. De beide hoofddiepen zyn gegraven kanalen, het Ooster- en Westerdiep genoemd, van welke het eerste eene N.N. Oostelyke rigting heeft en het laatste eene rigting van N. ten Oosten, welke diepen zich, door het dwarsdiep, by het benedenste verlaat, vereenigen en zich vervolgens te Zuidbroek in het Winschoter diep storten. Het Borgercompagniesterdiep loopt N.N.West door Klein Meer te Sappemeer in het Winschoterdiep. De Ommelanderwyk en Zuidwending, zyn zydtakken van het Oosterdiep; loopende de eerste N.W. ten W. en de laatste zynde weder eene zydtak van de eerste West.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Deze bevinden zich in de gemeente Veendam niet.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De hooge landen zyn losgemaakte Veengronden en er zyn dus geene gasten, wierden etc.

7. Welke bosschen zijn daar?

Deze bestaan er insgelyks niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Het ryk der Delfstoffen levert hier weinig op, slechts eene kleine hoeveelheid hoogveensche en laagveensche turf.
Het Plantenryk is hier milder in voortbrengselen. Hetzelve brengt hier, naar de uitgestrektheid des bodems, eene groote hoeveelheid veldvruchten voort: als rogge een weinig tarwe, veel veldboonen, graauwe- en groene-erwten; boekweit, haver, Winter- en Zomer-raapzaad, eene menigte aardappelen; doch minder dan in vroegere jaren, omdat men toen sterke verzending had naar Hamburg, Zweeden en Noorwegen, welke verzending heeft opgehouden, omdat in die oorden thans de aardappels met goed gevolg gekweekt worden.
Het Dierenryk levert weinig meer op, dan tot eigen gebruik noodig is – behalve gemeste varkens.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond bestaat uit afgegraven hoogveen en dus volgens de wys van ontginning (volgens plaatselyke uitspraak toemaking) uit zand met weinig veen vermengd.
Echter bestaat dezelve tusschen de beide hoofddiepen ter wederzyden van de oude Æ uit laagveen en darry van af het middelste verlaat tot even voorby de Kerkelaan is deze darry ter breedte van 1, 2 of 3 N. Roeden met eenige yzererts vermend (bronnige gronden genoemd).

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

De Muzyk- teeken- schilder- zeevaart- en landmeetkunst, benevens de kennis van oude en moderne talen, reken-, stel-, meet- en zeevaartkunde.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Een potten-, pannen- en steenbakkery, tien of elf scheepstimmerwerven, drie lynbanen, twee koorn- en twee houtzaagmolens, vyf Goud- en Zilversmederyen, Zeven hout- en steenkoperyen, eene menigte laken- en bontwinkels, 4 uurwerkmakeryen, twee koperslageryen, verscheidene broodbakkeryen, yzersmederyen, Wolkammeryen, Weveryen enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier, wegens den zandigen en sterk bebouwden bodem, als mede door den tamelyken afstand van de zee, zuiver en zeldzaam met onaangename of stinkende dampen vermengd.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In de Gemeente Veendam zyn drie kerken, nl. één hervormde, één Roomsche en één Doopsgezinde, benevens één Synagoge, Acht scholen, t.w. één Latynsche, 4 openbare en 3 byzondere scholen vier Leesgezelschappen, des winters 4 Zanggezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De Landbouw maakt een aanmerkelyk tak van bestaan uit, doch het voornaamste en hoofdzakelykste middel van bestaan, vindt deze plaats in de buiten en binnenlandsche Zeevaart.
Veendam telt thans 141 Schepen voor buitenlandschen vaart.
Tien hoofden van huisgezinnen hier woonachtig in betrekking van Schipper of Kapitein op Schepen voor Hollandsche kantoren. Benevens een groot aantal zoogenaamde binnen- en praamvaarders. –

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal verschilt weinig van die, welke algemeen in deze Provincie gesproken wordt; met uitzondering echter van eenige woorden. Voor de uitspraak der klinkers wordt hier, gelyk in de meeste veenkolonien nagenoeg eene h of eenige blazing gehoord; doch in woorden welke een h vorderen hoort men dat de blazing te zwak is en de h schynt weggelaten te zyn. Deze hinderlyke uitspraak heeft haren oorsprong uit het gebrekkig afsluiten van het geluid orgaan en is gelyk aan het zoogenaamd zuchten van een orgel.
De oude oorspronkelyke klank ui wordt hier niet als in de overige districten dezer Provincie, als ai maar als aai of oi uitgesproken; men zegt voor duit, niet dait, maar doit, spuit, spoit, fluiten, floiten enz. De nieuwere ui klank spreekt men hier uit als uu. Zoo hoort men buten huus tuun enz.
De korte u wordt als eene doffe o uitgesproken n.l. stuk als stok, mug als mog, plukken als plokken enz. Hut maakt hierop eene uitzondering, hetwelk weder goed uitgesproken wordt. In alle ongelykvloeyende werkwoorden bezigt men in den tweeden en derden persoon des tegenwoordigen tyds, altyd de korte klank; als ik laat doe of du letst, hi let – ik steel, neem; du stelst, nemst, hi stelt, nemt; - ik schrieve du schrifst hi schrif, ik loop du lopst hi lop, ik flúút du flotst (doffe o), hi flot enz. Het werkw. lezen zou hierop weder eene uitzondering maken, doch hetzelve wordt gelykvloeijend gebezigd.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Door de veelvuldige aanraking met andere volken en natien, veroorzaakt door handel en zeevaart, gaat het oorspronkelyke karakter eenigzins verloren, doch daar, waar het bewaard is gebleven, vindt men (a) gevoel van eigen waarde waaruit somtyds styfhoogdigheid, stuurschheid enz. geboren wordt. (b) Gehechtheid aan het voorvaderlyke, hetgeen eenigzins tegenkantingen van alle veranderingen, benevens steile begrippen in het leerstellige van den Godsdienst veroorzaakt. (c) Naauwgezetheid in den huisselyken leefregel, in het houden van woord en beloften en eene strikte eerlykheid.
Uitspanningen of vermaken worden hier op eene stille en eenvoudige wys genoten en bepalen zich hoofdzakelyk tot een buur of familie bezoek.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Veendam, als zynde van lateren oorsprong levert dus weinige oudheidkundige byzonderheden op; echter geloofde men hier eertyds het als eene byzondere leiding der voorzienigheid te moeten aanmerken, de wys waarop men aan de groote klok of den St. Paul kwam. De Bisschop van Munster had in de belegering van Groningen 1672 dezen St. Paul uit Midwolde mede gevoerd, om dat dezelve uit een merkwaardig Klooster herkomstig zoude zyn. By zyne schandelyken aftogt komt dezen St. Paul onder eene kleine bedekking door misverstand of kwader trouw van den gids, door Veendam en zinkt schuins over de tegenwoordige B uitenplaats Zomerlust op het Westerdiep in den Veenachtigen weg. Van dit ongeluk der Munsteraars maken de inwoners van Veendam en de arbeiders aan den toren dadelyk gebruik om den St. Paul te bemagtigen en in den toren te brengen. Tot aan 1809 heeft daar ter plaatse nog altyd een gedenkteeken gestaan bekend onder den naam van Bisschopspaal.
Insgelyks verhaalt men hier, dat het wapen van Veendam, bestaande uit eenen ontblooten arm, aan een gedeelte van eene vrouwen borst, omwonden door eene slang of adder, houdende deze arm tusschen duim en vinger eene Veldlelie, zoude herkomstig zyn van de vrouw van Adriaan Geerts Wildvanck (later Wildervanck) de voornaamste aanlegger van Veendam en Wildervanck. Deze vrouw had zich eens onder het wandelen op het woeste veen nedergezet en was ingesluimerd. Onderwyl had zich eene slang om haren arm gewonden hetgeen haar by het ontwaken zoodanig ontstelde, dat zy beloofde daar ter plaatse, een godshuis te stichten indien zy gelukkig verlost werd, zulks gebeurde en hier aan zou de kerk van de Wildervank haar aanwezen verschuldigd zyn.

De onderwyzer in de hoofdschool
te Veendam
(get) J. Odding.