Zoek op de website

Warfhuizen

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van onze woonplaats is Warfhuizen. Dit dorp was voor eenige jaren minder aanzienlyk dan thans; dewyl hetzelve door aanbouw van een aantal huizen langs de vaart op Ulrum merkelyk uitgebreider geworden is. Het ligt in de gedaante van een kruis; dewyl de weg en de vaart op Ulrum aan beide zyden bebouwd zyn en deze zich nagenoeg midden in het dorp, byna regthoekig doorsnyden. De weg loopt over twee hooge wierden, die in een noordelyke en zuidelyke rigting, omstreeks 200 nederl: ellen van elkander staan, en bovendien gescheiden werden door de vaart op Ulrum. De huizen op deze zuidelyk gelegen wierde staan op eenen kleinen afstand van de overige huizen verwyderd; zoo dat men uit de ligging van deze bebouwde wierde, bykans zoude vermoeden, dat het weleer een op zichzelf staand gehucht geweest ware. Dit vermoeden wordt zelfs tot eenige zekerheid opgevoerd, wanneer men daarby in aanmerking  neemt, dat deze bebouwde wierde eenen afzonderlyken naam draagt Burum namelyk; welken naam men nog dagelyks hoort bezigen, ter onderscheiding van de andere noordelyker gelegen wierde, waarop de kerk staat en welke, zoo als sommigen willen, weleer in het byzonder den naam zoude gedragen hebben van den nu  algemeenen naam Warfhuizen.
Uit deze onderscheidene benamingen van de, door ons beschrevene en waarop het dorp voor een groot gedeelte gelegen is, zoude men, naar het ons voorkomt, den naam Warfhuizen, niet geheel zonder grond kunnen afleiden. Immers het is bekend, dat de uitgang um, in Burum, oudtyds een oorspronkelyk woord
was en de beteekenis had van ons tegenwoordige heem; eene uitgang die niet vreemd is in meer andere benamingen van onze gewestelyke dorpen en welke uitgang in die benamingen dezelfde beteekenis heeft. Bu zal waarschijnlyk eene verkorting zyn van büürt; zoodat hieruit zoude kunnen volgen, dat Burum eene verouderden benaming is, welke thans naar onze wyze van uitdrukken Buurtheem zoude moeten geschreven worden; en dewyl deze wierde merkelyk lager is dan de andere, en dus in vergelyking met dezelven slechts voor een heem zoude kunnen doorgaan, zoo beschouwde men deze wierde mogelyk als heem, hetwelk in de buurt gelegen was, van de meer verhevene warf of werf, waarop de huizen stonden: - dien ten gevolge zoude Warfhuizen dan eene zamenstelling zyn, van huizen op den warf.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het voornaamste gehucht onder Warfhuizen is het aanzienlyke Den hoorn waarvan de meeste inwoners de Roomsche godsdienst toegedaan zyn. Voor deze hunne dienst staat hier eene kerk die misschien al de overige Roomsche kerken van dit gewest, in pracht en kostbaarheid zeer ver overtreft. De herkomst van dezen naam voort dit gehucht durven wij niet bepalen. Sommigen geven wel eens voor, dat het zynen naam ontleend hebbe van een, in de nabyheid dezes gehuchts gestaan hebbend klooster, hetwelk de naam zoude gedragen hebben van St. Maria op den Horn. Op de plaats, waar dit klooster gestaan heeft, vindt men thans twee boerderijën, die de naam van Vijen-Klooster dragen. Men is namelyk van gevoelen, dat de vrouwen van dit klooster, by deszelfs vernietiging, zich naar dit Den Hoorn zouden begeven hebben, ten einde in de nabyheid van de trekschuit op, en by den algemeenen rydweg naar Groningen te willen zyn; en dit zoude deze kloosterlingen genoopt hebben, om hier een kapel te stichten: uit dit een en ander wil men dan den oorsprong van een roomsche kerk en van den naam den Hoorn gezocht hebben. Anderen willen en misschien met meer gronds, dat dit klooster nimmer dien naam gedragen hebbe, en het eene benaming is, die van een ander vervallen klooster in deze provincie ontleend, welke keurig op dit klooster overgebragt is. Dit gehucht ligt omstreeks 2000 nederlandsche ellen van de kerk. Er behooren bovendien nog meer andere gehuchten en buurten tot onze kerkelyke gemeente, welke door dezelve van het zuid-oosten naar het zuid-westen, langs het Reidiep, als het ware omgeven is: - Onder  dezelve verdient Schouwer-Zyl, dat slechts voor het grootste gedeelte onder Warfhuizen behoort, wel het eerst genoemd te worden. Het is een groot gehucht, ligt op eenen afstand van 2300 nederlandsche ellen van den kerk en heeft eene byzondere school. Men vindt hier eene sluis, waardoor het overtollige water zich ontlasten moet. De byvoegde naam Schouwer, leidt men geredelijk af, van de buurt Schouwen, twee voorname boerderijen, met eenige kleine woningen, omstreeks 700 nederlandsche ellen ten westen van de sluis of Zyl gelegen. Wanneer men nog eenige schreden westwaarts gaat, langs den oever van het Reidiep, vindt men het huis de Roode haan. Hier is eene schouw op pont, bevordelyk voor de gemeenschap tusschen het Hunsingoo en tusschen het Westerkwartier. Eenige kleine woningen by langs den dyk, zyn met dit huis tot eene afzonderlyke buurt vereenigd, welke buurt van het genoemde huis zynen naam ontleend heeft. Dit gehucht zal nagenoeg 1000 nederlandsche ellen van de kerk gelegen zyn. Indien men zynen weg langs het Reitdiep, verder westwaarts vervolgt, komt men spoedig by eene aanzienlyke boerderij, in wier omtrek nog eenige kleine woningen staan welke met dezelve eene kleine
buurt uitmaken, die nagenoeg op denzelfden afstand van de kerk ligt, als de Roode Haan en den naam Barnegat draagt: eene benaming, wier oorsprong men, van wege de onmiddelyke ligging aan den dyk dezer buurt, genoegzaam kan opmaken. Immers berm eens dyks, bermsloot elders ook ringsloot genoemd, zyn woorden, die nog in gebruik zyn. Behalve deze gehuchten en buurten, die tot onze kerkelyke gemeente behooren, vindt men hier nog twee boerderijen die ieder hier eenen eigenen naam hebben: - de eene is van oudsher bekend onder den naam van Blaauwe-binhuis de andere onder dien van den huize ter Borg en Oude bosch. Deze laatste boerderij  verdient nog eene byzondere opmerking. Zy staat op eene hoogte van omstreeks 2 ½ Bunder lands in omtrek, welke hoogte bebouwd was met boomen, die door den tegenwoordigen eigenaar zyn afgehakt  en waardoor hy de boerdery, die toenmaals met lanen, wandeldreven en grachten omgeven was, van hare sieradiën ontbloot heeft. Men wil, dat op deze hoogte voormaals een burcht gestaan hebbe.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is geen duf- of duifsteen aan onze kerk en het opschrift op onze torenklok, was voor ons onleesbaar.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Onze kerkelyke gemeente breidt zich onmiddelyk tot aan het Reidiep uit, en daar deze rivier derhalve onze zuidelyke grens uitmaakt, zoo zoude men dezelve kunnen aanmerken als eene rivier, ook mede tot onze gemeente behoorende. Hare loop en ontwatering is genoegzaam bekend. Nadat zy eerst in eene byna noordelyke strekking van Groningen stroomt, maakt zy daarna by Welsinge eene kromming naar het zuiden en loopt in die rigting voorby onze gemeente tot de plaats harer uitwatering. Het Ulrumer-diep of de vaart van Ulrum op Mensingeweer loopt van het westen naar het oosten door Warfhuizen. Een kwartier uurs ten westen van Mensingeweer vereenigt zich met deze vaart eene andere, waarin verscheidene maren zamenvloeijen, die het water van Pieterburen, Westernieuwland, Kloosterburen enz afvoeren. Zy loopt van het westen naar het oosten door het gehucht den Hoorn, kromt zich vervolgens naar het zuiden en loopt in die rigting voort tot haar vereenigingspunt. - Zoo wordt derhalve door verschillende maren en kanalen, die meestal hunnen naam ontleenen van de dorpen langs welke zy vloeijen, het overtollige water van de Marne in het Ulrumerdiep gevoerd; terwijl men eindelyk ten oosten van  Warfhuizen het zoogenaamde Zyldiep vindt, langs hetwelk dit water afloopt naar en door de Schouwerzyl.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Men vindt in den omtrek van ons dorp geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene andere aanmerkelyke hoogten zyn ons bekend, dan de warf waarop de kerk staat en de zuidelyker gelegen wierden waarvan wy hiervoor reeds gewaagden, als bekend zynde onder den naam Bürüm en wier  beider hoogte wy reeds vroeger op verzoek der Commissie opgaven. De eerste zal meer of min eenen vierkanten inhoud van 2 ½ bunder en de laatste van 1 ½ bunder beslaan. Andere kleinere hoogten, waarop afzonderlyke huizen gebouwd zyn, vertrouwen wy, zullen geene opmerking behoeven. Dyken heeft men in den omvang onzes dorps niet. -

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken zullen weinig verschillen van die der overige dorpen in dit gewest. Goede paarden, en koeijen, van welke laatste eene aanzienlyke party naar Holland worden vervoerd, schapen met zeer bruikbare wol, eenden en hoenderen worden hier door den landman aangehouden; de bijenteelt is hier zeer gering. Van de graangewassen mag men stellen, dat hier haver, gerst, boonen, raapzaad, aardappelen en gele erwten het meest; en rogge en tarwe minder verbouwd worden. Het delfstoffelyke ryk levert hier niets aanmerkingwaardigs op.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten noorden van de kerk, naar de zyde van den Hoorn, heeft men eenen zandachtigen kleigrond en zuidwaarts naar Tuindyk is het zwaardere klei. Nagenoeg een tweede el dieper treft men wit- en op sommige plaatsen blaauw zand aan: in andere streken weder vindt men eene zekere soort van aarde, die men hier roodoorn noemt.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Het aanzienlykst gedeelte onzer ingezetenen zyn landbouwers; een bedryf, dat de beoefening van verschillende kunsten en wetenschappen niet eigenlyk behoeft. Men zoude hun echter grootelyks onregt doen, wanneer men hun allen smaak voor lezen en onderzoeken zoude willen ontzeggen. Werken van eenen godsdienstigen en zedekundigen inhoud, worden daarom door velen met belangstelling ter hand genomen; terwijl men zich overigens het meest bevlytigt op de praktische uitoefeningen van zynen stand.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier geene Fabryken of Trafyken. De handwerken, die hier gedreven worden, zyn allen van dien aard, dat zy alleen bepaald blyven, voor de behoeften van onze gemeente; als daar zyn smeden, timmerlieden, schoenmakers, kleermakers, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid in ons dorp is misschien minder gezond dan in die dorpen, welke dieper landwaarts inliggen. Somtyds en vooral by warme zomerdagen is de luchtgesteldheid door de nabyheid der zee, der gezondheid zeer nadeelig. De dampen, welke uit de zee opryzen stryken hier tegen den avond in het warme saizoen over den grond en veroorzaken koude avonden na heete dagen. Deze schielyke afwisseling van warmte en koude belet veeltyds de noodzakelyke uitwazeming, waardoor hier veel verkoudheid en zware koortsen ontstaan.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Wy hebben ééne kerk en ééne school. De kerk is in eenen goeden staat en groot genoeg voor de gemeente; de school is echter te klein en bovendien zeer ongezond. Zy is op dezelfde wierde als de kerk gebouwd; doch op eene mindere verhevenheid: by regenachtig weder stroomt het water van deze hoogte af en vindt eenen gereede wykplaats in de school, zoodat de vloer bestendig vochtig en somwylen zelfs zeer waterachtig is. Hoe wenschelyk ware derhalve, dat er maatregelen genomen werden, om dit water naar elders
af te voeren! Ook bestaat hier eene leesgezelschap.-

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De landbouw en de veeteelt zyn hier de voornaamste middelen van bestaan en verschaffen veler handen werk. Hier treft men dus wel eenen aanzienlyken boerenstand; doch ook vele schamele daglooners aan, die voor  het meerderdeel hun onderhoud by den landman moeten zoeken. Overigens maken de koop- en handwerkslieden hier eene welgezetene burgerij uit.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal wykt natuurlyk in vele opzigten van de zuivere nederlandsche- af, en hun tongval mist bovendien die kiescheid en dien welluidenden zwaai, welke den hollandschen zoo oorspronkelyk eigen is en zoo voordeelig kenmerkt. Hier komt nog bij dat hunne taal zeer arm is, waardoor dezelfde woorden in hunne uitdrukkingen verschillende beteekenissen moeten erlangen, en welke beteekenissen somwylen ver afwyken van die welke de woorden oorspronkelyk eigen zyn. Van dien aard zyn, om ons gezegde met een enkel voorbeeld te staven, de by ons zoo menigvuldig gehoord wordende byvoegelyke naamwoorden laf (laffelyk) en dol (van roeijsen). Het eerste heeft somtyds de echte beteekenis, namelyk van ongezouten; doch ook gebruikt men het voor onkundig: - Wat is die man nog laf, is hetzelfde als, Wat is hy nog  onkundig. – Dol, gaat hier veeltyds door onder de beteekenis van boos, kwaadaardig; doch ook beteekent het zot; en somwylen zelfs wonderlyk, afwykende van eens anders gevoelen, denk- of handelwyzen. Men ziet dit in deze voorbeelden: - Wat was die jonge dol, geeft te kennen, Wat was die jongen boos, nydig of kwaadaardig: - een dolle manspraat, zegt hetzelfde, als een zotte mans gesprek en wat was dat een dolle vent, (jongen) wat was dat een wonderlyke jongen. – Ook bol en stief (styf) zyn woorden, die dagelyks in gebruik zyn en ieder van elkander afwykende beteekenissen hebben. Nu eens gebruikt men bot voor lomponbezonnen enz. b:v: de botte (lompe of onbezonnene) jongen; en dan wederom duidt het eene vergrooting of verhooging van lyden aan: b:v: - hy slaat my zoo bot, voor: hy slaat my zoo zeer, zoo gevoelig. Het woord stief (gebruikelyk in verstyven) wordt byna nimmer in deszelfs gebezigd, maar steeds genomen,  voor: zeer naby. - Stief aan den dyk is hetzelfde, als zeer naby den dyk. - Iesselk (yselyk van ijzen) wordt hier dikwerf als een bywoord gebezigd; ten einde een byvoegelyk naamwoord nader te bepalen en deszelfs eigenschap te verterken; Zoo hoort men wel iesselk mooi, een iesselk best peerd: hoezeer beantwoordt het bywoord hier dus aan deszelfs doel. – Laat ons nu overgaan om het afwykende van den spelling hunner platte taal van de algemeen aangenomene, in eenigen aan te wyzen en laat ons daartoe eenen aanvang maken met de vokalen. - Het is nauwelyks der opmerking waardig, dat men in de dagelyksche volkstaal, de ij byna nimmer hoort; maar dezelve steeds als een dubbele ii en derhalve mijn als miin uitspreekt; en dat voorts de lange a, in dagen, jaren, enz. iets naar den klank der o zweemt; dewyl al onze gewestelyke dorpen dit met elkander gemeen hebben: doch wy meenen hier inzonderheid te moeten doen opmerken, als een gebruik en de uitspraak, aan onzen oord in het byzonder eigen, dat men ook in het lezen zelfs, van die woorden, welke met een y worden geschreven, steeds den tweeklank ei hoort en men niet anders dan met zeer vele moeite aan de ij haren regten klank kan geven. Dezen tweeklank ei, hoort hier ook en de uitspraak van vele
woorden, die de scherp lange ee hebben: - meenen spreekt men als meinen, heten als heiten uit. Voorts heeft er in de uitspraak der tweeklanken zeer veel afwykends plaats: - ee als aai spreekt men beide als ai; oe en de drieklank oei als ou; ui als oe; ie en ieu als ei, au en aau als oou; eeu als iu en  ou als ol uit. - Laat ons ten bewyze van het eene en andere beproeven, of wy dit door een enkel voorbeeld nader kunnen doen blyken.
In ’t jeudse land wassen olteids en ook nou nog verschaiden boze deiven, dei deur heur woudt, de vrumdelingen het deurtekken haeil onvailig maakten; want nei zol neit schrikken veur beren en liuwwen en andere verscheurende beisten? foi. ‘K wil mi leiver in mien oord hollen en laten ‘t raizen na.
De verwantschapte medeklinkers welke wy nu in overweging dienen te nemen, zullen ons echter niet lang bezig houden; dewyl de b en p, de d en t en de z en s, in het begin eener lettergroep althans, hare  volkomen zachtheid of scherpte in de uitspraak erlangen welke de woorden en derzelver zuiverheid  vereischen. De g wordt in dit geval tevens zacht uitgesproken; terwyl men de ch in het begin eens woords nimmer hoort. Ook de v en f worden hier meestal in de uitspraak naar behooren onderscheiden; echter  bekomt de v nimmer die zachtheid en de f die scherpte, welke haar oorspronkelyk eigen zyn. Deze aanmerking geldt insgelyks ten opzigte der overige zachte medeklinkers, aan het einde eener lettergreep; doch ten opzigte der scherpe – is de uitspraak meer zuiver.
Andere medeklinkers kunnen wy byna met stilzwygen voorbygaan. De h en j worden steeds ter regter tyde gehoord; doch de w verzwygt men regelmatig, wanneer dezelve, overeenkomstig de ruwere uitspraak zoude gehoord moeten worden: nieuw, spreke men als nei, nouw als nou uit.
Nopens de onderlinge verwisseling van eenige andere letters zoo klinkers als medeklinkers, nopens\ derzelver verdubbeling in het midden der woorden, en nopens het inlasschen en weglaten eener letter in sommige woorden, zouden natuurlyk vele schoone opmerkingen kunnen vullen; doch wy zullen ons der kortheid moeten bevlytigen en willen daarom liever het eene en andere daarvan in een voorbeeld trachten zamen te trekken.
‘K heb guster na mart west, om peren (paarden) en koijen te koopen; maar ’t was er alles zoo duur, dat ‘k  onverrigter zake weer na hoes mos. ‘K mout anders absluut nog en peert hebben; ‘k weit ans neit hou wi ’t wark daan krigen zellen; wi zetten er an de hals tou in (ien). Vrou klaagt ook iesselk over de melkerei; zei wol zoo geern, vrou melk kou hebben; maar is gein betalen an; t’ mout er maar zoo wat lans.
Ons blyft nog overig om de wyze van verbuiging der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden in de platte taal van onzen oord, na te gaan. Het lidwoord het wordt byna altyd by verkorting gebezigd; ’t is wel, ’t weer is mooi, enz. en het wordt in het meervoud in de veranderd. Wanneer een in een naamwoord geëischt wordt, kan men hetzelve in de uitspraak naauwelyks hooren. Overigens ondergaan de lidwoorden in de verschillende gevallen voorkomende geene verandering. Even eens is het met de byvoegelyke naamwoorden, die in de verbuiging nimmer de n achter zich bekomen; doch ontvangen de e wanneer dezelve overeenkomstig de regelen onzer  nederlandsche spraakkunst geeischt wordt: - Zoo hoort men derhalve een goud (goed) man en de goude man. De verandering, die de voornaamwoorden in de onderscheidene naamvallen ondergaan, zullen wy door de navolgende voorbeelden van verbuiging in de persoonlyke doen zien.

1ste persoon enk: ik, miins, mi (minent) en mi
1ste persoon; meerv: wi, van ons, aan ons (onzent) en ons
2de pers. enk: doe (du), van di, aan di en di
2de pers. meerv: ie, van joe, aan joe en joe
3de pers. enk: hei, van hom, aan hom en hom
3de pers. meerv: zei, van heur, aan heur en heur

Hier dient nog opgemerkt te worden, dat men ook van den tweeden persoon in het meervoud gebruik maakt, wanneer men slechts tegen eenen enkelen persoon spreekt, indien men dezen wegens jaren, rang  of stand, eenen meerderen eerbied moet bewyzen. Wy willen nu nog een enkel werkwoord ter vervoeging voorstellen, ten einde ook de veranderingen te doen blyken, die de werkwoorden in de dagelyksche volkstaal, in de onderscheidene tyden en by onderscheidene personen gevoegd, ondergaan.

Tegenwoordige tyd: Ik leer, doe leerst, hei leert, wi leeren, ii leeren, zei leeren.
Onvolm. verl. tyd: Ik leerde, doe leerste, hei leerde, wi leerden, ii leerden, zei leerden.
Volm. verl. tyd: Ik heb leert, doe hest leert, hei het leert, wi hebben leert, ii hebben en zei hebben leert.
Meer dan volm. verl. tyd: Ik had, doe hast, hei hat, wi hadden, ii hadden en zei hadden leert.
1ste toek. tyd: Ik zel, doe zelt, hei zel, wi zellen, wi zellen, ii zellen en zei zellen leeren.
2de toek. tyd: Ik zol, doe zolt, hei zolt, wi zollen, ii zollen en zei zollen leeren.

Indien wanneer men zich in den zoogenaamde vragende woordschikking uitdrukt, en dus het werkwoord den persoon voor op gaat, voegt men achter hetzelve den uitgang er, men verdubbelt tevens den wortel medeklinker en verzwygt het voornaamwoord van den derden persoon: b.v.: hetter (heeft hy) by u geweest? Kenner (kan hy) die wel? enz.
Indien men onze gewestelyke taal verder naging, dan zoude men in dezelve zonder twijfel vele sporen van regelmatigheid zoowel in de spelling als inzonderheid ook in de verbuiging en vervoeging en daarby zeer  veel eigens en oorspronkelyks aantreffen. Zelfs zoude men een aantal oorspronkelyke woorden vinden en daaronder vooral eene menigte benamingen van werktuigen en andere voorwerpen by de uitoefening van verschillende provinciale bedryven gebruikelyk, wier echte betekenis ieder inwoner van dit gewest behoorde te kennen. Andere afgeleide en thans in den schryfstyl nog gebruikelyke woorden, wier ware betekenis eenigzins onzeker is, zouden daardoor nader aan het licht worden gebragt en hunnen oorsprong en eigenlyken herkomst wedervinden. Laat ons by de beschouwing van onzen grond, toch ook de taal, die  op denzelven gesproken wordt, niet geheel voorby zien.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

. Zucht tot werkzaamheid zal men den inwoneren onzer kerkelyke gemeente wel niet kunnen ontzeggen. Trouwens, in den zomer begeeft het landvolk zich des morgens reeds te drie uren aan den arbeid en het is den geheelen dag tot den avond te zes uren, byna onophoudelyk in hun bedryf bezig, alleen des morgens te half acht – en des middags te twaalf uur, de gewone en algemene etenstijden by ons, een weinig verpoozende: en ofschoon hetzelve in den winter een paar uren later met den arbeid eenen aanvang maakt en denzelven des avonds een uur vroeger staakt, zoo ontziet men echter de nypende koude niet, om ook de pligten van den winterschen dag naar waarde te vervullen. De burgerij en de handwerkslieden deelen mede in de nijverheid van den werkzamen landman; met dat onderscheid echter; dat deze den morgen een paar uren later begroeten en des avonds hunnen arbeid eenen, zoo veel langeren tyd voortzetten:- zoo kunnen dus beide, na vermoeijende vlyt, des avonds te negen uren, genoegelyk op hunne sponden uitrusten. Niemand weigere onzen ingezeten den naam van gulle gastvrijheid en betamelyke vrolykheid, by matig-
heid in huiselyke beschikkingen. Niet op kostbare en uitputtende maaltyden vergast men elkander hier; maar door het genot van een kopje koffij, een pyp tabak en een zoet praatje vervrolykt men elkander de  lange avonden, by het knetterende vuur in den winter. Zelfs by huwelyks-verbintenissen, blyft deze betamelyke vrolykheid bewaard. Groote en noodelooze kosten worden bij die gelegenheid zorgvuldig gemyd en zeldzaam treft men een voorbeeld aan, dat zich iemand door onmatige zwelgerij tot het dierlyke verlaagt; dewyl zy weten, dat een aanéénschakeling van orde en goed overleg in het begin, den besten invloed heeft op al hunne zaken voor het vervolg. Deze gansche plegtigheid is meestal vanaf vier uren in den na den middag tot den avond te negen uren besloten. Men noeme vrij, enz. ingezetenen medelydend en gevoelig onder leed en druk. By den dood van eenen vriend of verwant, deelt men in de droefheid der nabestaanden en de gansche buurt vereenigt zich om den afgestorvenen eenen statigen uitvaart te bezorgen. Het lyk, op eenen houten draagbaar gelegd, wordt twee malen met eenen langzamen tred om de kerk gedragen; terwyl bloedverwanten, vrienden en buren de lykbaar onmiddelyk volgen. Voorts vertoeft men onder het aanhoudende gebrom der klok, zoo lang tot het lyk in de kuil gezet en geheel bedolven is; eindelyk besluit men deze plegtigheid met eenen eenvoudigen en onkostbaren maaltyd, bestaande in rystenbrij en witte brood, welke maaltyd met een,
naar tydsgelegenheid gepast gebed, begonnen en besloten wordt. Verre van wulpschheid of losbandigheid, zyn zy veeleer hoogschatters van de godsdienst, die zy belyden; zyn getrouw in de onderlinge, openbare bijëenkomsten en maken een vlijtig gebruik van des leeraars afzonderlyke chatechisatiën. Men zegge niet, dat het karakter der ingezetenen te ernstig geteekend, te sterk gekleurd is. Wel is waar dat by eenigen zoowel hier als elders, de weelde, verkwisting, vooral winderige pracht en weidsche tooi, den plaats hebben ingenomen, van de oude eenvoudigheid, matigheid en deftigheid; wat echter het meerderdeel der ingezetenen betreft; van hen zeggen wy niet te veel, op hen voegt het, door ons geteekende karakter volkomen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Reeds vroeger merkten wy aan, dat op de plaats, waar thans de boerderij het Oude Bosch staat, volgens sommiger meening een burgt gestaan heeft. Trouwens, dit maakt men op, uit het groote en welaangelegde bosch, waarmede deze boerderij, nog voor tien jaren versierd was waarvan wy ter dier plaatse mede gewag maakten. De naam van den Huize ter Borg, zoo als dezelve in vele oude stukken voorkomt en nog, by het dykregt althans, in gebruik is, ondersteunt dit gevoelen zeer. Voorts schryft men dezer plaatse eenige regten toe, die voormaals op dezelve rustten en thans nog zyn derzelver landeryën vry van het onderhoud der sluis en der dyken, waarmede hier andere landerijen bezwaard zyn. Niemand echter konde ons nopens dezen vermoedelijken burgt eenige onderrigting, of nopens den tyd van deszelfs vernietiging eenige bepaling geven. Van den burgt Luilema, den een weinig ten Zuiden van ons dorp gestaan heeft, durven wy echter met meerdere zekerheid gewagen. Dit buitengoed was eene reeks van jaren het eigendom van den aanzienlyken huizen in geslachte van Asbeck, van hetwelk men hier nog somswylen met veel achting  gewaagt. Bezienswaardig is het wapen van dit huis, dat nog in onze kerk ten toon hangt en waaruit men het aanzien dezes geslachts kan opmaken. Na den dood van den laatsten telg dezes huizes, werd dit aanzienlyk goed ten eigendom van eenen Gelderschen heer Grootenhuis, die hetzelve slechts vyf jaren bewoonde. In den jare 1823 is deze burgt gesloopt en door eene aanzienlyke boerderij vervangen. Een weinig verder oostelyk dan de burgt Luilema, onmiddelyk aan het Zyldiep treft men nog de ruinen aan van een in den jare 1825 afgesleten huis, in welke bouworde men het vernuft en den byzonderen smaak des eigenaars met volkomen regt bewonderde. Mogelyk zal men reeds vermoeden, dat wy de nederige stulp van den nu zaligen Hoogleeraar Uilkens bedoelen, die eenmaal in hoedanigheid van Schoolopziener; ook Gronings Comissie van Onderwys, tot eenen byzonderen luister verstrekte. – Het was hier te Warfhuizen, dat de groote man in stille eenzaamheid en afgezonderd van het gewoel der wereld, zyne
laatste levensdagen doorbragt; - waar hy het verlies van zynen dierbaarste betrekkingen met heete tranen beweende; - waar hy met de hevigste aanvallen van eene alles kwaads voorspellende hoest en van uitterende koortsen worstelde! Het was hier, waar hy deze mengeling van lyden met stille gelatenheid droeg en waar hy eindelyk op den 30 mei 1825 in den ouderdom van 33 jaren bezweek! -


Wij eindigen onze beantwoording der opgegevene vragen van de Commissie van Onderwys, met den wensch, dat ook onze bydrage bevordelyk moge zyn, tot het voorgestelde doel, om namelyk de kennis van deze provincie, inzonderheid onder de Schoolonderwyzers uit te breiden, ten einde de provinciale jeugd in de kennis van haren grond, naar derzelver behoeften te kunnen onderwyzen. Wy gevoelen het; gering, onvolkomen en allezins oppervlakkig zullen, althans sommige onzer antwoorden, moeten uitvallen; echter zal deze onzen bydrage genoegzame blijken dragen van onzen yver en van onzen goeden wil, om aan het verzoek der Commissie te voldoen; en dat zal ons een zoete beloning zyn.

Warfhuizen,
Octob 1828

P.B. Roelfsema.

Bijdrage tot onze beantwoording der vragen van de Commissie van Onderwijs voor de Provincie Groningen van den 10 Juny 1828

Wy hebben in onze beäntwoording der vragen van de Commissie van onderwijs vergeten, gewag te maken van Baltasar Bekker, die, naar het gevoelen van sommigen, te Warfhuizen, doch naar anderer gevoelen in Vriesland geboren is. Hy, die echter zijne uitgegevene schriften leest, of heeft gelezen, stelt belang in den man, die zoo veel toegebragt heeft om het dwaze geloof aan duivels kunstenarijen uit te roeijen en de toenmaals heerschende denkwijze nopens deze werkingen der geesten in het algemeen met kracht heeft bestreden en over de wijze de werkingen een echt christelyk licht heeft verspreid. Het was derhalve van ons te verwachten dat wij in onze genoemde beäntwoording zijner hadden gedacht; te meer, dewyl wij door de nadere bepaling der zeventiende vraag op de geboorte van groote mannen opmerkzaam gemaakt zyn. Wy zullen echter deze onze veronachtzaming, door de inzending van deze bydrage trachten te verbeteren.

Wy dachten vooreerst niets beters te kunnen doen dan om het verschil van gevoelen, nopens de eigenlijke plaats zijner geboorte uit den weg te ruimen; en wij hoopten deswege genoegzaam onderrigt te zullen worden door eene oude dooplijst van Warfhuizen, welke bij Sijnsdaal Besluit den 1 November 1633 aangelegd is. DoAdolphus Sibiliüs Elberfolenzis Montamu en welke dooplijst het Burgerlijk Bestuur der gemeente Leens ons wel voor eene wyle tijds heeft gelieven af te staan; doch wij zochten daarin den naam van Baltasar Bekker te vergeefs. Dit deed bij ons natuurlyk het vermoeden ontstaan, of men de plaats zyner geboorte ook elders te zoeken had en men die in Vries zoude moeten vinden; dewijl dit verschil in gevoelen alleen tusschen Warfhuizen en de Provincie Vriesland verdeeld is.

Wy vonden in zijne uitlegging van den profeet Daniël, de beeldtenis van den waardigen man, en het duidelijke en fraaije onderschrift, waarmede de afbeelding prijkt, bleek het ons duidelyk, dat hij Metslawier in Vriesland en wel den 10/20 Maart 1634 geboren is, alwaar zyn vader destyds misschien predikant was. (1)(Zie aanteekening 1).
Zoodanige ontdekking was onzes inziens genoegzaam om de eer van den grooten Bekker in den schoot gedragen te hebben aan de Provincie Vriesland af te staan.
Het is intusschen niet moeijelijk te gissen van waar het gevoelen ontstaan is, dat men de geboorteplaats van Bekker te Warfhuizen zoude moeten zoeken. Immers zijn vader Henricus Becker bediende deze gemeente in hoedanigheid van predikant, van den 1 November 1616 tot 1675. Het bleek ons uit eene naamlyst, waarin men de namen der leken vindt opgeteekend, en welke lijst het Burgerlijke Bestuur ons insgelijks ter inzage verleende, dat deze Henricus Becker, welke in Westphalen geboren is, in Vriesland predikant was, toen hy de beroeping van de gemeente Warfhuizen ontving. Trouwens, in Vriesland werd hem het instrument dezer beroeping gebragt en van den Classis van Dokkum verzocht en verkreeg hij zijn ontslag, om tot zijne nieuwe gemeente te kunnen overgaan. Opmerkenswaardig is de nauwkeurige aanteekening, die men in de genoemde naamlyst ten opzigte van deze beroeping aantreft. (Zie aant. 2).

(1) Wy hebben dit onderschrift naauwkeurig afgeschreven dit ons afschrift, by wyze van aanteekening achter deze bydrage gevoegd, gelyk wy met andere bescheiden, die wy hier of elders aantroffen insgelijks gedaan hebben en waarnaar wij ook in het vervolg, wanneer het voegt, zullen verwijzen.

De Heer N.G. van Kampen geeft ons in zijne geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden een eenigzins uitvoerig verslag van Baltasar Bekker; doch geeft in dit werk ook Warfhuizen als de plaats zijner geboorte op. Misschien was het den Heer van Kampen bekend of het konde hem althans bekend zyn dat Henricus Becker eene reeks van jaren te Warfhuizen predikant geweest is en dit is mogelyk de oorzaak, dat hij dezen geschiedkundigen misslag heeft begaan.
Baltasar Bekker mogt zich derhalve zeer vele jaren in het bezit van zijnen vader verblyden; maar zijne moeder schynt hy reeds vroeg verloren te hebben; want den jare 1648 den 7 junij trad zijn vader in het tweede huwelijk met Maria van Eijck, blykens eene oude trouwlyst, welker inzage wy mede aan de bereidwilligheid van ons Burgerlijke Bestuur te danken hebben. (Zie aant. 3).
Uit dit tweede huwelijk van zijnen vader ontsproten nog twee kinderen: - een zoon Joannes Becker en eene dochter Anna Maria; doch van welke ons verder geene bijzonderheden zyn voorgekomen. (Zie aant. 4).
Door deze trouw-lyst werden wij echter niet onderrigt, wanneer en met wie hy gehuwd is; zooals wy eerst van zijnen vader, naderhand van zijne broeder Andreas Becker en eindelyk ook van zyne zuster Elizabeth Becker vonden aangeteekend. (Zie aant. 5).
Het bleek ons intusschen uit eene opdragt aan twee zijner aangehuwde broeders te vinden in zyn werk Betooverde Wereld, dat hy zich in de jare 1667 in den echt begaf met Frauk Tullenia; en in den jare 1691 was hij vader van drie kinderen van welke één J.H. Bekker genoemd, B.F.S.S. Th. etc. Math. St. te Amsterdam is geworden. Deze Frauk Tullenia is een dochter van wijlen den Heer Bernhardus Tulleniüs in der tyd professor Mathematicus aan den Hoogen School te Franeker en juffr. Ebel van Hinkema, die in den jare 1671, veertien jaren na den dood van haren man, overleed. Deze zyne behuwd-ouders lieten, behalve zyne vrouw, drie zonen na, van welk de oudste zynen vader in de waardigheid van Hoogleraar opvolgde, terwyl zyne betrekking, namelijk die van Burgermeester en Raad der Stad Franeker, welke ambt hierdoor opengevallen was, nu door den jongsten zoon Franciscus Tullenius vervuld werd. Selhus Tullenius, de middelste, was inmiddels te Riedt, de tweede plaats zyner kerkelyke bediening overleden.
Deze aanzienlijke familie, welke hy zich door den echt verwierf, heeft misschien eene gunstigen invloed op zyne volgende bevordering gehad en dezelve heeft hem misschien, zoo veel de omstandigheden gedoogden, beveiligd voor die gevaarlyke aanslagen, waarmede men hem reeds in de eerste jaren van zyne bediening dreigde; en die hem aan het einde van zijn leven, maar al te zeer getroffen hebben. Hy geeft dit in de genoemde opdragt niet onduidelyk te kennen, door aan te merken, dat er Tulleniüssen getrouwheid, aan het algemeen en vooral aan hem, by voorkomende omstandigheden zoo ondubbelzinnig was gebleken.
Intusschen hebben wij ons misschien te lang bezig gehouden met het onderzoek naar zijne geboorteplaats en naar deze zyne familie-betrekkingen, waaruit wy bijna niets konden afleiden en besluiten, dat eenig licht verspreid over vorming zyns karakters, zoo als zich hetzelve in zyne gevorderde jaren inzonderheid in zyne geschriften aan ons voordoet. Laat ons nu den loop zyner studiën gadeslaan, hem in zyne bevordering van stap tot stap volgen en zyne uitgegevene schriften met belangstelling in zien ten einde te beproeven of wy nog iets meer van hem kunnen vernemen.

Wy mogen derhalve uit het eene en andere vrijelyk besluiten, dat hy zijnen kindischheid te Metslawier in Vriesland en zyne jongelings jaren te Warfhuizen heeft doorgebragt. Dat zyn vader hem in den ouderdom van 16 jaren reeds waardig keurde, om mede deel te nemen aan de plegtigheid van het heilige Avondmaal, is gewis een bewijs van zyn deugdzaam gedrag, waardoor wy by voorkeur een gunstig denkbeeld van hem opvatten. (Zie aant. 6).

Om zich tot de waardigheid van Evangelë dienaar voor te bereiden, oefende hy zich te Groningen in de Letteren; althans hij gewaagt met zeer veel lof van den Heer Abling, destyds Hoogleeraar aan de Hooge School te dier stede, aan wien hy, volgens zyne eigene betuiging zyne kennis in de herbreeuwsche taal te danken had; welke kennis hem naderhand in de uitlegging van den oorspronkelijken tekst der gewijde schriften zoo uitnemend te stade kwam.
Het schynt echter dat hy zyne studiëen aan den Hoogen School te Franeker volbragt heeft; want het was hier dat hy zich verpligt had om de ware leer der Gereformeerde kerk, zoo bij monde als in geschrifte daar het voegde voor te staan en te verdedigen. Ook erkende hy zyne verpligtingen die hy had aan den Hoogleeraar Tullenius, wier dochter hy na deszelfs dood ter vrouwen nam. Van dezen had hij een grondig onderrigt in de Meet- en Telkunst ontvangen.
Dat Mathesis schynt vanwege dit onderrigt, eener zyner geliefskoosde studiën te zyn geworden; want de Heer J. van der Waaijen in der tyd professor te Franeker, digt hem onder anderen aan, dat hy het daarhenen zocht te brengen om ieder te doen gelooven dat er geene andere ware wysheid dan de Mathesis was. Ook zynen orde van denken in zoo ver zich die uitdrukt in zynen stijl, bevestigt dit vermoeden.
Toen hy de jaren zyner studiën aan Vrieslands Hooge School geeindigd had, was hy volgens het verslag van den Heer van Kampen, in deszelfs Beknopte Letterk. geschiedenis voorkomende: - “Eerst eenen tydlang Rector der Latynsche scholen en bekwam in 1657 een beroep te Ooster-littens in Vriesland. Hier betoonde hy zich zeer ijverig in zyne dienst, zoowel in leerredenen als in het onderwys der jeugd en beschaamde daardoor sommige zyner ambts-broeders, die dan ook de gelegenheid niet verzuimden hem van ketterij te beschuldigen.”
Het was omtrent dezen tyd, dat hy het werkje schreef:
Voedsel tot Geesteliken Wasdom voor de eerste jonkheid der Gereformeerde Nederlandsche Kerke, bestaande in Vragen en Antwoorden, bequaam om in de scholen der Gereformeerde en alle Christelyke Huishoudingen gebruikt te werden. Uit den inhoud van dit boek, meende men inzonderheid redenen ter zyner beschuldiging te kunnen vinden.
Het eene en andere belette evenwel niet, dat men zyne verdiensten erkende; waarom de Senaat van Vrieslands Hooge School hem in den jare 1665 uit naam van de Hooge Overheid dier Provincie, verhief tot Dokter in de Godgeleerdheid; doch hy moest zich by die gelegenheid door den eed verplichten om “de Edele Mogende Staten van Vriesland, Vaaderen des Vaaderlands, derzelver, Academie, en eedele queekhof voor kerk en gemeenebest: de aansienlyk ordre der Professoren, die hem die weerdigheid heeft toegekend, voor so groote verdiensten en weldaade tot alle tyd, en waar het soude mogen sijn, behoorlyke dankbaarheid en schuldige eerbiedigheid te sullen doen blyken”. - In het volgende jaar beriep men hem hier als predikant.
In het werk, de Friesche Godgeleerdheid, of Vaste Spijzen der Volmaakten, over de Catechismus in Vriesland uitgegeven, en ’t gene daar afgeoordeeld en daar over voorgevallen is, hetwelk hy omtrent dezen tyd schynt geschreven te hebben, volgde hy onwetende en derhalve by toeval, op twee plaatsen den styl van Coccejus, en nu was er naar veler meening geen twyfel aan, of hy was die gevaarlyke nieuwigheden toegedaan, die men in de kerk niet dulden kon en waartegen men uit kracht daarvan, zorgvuldig te waken had. De geestelyke magt in dit gewest liet hem echter ongemoeid en scheen zich tot nog toe de zaak niet aan te trekken. Een zeker Vriesche predikant, wiens naam hy verzwygt, doch die reeds eenmaal wegens wangedrag kerkelijk getuchtigd was, verzuimde evenwel geene gelegenheid om die hatelyke vermoedens omtrent hem op alle mogelyke wyze aan te kweeken en wist het eindelyk zoo ver te brengen, dat ook het Vriesche Kerkbestuur hem verdacht begon te houden. Dit had ten gevolge, dat men het boek tot twee herhaalde reizen, by plakkaat verbood. Om intusschen verder onaangenaamheden te ontgaan, besloot hy in 1675 Vriesland te verlaten en de beroeping naar de gemeente Loenen aan te nemen. Van hier vertrok hij naar Weesp en eindelijk in 1679 naar Amsterdam.
Hier begon hy den stryd tegen het destyds heerschende bygeloof, hetwelk hij te regt beschouwde als eene wezenlyke hinderpaal voor de beoefening van ware godzaligheid. Het was hem, by gelegenheid van het schijnen der groote Staartstar in 1680, maar al te zeer gebleken, hoe de geest van zynen tyd besmet was, met de vrees voor het eenigzins ongewone, alleen uit onkunde geboren: waarom hy in 1683, Zijn Tractaat over de Cometen schreef, ten einde aan dit verschijnsel eene natuurlijke verklaring te geven en daardoor het dwaze geloof tegen te gaan, dat zoodanige verschijnsels voorteekens van eenig kwaad zouden zijn.
Van eenen grooteren omvang is echter het werk dat in den jare 1688 te Amsterdam het licht zag; namelijk de Uitlegging van den Profeet Daniël. Deze uitlegging zoude gevoegelyk tot eenen sleutel verstrekken, om ook de andere profetische schriften te openen; doch zoude men dezelve wel verstaan, dan moest men eene gansch andere wyze van uitleggen volgen dan die welke men in zynen tyd zoo zeer beminde namelyk die van bloote navolging. Zonder acht te slaan op de gevoelens van anderen, en met ter zyde stelling van eigene vooroordelen, die hem eenen tyd lang verhinderd hadden om tot eenen betere kennis aan den waren zin der heilige bladeren te geraken, wilde hij slechts den oorspronkelyken tekst inzien, waaruit eene schets ontleenen om te ontdekken wat men uit de kracht der woorden, van de profetiën te verwachten had en eindelyk de vervulling derzelve in de historiën aantoonen. Hoe danig deze wyze van uitleggen, dan ook tegen anderer gevoelen mogen aandruischen, hy meende evenwel de beste wyze van uitleggen die men tot nog toe gekend had, gevonden te hebben en daarom had hy de vrijheid genomen om deze zyne uitlegging onder het oog van het algemeen te brengen: - eene vryheid die hy aan anderen zoo gaarne vergunde. Ofschoon hy wel verzekerd was, dat hy niemand willens beleedigde, vreesde hij echter dat men sommiger zijner aanmerkingen, die hy zich nu en dan veroorlooft, zeer hoog zoude opnemen; dewyl hy door dezelve, het gevoelen van zyne tydgenooten, somwylen lynregt tegen spreekt. Immers hy kende de bitterheid zyner mededienstknechten reeds bij ervaring, die niet schroomden elkander te slaan, terwyl de regter voor de deur staat. Myne ziel, Zegt hij, kome nooit in hunnen raad; omdat hunne handelingen werktuigen zyn van geweld. Het is daarom dat hy wat zyn persoon betreft, de gunstige bescherming van de regering zijner stad in roept, die het niet onbekend konde zyn, hoedanig hy zich in hare stad gedurende den tyd van tien jaren, had gedragen: verzekerd zynde dat hy dien tyd tot eer van God en tot nut zyner kerk besteed had. Gelukkig hy, die zich in voorkomende ongelegenheden op zyn voorbeeldig gedrag en op de zuiverheid zijner oogmerken kan beroepen!
Behalve de werken van zyne hand, die reeds in den loop van deze onze Bydrage zyn opgenoemd, heeft men nog van hem: - Negen en dertig Predikatiën over den Nederlandsche Belijdenis en andere predikatieën. – Berigt van den Kinderdoop Aanmerkinge en Antwoort op het selve. - En hoeveel nuttige geschriften zoude hy ons bovendien hebben nagelaten, indien hij zich door het schrijven van zyn laatste werk, De Betooverde Wereld namelijk, niet in die moeijelykheden gewikkeld had, die hem bijna tot aan het einde van zyn leven onaangenaam hebben beziggehouden.
Het oogmerk dat hij zich bij het schrijven van dit werk voorgesteld had, was, om het gevoelen, “dat de wereld van de magt en kragt des duivels hat, te bestrijden en om de eer des allerhoogsten des te meer voor te staan.” - Gaarne, zegt hy, wilde hy de menschen wijzer en beter maken, maar hy vond weinige, die het wenschten te zyn. De oorzaak daarvan was, (dus vervolgt hy) dat de meesten gerust zijn bij het geloof, dat mode is te gelooven en niet anders wenschen te doen, dan men gewoon is te doen. Daarom verwachtte hy voor dezen zijnen arbeid geenerlei dank by zyn leven; maar eerst na zyn scheiden van hier. Evenwel wilde hij dit werk bij zijn leven het licht doen zien, om het zelve van allen blaam, die het van veler oordeel te wachten had zoo veel hem mogelyk was te zuiveren.
Het was intusschen niet moeijelyk voor hem te gissen, welk eenen indruk dit werk op het algemeen moest maken. Immers, er waren in zijnen tijd zoo velen, die de magt des duivels by eigene ervaring kenden; en verscheidene plaatsen des Bijbels stemden, naar de gemeene uitlegging, met deze hunne ervaring in. Door die magt zoo openlyk aan te randen en het geloof daaraan te bestryden, verzette hy zich niet slechts tegen het algemeene gevoelen; maar zelfs naar het inzien van dien tyd, tegen verscheidene uitspraken der heilige schrift. – En konde hy op eenigen byval, zelfs van de zyde der geleerden, in dien tyd hopen? - Immers, men kende hem reeds uit zijne vorige geschriften, als ten uiterste gevaarlyk voor de heilige leer; dewyl hij den Bijbel in zijne verklaringen zoodanig plooide, als het meeste strookte met zyne verleidende en helsche oogmerken; - die Bekker verdiende derhalve by niemand geloof. Hij mogt dan de vrijmoedigheid gebruiken, van zoo maar rondweg te verklaren: - “Ik ban hem (den duivel) uit de wereld en bind hem in de hel;” - de straf zijner roekeloosheid zoude hem gewis vroeg of laat volgen, en de koning Jezus zoude zich over hem niet bekommeren, wanneer hy door ligtzinnigheid een prooi van den Satan werd.
Evenmin konde hy van de Burgelyke regering eenigen steun verwachten; immers de kerkelyke geschillen hadden voor eenige jaren het gansche land beroerd, verscheidene regeringsleden hadden deswege zoo veel moeten lyden, en zoude men nu wederom het nieuwe gevoelen van Bekker voorstaan, om daardoor het onweder opnieuw te doen losbarsten?
Intusschen is het ook uit hetgene wy reeds aanvoerden, genoegzaam blykbaar, dat hy de kwade uitkomst van zynen arbeid wel voorzag; maar dit deed hem van zijn voorgenomen plan; om namelyk zyne denkbeelden aangaande de werkingen der geesten, algemeen te maken, niet afzien. Bovendien was hy met dit zijn werk zeer ingenomen en zijne zucht om verlichte kennis te bevorderen, deed hem de grootste moeijelijkheden tarten. Men kan dit eenigzins besluiten uit een vers, dat wij in de opdragt van dit werk aantroffen en hetwelk wy ten bewijze van het eene en andere, hier zullen laten volgen: -

“Aan Frauk Tullenia.
Hertlieve zeer getrouwe.
Vernoegde deelgenoot in voorspoed als in rouwe;
Veel waarde moeder van twee dochters; eenen soon;
En paerel aan het goud van ons driedobble kroon.
Magh dit papiere-kind U mee voor moeder groeten;
Ik geeft ’t U in den arm. En ’t moet myn leed versoeten,
Dat schoon dit herssenkroost van ‘s ligchaams vrught verscheelt.
Als niet na d’ huuwlix wett met uw hulp geteelt.
Maar door afscheidentheid van uren en van dagen,
Ja nachten voor een deel; gij echter neemt behagen;
Die self, door vrese noch door vriendenraad bekoord,
’t Versaken mij ontried. En ’t was uw laatste woord
Op ’t scheiden. Dat is trow! Nu seg ik daar beneven,
Dat dit, myn kind alleen, de drie sal overleven
Die God ons ’t samen gaf. Want, so ik ’t wel voorsie
’t Groeit tegen d’onlust op. En wat belangt de drie:
’t Sal hen door broederschap in ’t dagelyx verkeren,
Als wyser, ’t Kristendom uit vaster gronden leeren;
En bygeloovigheid; deugds hinderpaal en schrik
Verbannen, door de vrees des grooten Gods. Dies ik,
Wat seg ik? Gij en ik, Beminde (‘k magh ’t geloven)
Al ware mijn Letterkind van ieder een verschoven;
Wy bergen ’t gaarn in huis tot dienst van U en mij:
Daar houd het goed en bloed van spook en Duivel vrij.
Wie vreest, dien God bewaart? wiens hemelrijke segen
Door kinderlike vrees gesocht word en verkregen.
Die God der Vaderen en onser Kindren God
Geleide die met ons in ’t eewig salig lot!”

6/26 van Oogstmaand 1691. B. Bekker.

Toen de beide eerste deelen van dit boek, hetwelk in vier deelen verdeeld is, het licht zagen, werd hij te Edam voor de Sijnode geroepen, ten einde nadere opening van zijn gevoelen te geven; doch deze Sijnode verwees hem, na een scherp onderzoek, naar de Classis van Amsterdam, welke hem by vonnis van den 22 januarij 1692, voor den tyd van elf weken van zyne dienst ontsloeg. Sints dien tyd, zegt hy, weerde men hem uit de dienst door gemaakten oproer en met nooit gepleegde ongeregtigheden.
Bovendien bezwaarde men hem met verscheidene schriften: meer geschikt om zijne eer te verguizen en hem geheel te vertrappen, dan om zijne gevoelens te wederleggen. De Heer J. van der Waaijen, zich zich zeer vele moeite geeft om te bewijzen, dat zijne gevoelens strijdig zyn, met eene gezonde uitlegging van den Bijbel, behandelt hem echter in zyne wederlegging met meer gematigdheid; maar hy kan evenwel niet voorby, hem te beschuldigen, dat hy zyne eed, dien hy tot twee herhaalde reizen zoo plegtig had afgelegd, ontrouw was geworden.
Zoodanige beschuldigingen noopten hem, om zich openlijk te verdedigen. Binnen kort gaf hy dienaangaande eenige schriften in het licht, zoo als: - Nadere Bedenkingen op de nieuwe bewegingen der Circulaire Brief-schrijvers, en andere: benevens een, Kort Berigt aangaande alle de schriften, welke over ’t Boek, de Betooverde Wereld, enen tyd lang heen en weder verwisseld zijn.
De Sijnode van Alkmaar berokkende hem vervolgens nieuwe onaangenaamheden; waarop hy eerst uitgaf: - Kort en Waarachtig Verhaal van ’t gebeurde t sedert den 31. Mij 1691 tot den 21 Augusti 1692; en daarna; -Viervoudige Beantwoording van Beswaarnissen, voorgesteld over ’t Boek de Betooverde Wereld. Deze beantwoordingen hebben hare betrekkingen op, 1) Extracten der gecommitteerden des Kerkenraad en Classis van Amsterdam en de Sijnoden van Noordholland over mijn voorschreven boek. 2) De 13 Artykelen van Kerkenraad en Classis aan mij voorgesteld, met mijn antwoord op deselve. 4) D’Artijkelen van satisfactie, mij laatst door de synodus van Alkmaar voorgehouden met mijn Antwoord naderhand daarop gesteld. – De twee Hollandse sijnoden, namelyk die van Alkmaar en van Edam, bragten dezelver Handelingen ten zynen laste, insgelyks in licht; en hierop volgde zyn Naakt verhaal van alle de Kerkelyke Handelingen na vervolg destyds uit de eigene Acten te samen gesteld, met Aanteekeninge des auteurs. Hy besloot zyn gansche verdediging met een Ondersoek en Antwoord op ’t request der Gedeputeerden van de Noordhollandsche Sijnoden aan den Staat gepresenteerd, door welk request, men de regering had zoeken te bewegen, om het geheele werk, zoowel de twee nog ongedrukte, als de twee reeds gedrukte deelen te verbieden.
Wegens zoodanige tegenkantingen gevoelig aangedaan, was het wel niet te verwonderen, dat hy klaagde over het gedrag van Burgerlijke- en Kerkelyke overheden, wanneer zy zoo zeer genegen zijn om het oor te lenen aan diegenen, welke op losse gronden, en door averegtsche driften geleid, zoo luide roepen, dat de kerk door ketterij verloren gaat. Hij verfoeit bovendien het oordeel van de zoodanigen, die terstond gereed zijn om de gevoelens van andersdenkenden te verwerpen; zonder dat men zich de moeite geeft, om die gevoelens te toetsen aan algemeen erkende waarheden en aan de uitspraken van de Heilige Schrift.
In de jare 1693 verschenen echter ook de beide laatste deelen van de Betooverde Wereld in het licht. Hij beklaagt zich er wel over dat hij wegens dezen zijnen arbeid zoo veel had moeten lijden en ook thans nog leed; maar het was hem evenwel genoeg, by zich zelven verzekerd te zijn dat het werk by den waarheid lievenden lezer eene strekking had tot deszelfs wezenlijke gelukzaligheid; bovenal tot eer van God en tot zyne eigene volmaking; dewyl hy door smaadheid en lyden geleerd had om alles gewillig te dragen, wat de Vaderlyke Voorzienigheid hem oplegde. Vyf jaren vergunde God hem, na de uitgave van dit werk, nog te mogen leven; zonder immer weder den kansel te mogen beklimmen. Dit zal hem evenwel niet afgeschrikt hebben, om zyne gevoelens meer en meer te verbreiden ten einde het bygeloof te doen zwichten en de waarheid te doen zegevieren. In den jare 1698, toen hy den ouderdom van omstreeks 64 jaren bereikt had, verliet hy deze betooverde wereld, om in eene betere - het loon voor zijnen arbeid te genieten.

Hiermede achten wij genoeg gedaan te hebben om den man zoo eenigzins te doen kennen, die men in de eeuw, waarin hij leefde, niet dulden kon, omdat hy, wegens zyn diep inzigt, en wegens zijne oorspronkelijke geleerdheid, van de destyds gewone en bygeloovige denkwijze afweek en de hem omringende menschen op gelijke wyze met hem in kennis en verlichting wilde doen vorderen; maar thans doet men hem het regt wedervaren; door hem te houden, voor den man die mede den eersten steen heeft aangebragt voor die lichtende geleerdheid, welke nu op den Nederlandsche bodem bloeit. De erkentenis daarvan, doet ons thans, niet alleen met belangstelling naar hem vragen; maar twee van Nederlands gewesten, twisten met elkander, wie hunner de eer heeft van Bekker het leven te hebben gegeven. Welk eene verandering derhalven! Wien men voor anderhalve eeuw niet wilde erkennen, die is thans benijdenswaardig voor de roem eener natie! Wel is waar; het schynt in Nederland mode te zyn geworden, dat men der vaderen roem op alle mogelyke wyzen zoekt te verheffen, en onze naburen, die iedere goede gelegenheid aangrypen om ons in een verachtelyk licht te stellen, dryven op eene fijne wyze den spot met ons, terwyl wy tranen van dankbaarheid storten op de graven onzer vaderen. Zouden wy in hun oog mogelyk gelyk staan met de Grieken, die hunne helden van vroegere dagen bezongen, in eenen tyd, dat zij zuchtten onder het juk van Rome? Laat ons dan terwyl wy den naam van het voorgeslacht met eerbied noemen, ons verder beijveren om hetzelve in kunde en deugd te overtreffen, gelyk het regt geäarde kinderen betaamt; - laat ons Minerva’s tempel binnentreden en onzen geest met ware voeden, dan moge vrij de afgunst gal en laster braken; niets zal echter onzen welverdienden lof kunnen krenken of deren.

P.B. Roelfsema

Aanteekeningen.

Aanteekening 1. In het werk, getiteld: - Uitlegging van den propheet Daniël, door Balthasar Bekker, S.T.D. Bedienaar des H. Evangeliums tot Amsterdam, vindt men zoo als wij vroeger zeiden, zyn portret met dit onderschrift:- “Balthasar Bekker, S.S. Theol. Doctor de Ecelesia Amstelaedam- ensis Minister, natus Metslaviria in Frisii. Ao. 1634. die 10/20 Martie” .
 

Aanteekening 2. Extract uit het Register van den namen dergenen, die het H. Avondmaal alhijr gebruikt en daartoe gelaten worden ’t sy dat sij van nieuws worden aangenomen ’t sy dat sij op andere plaatsen dat selve onlangs hebben en hijr komen woonen.
“Op huiden den 13 Aug. 1646 ben ik Henricus Bekker Bilfoldiensis Westphalus in locum Dom Sibelii tot pastor van Warfhuizen vercoren, den 19 September is my de beroepinge door D Wilhelmus Bezon, pastor op t nieulandt, uit den name van de E.E.H.H. Collatoren t. tot Warfhuisen mi Frieslandt gebragt ende ophandigt, die deselve den 20 dito mijne gemeinte vorengelezen, ende daarop tot….. als oock den 21 dito van den Classe tot Dockum, myne dimisse versogt ende vercregen heeft. Den 1 Octob. is “beroepinge der Classii tot Eendrum gepresenteert ende van den selven geapprobeert den 18 dito ben ick van E. Heeren pastoren tot petrib-buiren en Oldrom so Ralero ende Wesselo Rhodio mi mijnen dienst tot Warfhuisen geconfirmeert den 1 Novemb. op Alderhailigen doch hebbe ik alsdan myn…. gedaan”.
 

Aanteekening 3. Extract uit het Register van de namen der genen, die hare houwelycke…. alhijr hebben laten afcondigen of oock bevestigd. Ao 1648 Den 14, 22 en 28 Maij hebben d:d: Crol Hoornberg ende Crassius afgecondigt het houwelyk tusschen H. Becker ende Maria van Eijck ende is den 7 Junij tot Groning bevestigt”.

Aanteekening 4. Extract uit het kerkenboeck voor de kercke tot Warfhuisen; waarin volgends kerken-ordeninge en sijne deele resolutie sullen opgeteekent worden, de namen de gedoopten en haren ouderen mitsgaders de tyd des doops. Nemende syn begin van ’t jaar onses Heeren 1633 omtrent Alderheiligen.
Anno 1651 den 26 Jan: syn 2 kinder gedoopt: een sohn van pastor H. Becker toebehorende Joannes genoemd. en…… Anno 1655. op den 7 October is gedoopt een jonge do- van H. Becker pastor met den naam Anna Maria”.
Men zal in deze aanteekeningen reeds opgemerkt hebben dat er verschil bestaat in de spelling der namen tusschen vader en zoon, welk verschil in spelling wy in den loop onzer Bydragen zorgvuldig bewaard hebben; dewyl de spelling der eigennamen toch niet zoo zeer afhangt van de algemeene en byzondere taalregels, alswel van de willekeur van hen, die hunne namen op deze of gene wyze verkiezen te schrijven; en naar de eigene wyze van schrijven der personen, meenden wy ons te moeten gedragen. Het is ook daarom, dat wy de meerderheid niet gevolgd hebben, door de h in Baltasar in te lasschen.

Aanteekening 5. Extract uit het Register der gehuwden enz. Anno 1664. Op den 21 Aug. zyn getrouwd myn sohn Andreas Becker en…. Wolters, die tot Groningen hare houwelyks proclamatie hadden gehadt.
Anno 1666. op den 11, 18 ende 25 febr. is afgecondigt het houwelyck tusschen….. Weduwnaar tot Dockum en Elizabeth Becker jonge dochter van Metslavier voor dezen, woonachtig tot Warfhuizen”.
Is dit laatste geen nader bewys voor de waarheid, dat Baltasar Bekker te Metslawier geboren is?

Aanteekening 6. Extract uit het Register van de namen, die het H. Avondmaal hebben gebruikt enz.
Anno 1650. Op den 3 Febr. syn nar voorgaande ondersoekinge in de leere des geloofs voor litmaten der gemijnte aangenomen 1…… 2…… 3 Balthasar Becker myn sohn.
Tenslotte van deze Aanteekeningen kunnen wy niet voorbij, nog te doen opmerken dat wy sommige woorden uitgelaten en met eenige naast elkander geplaatste stippen aangewezen hebben. Het was ons, zelfs bij den besten wil niet altyd mogelyk om zulk een oud en onduidelyk handschrift te kunnen lezen; ook riepen wy hiertoe te vergeefs de hulp van anderen in. Vooral was zulks het geval met de eigennamen en het was onzes inziens beter zoodanige namen geheel uit te laten, dan door eene valsche lezing dezelve by gissing te ramen, waardoor wy de waarheid zoo ligtelyk ontrouw hadden kunnen worden.