Zoek op de website

Warffum

Gemeente Warffum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Warfum: door de inwoners Warffum gespeld.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Eigenlyke gehuchten of buurtschappen zyn er niet onder dit dorp, tenzij men hierdoor ook versta, onderscheidenen benamingen van verschillende streken, waarvan onder dit dorp zyn:
a) de dijkstreek bestaande uit boerderyen en arbeiderswoningen bylangs den ouden dyk; –
b) de Valge, onderscheiden in ooster- en westervalge. In de oostervalge is eene streek boeren en arbeiderswoningen bylangs den publieken weg. –
c) de Zuiderhorn, ten zuiden van het dorp. Hierin liggen de boerderijen zeer verspreid, – en dan het eiland Rottumer-oog worden de alleen door den Strandvoogd en deszelfs huisgezin bewoond.
De dijkstreek strekt zich tot een half uur, de oostervalge tot een kwartier, de Zuiderhorn tot op een uur en het eiland misschien wel tot op uren van de kirk.
De naamsoorsprong dezer Streken is naar myn inzien de volgende: de dijkstreek omdat dezelve bijlangs den dijk ligt; de Valge naar de bouwlanden, waarin dezelve gelegen is; de Zuiderhorn, omdat dezelve zich ten zuiden van het dorp uitstrekt; Rottumer-oog is waarschijnlijk afteleiden van oog een eiland in de abdij van Rottum, waaraan het vroeger, ten minste voor een gedeelte heeft toebehoord.

Wat de naamsoorsprong van Warffum betreft is denkelyk uit den naam zelven op temaken. – Warf beteekent eene hoogte en Um heem, zoodat Warfum nu Hoogheem zoude behooren genoemd te worden. Dat dit ook met reden kan geschieden zal by het 6e antwoord blyken.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De grootte der dufsteenen aan onze Kerk is mij door den timmerman opgegeven op 31. cm lengte, 15½ cm breedte en 7½ cm dikte. Op onze beide torenklokken zijn de volgende opschriften:

op de groote Klok

(boven)

“Anno 1686 door ordre van de EE Heeren Collatoren als
Ds Marcus Bosch pastor tot Warffum en De Redger
Michael van Bolhuis Kerkvoogd aldaar is
deze Klocke vergooten tot WesterEmbden door de meesters
Charles Spronneux en Hugo Veri”.

(onder)

Dumstrahor audite voco vos ad gaudia vitæ
Als ik getrokken wordt wilt goed gehoor my geven
O mensch ik roep u tot de vreugd van ’t eeuwigleven”.

op de Kleine

“Ik ben gegoten in ’t jaar onzes Heeren 1701
Gillis Wibrants tot Amsterdam”.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Van al de opgenoemde wateren heeft men in dit dorp:
a) het Warfumer maar. Dit heeft over het algemeen een kronkelenden loop; meest van het Zuidoosten naar het Noordwesten en watert te Onderdendam in het Winsumer diep uit; –
b) de delt tusschen Uskwerd en Warfum, – en
c) de oude weer eerst tusschen Warfum en Raskwerd, loopende vervolgens ten westen van de Brede, maar wordt verder noordwaarts onder de Scheiding tusschen Warfum en den Andel. Deze beide kanalen hebben mede een kronkelenden loop en wateren in het Warfumermaar uit. Van eene Kolk is er misschien nog eenig spoor bij den ouden dyk.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zijn er onder dit dorp niet, ook, voor zoo veel men weet, niet geweest.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Van de hier genoemde hoogten zyn er onder dit dorp:
a) de wierde, waarop het kerspel is gebouwd, dewelke eene hoogte heeft van 6,10 ellen boven het nulpunt aan de Spilsluizen te Groningen of volzee, en eene uitgestrektheid van 16 bunders;
b) de Klooster wierde, ten Zuidoosten van het dorp, heeft eene hoogte als boven van 2,79 ellen en is 4 bunders groot.
c) De oude dijk in 1717 doorgebroken en niet weder hersteld.
d). De middeldijk, die voor 1718 tot eenen Kadyk diende, om het zomerwater aftekeeren is na 1717 tot eenen Zeedijk gemaakt; in 1776 is hij nagenoeg eene el verhoogd en daarna verzwaard.
e) De dijk van den Noord Polder in 1811 gelegd. Voorts heeft men in de Zuiderhorn nog eenige kleine heuvels, die naar alle waarschynlykheid tot huisplaatsen hebben gediend. Ook zyn er nog huizen, die op zoodanige hoogtes gebouwd zijn.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zijn er in deze Gemeente niet. Bij Bredenborg heeft men eene aanzienlijke plantaadje.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a) Uit het Dierenryk: uitmuntende paarden, runderen en Schapen; ook heeft men varkens, als mede de gewone huisdieren. – Wild wordt er niet veel aangetroffen en bestaat uit hazen, patryzen, eenden en (op het eiland Rottum) wilde konijnen, ook vangt men hier des voorjaars eenigen zeevisch, – de binnenvisch bestaat voornamelijk uit paling.
b) Uit het Plantenryk: Zomer en Winter koolzaad, tarwe, rog, zomer en wintergerst, haver, erwten, boonen, voorts aardappelen en velerhande keuken groenten en boomvruchten. Vlas bouwt men voor eigen gebruik.
c) Uit het Delfstoffelyk-rijk: leem, blaauwzand, dat men tot voetpaden gebruikt, en op het wad graaft men de zoogenaamde Schil voor de Kalkbranderij.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is hier over het algemeen, wat de teelgrond betreft zwavelachtig. In de Zuiderhorn bestaat dezelve uit zand met klei en oergrond vermengd, waardoor hij voor den landbouw minder geschikt is; dieper heeft men hier meer zuivere of witte klei; op vele plaatsen vindt men hier op de diepte van 1 tot 1½ ellen de zoogenoemde dery of derrij. – Voor het overige is de grond hier minder met klei vermengd; – vooral op het uiterdyksland (tusschen den ouden- en middeldijk) en op den Polder treft men ter diepte van eene el het zoogenaamde blaauwe zand aan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

De kunsten of wetenschappen, die er geoefend worden zijn de Genees- en Heelkunst, de landbouw wordt door vele landlieden, meer dan voor een handwerk gedreven(x); – bij onderscheiden
van het opkomend geslacht wordt de muzijk beoefend.

(x) Het Handboek der Landhuishoudkunde van prof. Uilkens is in velen handen. – Ook treft men bij hen aan het Schoolboek van Ponse, van prof. Norman over de veeartsenykunde en andere werken op de veeteelt en landbouw betrekking hebbende.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

De fabrieken bestaan uit een Rogge of Korenmolen, die tevens tot een pelmolen is geschikt gemaakt en een gruttersmolen. – Er worden verschillende handwerken gedreven. Men treft er aan smeden, stel- of wagenmakers, timmerlieden, die tevens metselaars zijn, Schoen- en Kleermakers, muurwerk-herstellers, brouwerij, bakkers, wevers enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is er veeltyds vochtig, en tevens zeer veranderlijk. – Van warmte bekomt men op denzelfden dag wel eens een gevoelige koude door eenen mist, hier bekend onder den naam van noordsche dampen. – De voorjaars nachtvorsten oefenen op de gewassen niet dien schadelijken invloed uit als op plaatsen verder van de zee gelegen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is eene Kirk, eene school en een leesgezelschap. Zanggezelschap bestaat er niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Het grootste gedeelte bestaat van den landbouw, een ander gedeelte, ambagtslieden van hun handwerk en neringdoende lieden van hunne koopmanschappen enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Dezelve bestaat uit eene volkstaal, die men wel den platduitschen tongeval noemt. – Vele woorden spreekt men echter beter uit dan elders als hooi, hooijen, zuur, looven van gelooven enz. Echter heeft men vele woorden van Duitschen afkomst als telder, stevel, hozen (kousen) enz.
Doch over het algemeen is de taal nog zeer onbeschaafd. – Zie hier eenige volzinnen!
A. Wat schudt mi de hoed!
B. Wat scheelt ti den; heste koors?
A. Ne; maar myste wel dat de messels en roodhond ien Battelt binst? as ’k dat maar niet krieg.
B. Heden minsken, daar het ’k niks van kunt; doe zelts koors wel kriegen.
A. Waar wilte hen?
B. Om bosschap, zelk die ’n denske niet pillen mit brengen?
A. Jong né dat deurk nyt vragen, as ’t nyt gau wat betert dan ga ’k na docter.
B. Hou gait ’t wief en kiender? (of hoe gait thoes?)
A. Onze Lutje jongt zin nog altemaal goud zond; maar ’t wief het koeskilling.
Ofschoon men hier een levendiger accent in de uitspraak heeft, dan wel op andere plaatsen laat men echter den klemtoon nog zamengestelde woorden op het zaaklyk deel des woords vallen Kerkvoogd, Kerkhof, biervat.
De geslachten der Z.N. worden veeltijds verkeerd gebezigd en het lidwoord weggelaten b.v. Hy waste hom voor hij of zij wascht zich, zoo ook hij het hom snaden, enz. – Ik ga mit wagen na stad.
Het voegwoord en schryft men gewoonlyk in zoo ook minschen, pinnen enz. voor menschen pennen enz.
Onder minbekende woorden en uitdrukkingen komen onder andere voor:

Kemna . . . . . voornaamste gedeelte van een boerenwoning.
Lenne . . . . . ongebleekt linnen.
Drissen . . . . . dreigen.
Aan ’t frent zitten . . . . . boven aan zitten.
Grof melen Schobbert . . . . . iemand zonder gevoel.
Wie hebben ornijrt ’t zal vandaag wel regen . . . . . Wij zijn van gevoelen, dat wij vandaag regen krijgen.
’t Lutje jong is ja zoo vlug, dat . . . . . De kleine jongen is vrolyk
Ie bin ja zoo mooi, dat! Gij zyt ja zoo mooi! enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Wat hun karakter betreft: zij zijn matig, zuinig, ingetogen, openhartig, werkzaam, onvermoeid in het uitvoeren hunner plannen, zij handelen ter goeder trouw. – Maar darentegen ligtzinnig omtrent eenige gewigtige leerstukken van de godsdienst; in den handel, vooral van paarden, mag de koopman zelf toezien wat hij koopt; – bij de lagere volksklasse bespeurt men sedert eenige jaren eene verachtering van het zoo noodzakelyk eergevoel om zelf voor zyn onderhoud te zorgen(x).

(x) De andere weldadige bedoelingen en voorzorgen van het Gouvernement om in den winter en bij ziekte voor het onderhoud van behoeftigen te doen zorgen, hebben hier het doel gemist, – en de slechten, steunende op die voorzorgen, verwaarloozen hunnen tijd, of verkwisten hun in den zomer verdiend geld. – Dit levert voor de Gemeente reeds een drukkend bezwaar op.

Hunne levenswijze is over het algemeen aan hun karakter gelyk. Zelfs vermogende landlieden verheffen zich niet boven hunnen stand. – Zonder echter eenvoudig of onnoozel te zyn of eene meer beschaafde opvoeding te hebben genoten, weten zij op eene gematigde wijze te leven, maar toch dat de beschaafde stand bij hen kan verkeeren.
Hunne zeden zijn over het geheel onberispelyk. Echter is de verkeering van jonge lieden van de onderscheidene geslachten te gemeenzaam. zoo zelfs, dat vele onder de geringe volksklasse, ten gevolge deze verkeering genoodzaakt worden te huwen en wanneer dit achterblijft, dat er onechte kinderen geboren worden. – Evenwel worden de onechte geboorten toch minder dan voor eenige jaren.
De tijd van opstaan is bij den landman, bij sommige om 3 uren, bij andere te 4 en bij de ambachtslieden om 5 uren. Het naar bed gaan is hiernaar geregeld, dit geschiedt over het algemeen van des avonds 8 tot 10 uren. – Des morgens om 7 uren wordt het ontbyt genomen, des middags 12 uren het middagmaal en des avonds 6 uren het avondeten, en dan is ook het werk van den dag geeindigd.
Vermaken en uitspanningen worden dagelyks niet genomen, tenzij men daaronder versta de rusttyden van den dag voor het werkvolk. Die zijn voornamelijk van des middags na het eten tot half twee uren. Des Zater- en Zondags avonds neemt het ongehuurde werkvolk, tot bederf der goede zeden, voor vermaak en ontspanning hun toevlugt tot de kleine tapperijen, alwaar ze wel eens meer verteeren dan er verdiend wordt. – Des Zondags-middags na geeindigde godsdienst verzamelen vele mannen zich in de herbergen om eene pijp te roken en eenen borrel te drinken; doch voor 12 uren zijn deze gezelschappen altijd gescheiden. Voor het overige zijn Kermissen, harddraverijen en boeldagen, de meest gezochten gelegenheden, om vermaken en uitspanningen te nemen.
De wyze van bezoeken is niet gemeenzaam en geschiedt bij uitnoodiging van twee of drie paren echtenooten. – Des nademiddags meestal op Zondag, komt men in het genoodigde huis byeen. – Thee, Brandewyn op aalbessen met suiker, Koffij, Sokolade met witte brood en beschuit wisselen elkander op de tafel successivelijk af. – Men scheidt gewonelyk eerst ter middernacht.
De gewone dagelijksche tafel is eenvoudig. Het ontbijt van het werkvolk van den landman bestaat uit karnemelk en brij en boterhammen van zwart roggen brood met kaas. Bij den ambachtsman heeft men in plaats van brij koffij. – Ook is het bij dezen in gebruik, dat een knecht of meid maar een boterham mag nemen maar hij of zij kan denzelven zoo dik snyden als begeerd wordt. Wit brood en beschuit vindt men, hoewel in geringe mate bij de hoofden des huisgezins. – Het middag en avond-eten is veelal hetzelfde. – Spek of vleesch worden tweemalen daags opgedischt. De toespyze bestaat uit verschillende keuken groenten die elkander, veelal, van den eenen maaltijd tot den andere, regelmatig afwisselen.
Bij het trouwen heeft weinig of geene plegtigheid plaats. De dorre artikels van de wet, waar mede de huwelyken thans voltrokken worden, zyn bekend. De kerkelijke inzegening wordt hier bijna niet gedaan. Het bruilofthouden is zoo goed als geheel afgeschaft.
Bij begravenissen heeft nog al vrij wat plegtigheid plaats. – Hoe aanzienlijker de overledene is geweest, des te grooter is de stoet van verzochte naastbestaanden en goede vrienden en vriendinnen, om het lyk naar het kerkhof te volgen. – De vrouwen hebben hierby een zwart kleed om het hoofd geslagen; – een overleden ongehuwd jongeling ligt blootshoofds in de kist; – eene kraamvrouw wordt onderhands op de bare gedragen, terwijl over het zwarte kleed dat de kist bedekt een witte streep linnen wordt gelegd. Nadat een lijk ter aarde is besteld, begeven de genoodigden zich naar het sterfhuis, waar de naastbestaanden zich ook reeds voor de begravenis hadden vereenigd. Hier doet de leeraar eene toepasselyke aanspraak. – Nu krygen de mannelyke gasten eene pyp en een borrel. – Intusschen is de tafel reeds van de noodige borden, messen enz. en bij ieder bord een paar stuivers tarwenbollen en de tafel van de noodige boter voorzien, en de gasten zetten zich voor en na aan den disch. – Doch daar dit zeer drentelende geschiedt, komt eindelyk de lee aanzegger, die de tafel bedient, en klopt met een fiks mes op dezelve, en zegt op een teemenden toon: “de vrienden gelijven zich an tafel te zetten” gezeten zynde zegt hij: “blyft doom nij ’t gebed te doun?”
Dit gedaan zynde vangt men aan te eten. – Men dient den gasten gemeenlijk voor; bij de geringe volksklasse rystenbry met suiker en witte brood; maar bij den gegoeden stand: rund- en kalfsvleesch, en ham benevens onderscheidene soorten van welbereide toespijzen. –
Waren de gasten door de aanspraak en het gebed aangedaan; – gaf eene leedige maag geene opgeruimdheid; heerschte er alzoo eene sombere stilte dit alles wordt tegen het einde van den maaltijd anders. Men wordt spraakzaam en komt in eene meer vrolijke gemoedsgesteldheid waaruit het nagebed, na den maaltyd, niet in staat is de gasten terug te brengen. Men verwijderd zich van tafel, begeeft zich in kleine kringen en zoekt naar den tyd van het jaar verstrooijing door een wandeling enz. en de opmerkzame aanschouwer kan niet meer zien, dat men eene dierbare ter aarde heeft besteld. Vervolgens wordt thee en hierna koffij opgezet en daarmede is de plegtigheid geeindigd. –
Onder de gewoonten van allerlei aard kan men brengen:
a.) Dat bij de geboorte van kinderen verscheidene vrouwen uit de buurt bijeen geroepen worden, en dat men na de bevalling terstond bollen laat bakken, die bij een goed gebruik van brandewijn en koffij worden geconsumeerd. Inplaats van bollen wordt bij de gegoede landlieden terstond gerookt spek en vleesch gekookt en men rigt een geheelen maaltyd aan. – Vervolgens wordt een goed gedeelte andere vrouwen genoodigd, om de kraamvrouw en de kleine te bezoeken. – Die hebben dan tyd om aan de uitnoodiging te voldoen, totdat de kraamvrouw haren uitgang heeft gedaan: d.i. tot dat zij weder naar de kerk is geweest. –
b.) Dat, ofschoon men in den herfst den voornaamsten slagttyd heeft om zynen voorraad van spek en vleesch optedoen, heeft men echter de gewoonte, om des zomers een of meer varkens te slagten, waarvan het zoogenaamde zultspek wordt gemaakt. In den voortyd van den herfst wordt een klein beest of jonge stier geslagt, zoodat het spek en vleesch niet verouderd op tafel komt.
c.) Op Midwinter, Pasche en Pinkster wordt op den derden dag niet gewerkt. – Bij de landlieden tracht men, om deze gewoonte weg te nemen.
d.) Het dienstjaar van knechten en meiden is hier des Zondags na den 12 November geeindigd. Verre weg het kleinste gedeelte des Zondags na den 12 Mei; doch in beide gevallen gaan zij acht dags daarna weder in hunne huur. Dit noemt men de vrije week. – Bij hun huisheer blijvende hebben zij die vrije week niet.
Wat hunne inborst betreft, deze is goed. – Zij houden doorgaans ieder mensch, met wien zij te doen hebben, voor goed, zoo lang hij niet bewyst slecht te zijn. – Stuursch- of onvriendelijkheid ontmoet men niet bij hen. – Men bemerkt weinig, dat iemand om zynen stand in de verkeering moet achterstaan, zoo hij slechts wellevend genoeg zy om, in gezelschap, zonder aanstoot, zich te gedragen.
Hunne denkwijze is liberaal. In de godsdienst zijn ze verdraagzaam. – In het staatkundige zijn ze hoogschattend van het thans gevestigde bestuur in ons land. – Over een gevallene denkt men niet zoo terugstootend als wel elders. – Kwaadspreken en achterklappen wordt byna van ieder gehaat of vermyd. – enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Wat de plaatselijke byzonderheden aangaat, daar toe kan men brengen:
a. Dat Warfum voor de reductie uit twee kerkdorpen schijnt te hebben bestaan. Immers blijkt uit een oud Kerke Staatboek, dat er in 1625 tusschen de Staten en de Gemeente eene overeenkomst is gesloten, waarbij de Gemeente aan het Klooster behoort hebbende tot de Warfumer Kerke-dienst zijn toegelaten. Dat er by de Kloosterkerk een afzonderlyk kerkhof bestaan heeft blykt thans nog bij het graven eener gracht aldaar. – Men vindt er een menigte van menschelyke geraamten, als of dezelve er opgestapeld zijn of boven elkander begraven. – Sommige lijken zijn er begraven geworden zonder kist; doch van boven bedekt met eene plank, die op vier paaltjes rust; – ook zonder kist of eenig hout; – ook geraamten in zwaar eiken kisten, van welke de bodems roostervormig zijn. Men vindt ze op verschillende diepten van 1½ tot 3 ellen. –
b. Dat de adelijke familie Sickinge op Warfum-borg met de adelijke familie op Luidema onder Uskwerd gezamenlijk het Collatie regt hebben uitgeoefend blykt uit het innemen van de rekening der kerk uit een oud Staatboek thans is het Patroon regt aan de Ommelanden.
c. Dat men van een Jonker, Jan Sickinge verhaalt, die in 1672 een der eersten zoude geweest zijn in het hernemen van Koevorden, waarvan de Zegeteekenen tot 1795 in de kerk hadden ten toon gehangen. – Dat dezelfde Jonkheer tot een duel zoude zijn uitgedaagd; doch dat hij op de reis derwaards door een daartoe omgekochten persoon verraderlyk zoude zijn doodgeschoten. – Op het berigt daarvan aan de moeder van den Jonker zoude zij slechts gezegd hebben: beter doode Jan, dan bloode Jan. –
d. Dat men onder de bijgeloovigheden en Spookverschyningen uit den ouden tyd kan bijbrengen: behalve de verhalen van op onderscheidene plaatsen juffers in het wit gekleed gezien te hebben, van welke nog een Stuk land zijnen naam draagt, n.l. de Witrokken, de twee volgende:
dat er op den weg tussen het Klooster en het dorp honden liepen, die men den naam van helhonden gaf, en die daar waren omdat het land valsch gemeten was; –
dat, wanneer iemand aan het Strand of op het wad een lijk vond, hetwelk geld bij zich had, en hem het geld ontnam, zonder het lijk op een kerkhof te doen begraven kon zoodaniglijk niet rusten, maar vervolgden den dief.
e. Eindelijk, dat er in de wierde, waarop het dorp is gebouwd, vroeger eene natuurlijke Springbron in de nabyheid van den toren zoude bestaan hebben.

De Schoolonderwyzer te Warffum

L.P. Römelingh.

Geschiedenis der School
te Warffum.

Het is mij onbekend, wanneer hier voor het eerst, eene School gesticht zij. – De aanleg van het dorp schynt oud te zijn dewijl hetzelve op eene hooge wierde is gebouwd. Dit aannemende is het waarschijnelyk, dat bij de algemeene invoering van het Christendom dit dorp niet zonder Priester zal zijn gebleven, welke in die tyden verpligt waren om onderwijs te geven niet alleen in de Godsdienst, maar ook, althans onder hun opzigt, onderwijs te doen geven in het lesen, schryven en kerkelijk gezang. Hiertoe gebruikten de Priesters hunne Kosters.
Het is niet denkelijk, dat men in de eerste tijden van het Christendom, afzonderlyke gebouwen voor scholen had. Immers heeft men daartoe tot op de geheugenis van thans nog levende menschen, op sommige plaatsen, den toren van het dorp gebruikt.
De Kosterij van dit dorp, waaraan de school verbonden is, schynt een oud gebouw te zijn, doch door gedurige vertimmering, vooral aan de school, heeft deze haar oud voorkomen verloren. –
Voor 1811 was de school slechts lang 6,5 – breed 5,33 – en hoog 2,63 ellen. – Naderhand werd dezelve onderscheidene keeren vergroot en gebragt:
1me op eene lengte van 10,5 – en eene hoogte van 3,45 ellen; –
2de verlengd en gebragt op 15,5 ellen en laatstelyk
3tie tot eene lengte van 19,57 ellen, zijnde de breedte van den eersten aanleg en de hoogte van de eerste vergrooting by de volgende verlengingen steeds behouden gebleven. In den laatsten toestand is de school in twee deelen met glazen schuif deuren afgescheiden. –
By deze vergrooting heeft men gezorgd, om de school zoo veel mogelyk van behoorlyke vensters te voorzien, waarin, om versche lucht aantebrengen tuimelramen zijn gemaakt; – tot verlichting der avondschool zijn er vier zoogenaamde Engelsche lampen; – de grond is met een houten vloer belegd, en is voorts de school van de vereischte tafels en banken voorzien en zijn er de noodige schoolmeubelen voorhanden.
Gelijk mij de stichting van het eerste schoolgebouw onbekend was, is hij mede niet doenelijk geweest, om de namen der onderwyzers op te geven, welke hier geweest zijn. – In oude Staatsboeken dezer Gemeente vindt men wel eens eenen Schoolmeester genoemd, doch eene volgreeks van dezelves kan met daaruit niet opmaken. – De vader van myn voorzaat is hier Schoolmeester geweest. Hij werd dat door zynen zoon opgevolgd. Deze in 1811 overleden zijnde werd de ondergeteekende zijn plaatsbekleeder en trad met den aanvang van 1812 in zijne betrekking.
Voor omtrent vyftig jaren werd deze school, volgens het getuigenis van oude lieden, bezocht, hoogstens, door veertig kinderen. Thans bedraagt het middelgetal pl. m. 150. Doch degeene, welke gedurende het jaar 1835 de School hoewel door sommigen zeer kort, hebben bezocht beloopt 223 t.w. 143 jongens en 80 meisjes.
De grondslag, welke bij het onderwijs wordt in achtgenomen gelegen in de algemeene en byzonder Schoolorde. – Gelijk den onderwyzeren daar geene bijzondere leerwijze wordt opgedrongen zoo wordt ook geene dier leerwijzen in deze school gevolgd. Echter worden onderscheidene werkjes van vroegeren en lateren tyd, over het onderwijs schrijvende met nut gebruikt en aangewend om hetzelve te verbeteren. –
Het spellen is hier nog in gebruik en worden daartoe de vier spelboekjes van Wester tot grondslag genomen, wordende tevens met en onder het spellen het lesen aanvankelyk geleerd.
Tot maatstaf van den leestoon wordt de spraak genomen d.i. men tracht de kinderen op denzelfden toon te doen lezen zoo als zij spreken. Hierdoor verstaat het kind zeer ligt wat het leest, en heeft men veeltyds maar alleen noodig om sommige woorden en zaken welke boven het bereik der kinderen liggen voor hen duidelijk te maken en op te helderen.
Bij het schryfonderwijs wordt zooveel mogelijk getracht, om den kinderen eene ongedwongene houding te doen aannemen zoowel in het voeren des pen als in die van het ligchaam. In het schoonschryven en in het maken van schriftelijke opstellen worden de kinderen beide onderwezen.
Bij het rekenen wordt minder gelet op het rekenen uit het hoofd dan op de lei. De onderwijsboeken dienen tevens voor leesboeken tot zoolang de kinderen de grootheden, en vooral hieronder de tiendeelige breuken, vaardig kunnen uitspreken.
Bij het zingen werden vroeger de Psalmen en Evangelische Gezangen gebruikt, en bij afwisseling wel eens een liedje. – In de uitgave der Schoolliederen van Hopkens en Glennt in de 2 en 3 stemmige zangstukjes van Glennt en Mulder heeft men zich hiermede uitsluitend bezig gehouden, en kunnen de kinderen thans al die liederen zingen. –
Het Geographisch en Taalkundig onderwijs geschiedt meest in het mondelinge voorzeggen hetwelk de kinderen op hunne schriften naschrijven. – Wenschelijk ware het, dat ieder kind een schryfboek had, om datgene, hetwelk zij op hun schrift hebben afgeschreven daarin in het nette over te schrijven – ook konden andere opstellen over de Natuurkunde en Geschiedenis in die boeken opgeschreven te worden. –

Warffum, den 29. December 1835


De Schoolonderwijzer

L.P. Römelingh.