Zoek op de website

Vrieschelo

Gemeente Bellingwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Vriescheloo.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Met betrekking tot het kerkelyke, behoort onder Vriescheloo het gehucht Lutjeloo benevens de Kyl naby Blyham gelegen, doch voor zoo ver het Burgerlyke betreft, behoort een en ander tot de Gemeente en wel byzonder tot het dorp Wedde.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Neen er is geene duifsteen aan onze kerk: maar dezelve is in het jaar 1717 gebouwd, gelyk uit een opschrift, dat boven de kerkdeur ten westen is, blykt.
Dit opschrift is in zark uitgehouwen en luidt aldus:
Anno 1717 den 1 May is ’t Fondament van deze kercke gelecht.
Hetzelve blykt ook nog uit dit grafschrift
Petrus Eggens pastoor tot Vriescheloo geboren 1673 en 1717 den 14 Junius in de schuire bevestiget doe was dese kercke noch niet volvaerdiget en is also de eerste predikant van deze kercke geweest en den 29 Marty A° 1719 alhier overleden.
Deze zark met dit opschrift, ligt op het einde der kerk ten oosten.
Voor dien tyd stond de kerk op het land der pastorij, Noordwestwaarts van Vriescheloo en lag 5 minuten in eene regte lyn van de tegenwoordige. –
Er is tegenwoordig niets meer van overig, dan eene kleine verhevenheid van puin.
De opschriften van onze torenklok luiden aldus.
R. Hoeven, dierechte collators als ingeseten van Vriescheloo hebben my doen gieten.
Anno 1679 berch pastor Hermen en Gelken cerckvoeght. Volandius Fremy me fecit.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Rivier de Aa, welke van Drenthe en Westerwolde komt, ten Noordwesten van Vriescheloo langs loopt en zich eindelyk in de Dollart door de Statenzyl ontlast. Het Zyldiep welke, door de groenlanden in gelyke ligging als Vriescheloo ligt d.i. N.O. en Z.W. stroomt. Dit diep begint by de Zoddendyk en loopt alzoo ter lengte van ¾ uur naar de Vriescheloosche watermolen en pomp, waar zich hetzelve in de Aa ontlast. –
Bylangs dit dorp stroomt eene rivier t:w: de Aa die derzelver verder van Westerwolde komende takken in de nabyheid van Wedde vereenigd hebbende, hier dus vry aanzienlyk, en zelfs in den herfst en het voorjaar door schepen van middelbare grootte bevaarbaar is. – Des winters heeft zy by stormachtig weder wel eens een schrikwekkend aanzien, naardien de sterke toeloop van water van het hooger liggend Westerwolde, de rivier buiten hare oevers doet treden en met een ontzettend geweld de aangrenzende dorpen, Vriescheloo, Blyman en Bellingwolde dreigt te overstroomen, het gene haar inderdaad reeds eenige keeren gelukt is.
Nog is hier een water, het Zyldiep genaamd, dat het overtollige water dezes dorps, door behulp van eenen watermolen in de Aa voert. Beide wateren en inzonderheid het eerste leveren veel visch op.
Bovendien vindt men hier aan de A-zyde, zes kolken van eene mindere of meerdere grootte, die alle hun aanwezen aan onderscheidene doorbraken van den A-dyk verschuldigd zyn. De grootste derzelver, de zoogenoemde Kompenkolk zal eenen halven bunder lands beslaan en ongeveer twintig voeten diep zyn.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Hier treft men één meer aan in het zoogenaamde pastory veen, dat in de gewone uitspraak het Neimeer geheeten wordt. Hetzelve was wel eer meer opmerkelyk dan thans, daar het nu de meeste zomers, door den beteren afloop van het Veenwater droog wordt. Het zal ongeveer eenen bunder groot zyn.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De Vriescheloosche gast welke ten N.W. van Vriescheloo tusschen de Aa en de 1e dyk ligt. Het is eene eenigzins hooge verhevenheid, doch loopt des winters by hoog water geheel onder, zoo dat het des zomers zeer grasryk wordt, en eene ruime voorraad hooi verschaft. Deze gast bevat plus minus 60 decinatten lands, en is onder verscheidene boeren verdeeld. By deze gast ligt ook de Vrieschebrug, welke alleen gebruikt wordt om het hooi, dat tusschen de Aa en de 2de dyk groeit te halen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eenige kleine bosschen by de boeren behuizingen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1° Uit het Dierenryk
Paarden, runderen, schapen, verkens, Hoenders, ganzen, Eenden, Hazen, Patryzen, Korhoenderen enz. ook vele byën. Wilde ganzen en Zwanen ziet men hier des winters in eene verbazende menigte, het welk somtyds een fraai gezigt oplevert. Jammer is het echter, dat dezelve, en inzonderheid de laatsten aan de velden vele schade veroorzaken.
2° Uit het Plantenryk
Rogge, Gerst, haver, Boekweit, Koolzaad, Bonnen, Erwten, Aardappelen, Knollen, wortelen, vlas, hennip, klaver, benevens de gewone tuinvruchten en moesgroenten.
Boomen: de eik, de linde, elzen, esschen en velerlei vruchtboomen, als appel-, peren-, kerssen-, pruimen-, mispel-, perzik- en wilde kastanje-boomen.
Heesters: aalbeziën, kruisbeziën, aardbezien, frambozen, hazelnoten en brommelstruiken.
Bloemen: de roos, het zinnebeeld van onschuld en jeugd, de tulp, de fiolet, de leliën, de robinia enz.
3° Uit het Delfstoffelyk ryk
Zand, veen, Turf, ook kien- of keenhout, doch in eene geringe mate.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Zand, Veen, Darg, en op sommige plaatsen, kleiachtige gronden, bestaande uit vele hoogten en laagten.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Er worden geene Kunsten of Wetenschappen beoefend, om dat de meeste ingezetenen landboúwers zyn. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er worden geene Fabryken of Trafyken hier gevonden, maar de handwerken zyn de navolgende als: Schoenmakers, Klêermakers, Kuipers, Timmerlieden, Molenaars en Wevers in wollen en linnen stoffen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De gesteldheid der lucht is hier over het algemeen droog en gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school, doch geene Lees of ZangGezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Landbouw, Veeteelt, Byenteelt en Handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Deze is over het algemeen minder plat dan op vele andere plaatsen.
Men gebruikt hier echter klanken, die zich door geene Nederduitsche letteren laten uitdrukken.
Zie hier een voorbeeld:
Gerriet. Dag Hinderk.
Hinderk. Dag Gerriet.
Gerriet. Hou gaait hier in joen hoes?
Hinderk. Ja jong, dat is neit al te best.
Onze Klaas (plat) het gustern over de kop in ’t deip
zeten, en het van daag (plat) en geduchte koors had.
Hy had biena (plat) verzopen ans onze Jan hom er neit oet
holpen had.

Uitgezonderd eenige weinige woorden, welke met der tyd, door de gemeenschap met het naburig Oostvrieschland en Munsterland, in de uitspraak van daar zyn ingeslopen, wordt hier over het algemeen door de oorspronkelyke bewoneren, de provinciale platduitsche tongval gesproken. Dezelve komt nagenoeg overeen met die van Bellingwolde, verschilt iets meer van Blyham en Wedde; doch brengt men haar in vergelyking met de verder op Westerwolde gelegene dorpen, b.v. Onstwedde en Zellinge enz. dan ontwaart men een veel grooter verschil.
Men zou hier dus spreken
Vrage
“Waarom hyt hy, dei wort gehangen,
En arme Zondaar, lyve Föp!”
Antwoord
“Gyn rieke zundaar let zek vangen;
Veul minder nog knupt men dei op!”

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners welke hier meest uit landbouwers bestaan, zyn om Kunsten en Wetenschappen te vergaren traag, en niet aanhoudend, zoo wel in het godsdienstige als in andere noodzakelyke wetenschappen. Het geld is het voornaamste middel om in aanzien te zyn. Die hier geen geld heeft wordt ook niet veel geacht. Men leeft hier over het algemeen zeer werk-zuinig en spaarzaam. Het voedsel onder de geringe klasse bestaat meest uit aardappelen, pannekoeken, stamboonen, en snyboonen terwyl er onder de boerenstand nog al veel spek en vleesch gebruikt wordt. In de verkeering is met zeer vriendelyk en vleyend, doch op hunne gezegden kan met niet altyd vertrouwen.
Dronkaarts vindt men hier niet, en de herbergen worden zelden bezocht.
Men gaat er wel eens naar toe, maar dan gaat het alles stil en zedig toe, en vermaakt zich wat, met elkander te praten, of over een en ander ding te schertsen. Men gaat hier gewoonlyk vroeg naar bed, en des morgens staat men insgelyks weer vroeg op.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

De ingezetenen dezer plaats behooren of tot de Roomsche of tot de Gereformeerde gezindheid. Van de eerstgenoemden telt men hier 9 en van de laatsten 467.

P.A. Haykens?