Zoek op de website

Vierhuizen

Vierhuizen den 29 Sept. 1828
Aantekening:
Niet volledig wat de dyken betreft
en waarop merkwaardigheden

Aan den Heer Schoolopziener
Van het 3e district van
de Provincie Groningen.

 

Ingevolge het verlangen van de Commissie van onderwys van den 10 Juny l.l. dient het volgende ter beantwoording.

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Vierhuizen, naamsoorsprong niet bekend.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. Het gehucht de Zoutkamp aan den mond der Hunze ligt ten zuidwesten, van Vierhuizen een tweede uur van de kerk, en is eene vrolyke plaats, de inwoners leven er meest van de vischvangst.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. Hier zyn eeinge dufsteenen aan de Kerk zy zyn lang 3 Palmen en 3 duimen, dik 1 Palm, 2 dm. en breed 1 Palm 6 duimen.-
b. Het volgende: Anno 1630 hebben Geert en Anna Lewe, jonker en de Frou tot Beusum en Anna Lewe arf vrouw tho Azinga frou tot Panser, als eenigste Collatoren tot Vierhuizen ter eeren God ras deze klokken laten gieten. (Aan de Westzyde der Klok staat) A.L. (aan de oostzyde) G.L. (aan de noordzyde) Claes Hindrig Eppe Gerts Fogden.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Eene kolk vindt men hier die haar uitwatering heeft in de Hunze.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

a. Geene.
b. Panser wier, Midhalummer wier Menneweester wier. De hoogten en uitgestrektheid zoo nauwkeurig mogelyk opgegeven.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a. Dierenryk. paarden, koeyen, schapen, vogels, verkens, enz.
b. Plantenryk. weinig houtgewas, kool, of raapzaad, gerst, rogge, aardappelen.
c. Delfstoffelykryk. Geene.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

a. Meest gemengde grond, bestaande uit zand en klei.
b. Uitgestrektheid van dit dorp is drievierde uur gaans n.l. met het gehucht Zoutkamp.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

a. Kunsten, geene.
b. Wetenschappen, het lager onderwys wordt hier aanhoudend beoefend

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

a. Fabryken, geene.
b. Trafyken, geene.
c. Handwerken, landbouw, het bakken van roggen en witbrood, schoenmaken en timmeren, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Door de nabyheid der zee, zyn de avonden vaak koud en guur, en de lucht dikwyls vochtig en veranderlyk wordende veroorzaakt door de opklimmende zeedampen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

a. Eene Kerk
b. eene School
c. geene
d. geene.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

a. Landbouw, handwerken, Scheepvaart.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal alhier is over het algemeen als volgt:
een zamenspraak Joost en Pieter.

Pyt. Hé Joust komst doe daaraan, waar hes hen west?
Joust. noir Kloosterburen.
Pyt. En dat al zoo vrou?
Joust. Ja 't wief wolt ja opsluut hebben.
Pyt. Waarom wolze dat hebben?
Joust. Och ze wol ja volstrekt weiten wat eerdappels kosten.
Pyt. Ja daar heb ik ook belang bie, wat kosten ze nou dan?
Joust. Ja ik bin neit veul wiezer worden, te minste ik 'k wil ze daar veur nog neit geven, dat ze vry 't hoes kriegen.
Pyt. Jong dat gait al weer vast op 'n slecht jaar an?
Joust. Ja, wat zel we er aan doun
Pyt. Kom ik mout vort, dag joust gezondheid, kom gaauwe is act heur Joust
Joust. Ook gezondheid Pyt, gouje rais.
Pyt. Dank, ook gouje rais
 

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De menschen zyn over het algemeen nederig en eenvoudig, zonder veel gemaaktheid arbeidzaam en opregt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Plaatselyke byzonderheden, van aanbelang niet bekend.

Wel Edele Heer!
Uwed. Dwd. en Vriend!
P.J. Steur.