Zoek op de website

Wehe

Plaatsbeschryving van Wehe, zoo veel mogelyk ingerigt, in gevolge circuliare van de commissie van Onderwys, in de provincie Groningen, in dato den 10 junij 1828.
 

De hoogte, waarop het dorp Wehe gelegen is, behoort onder de vlotwierden. De vlotgrond vindt men het meest aan de noord en oostzijde, juist andersom als men gemeenlyk verondersteld.
Deze aanzienlyke hoogte, welke wel 3 ½ el boven de gewoner oppervlakte zich verheft, schynt, zoals de meeste, een wykplaats voor de zeevloeden geweest te zyn, en niet altyd bewoond; waar van straks nader.
Mern vindt in de nabij gelegen Tuinster, of Leenster Wierden, meer overgeblevene zeevoorwerpen, dan in deze: de meeste stukken welke men hier, met 12 a 13 voet diepte aantreft, zyn beenderen van menschen, en vooral van runderen, als mede potscherven, uit eene ruwe stoffe bewerkte, en gebakkene steengoederen.
In 1826, vond, eenen al te haastigen, putgraver op de hoogste stand van Wehe, eene, bijna geheele waterkruik of Lampot; spytelyk dat dezelve in stukken naar boven geworpen werd: de meeste putgravers geven doorgaans weinig acht op de gevonden voorwerpen uit de diepte. De stukken van deze kruik, met een open tuitje en een breed aanvat, zochte ik, zoo veel mogelyk, weder bij een te brengen, doch vruchteloos. Het bleef echter een opmerkelyk stuk, uit de vroegste eeuwen; waar men uit den lagen stand van beschaving, zoo duidelyk konde opmaken.
Myn vriend Dr. Westerhoff te Warffum, toonde op dit stuk, bijzonder zwak te hebben. Ik gaf het hem present. Zoo dra ik telkens bemerk, dat er eene put gegraven wordt, neem ik een vlesch jenever, en ziet! alle beentjes en steentjes komen tot mij. Onlangs werd er eene put, in de afhelling vasn Wehe gegraven, en op 13 voet diepte vondt men weder eene geheele laag beenderen zoo van menschen als dieren, welke ik in beslag genomen heb.
Deze wierde zal zeker, zoo als het met alle hoogten gaat, door den tyd lager geworden zyn, evenwel trotseerde zij genoegzaam den vloed van 1717, zelfs de kruin van de lange straat is toen droog gebleven, en, dit is op verre na niet den hoogsten stand van Wehe; het lijkpad is veel hooger.
Dit zal nu wel genoeg zijn van de hoogte zelve: laten wy nu overgaan tot de bewoning derzelve.
Zeer vroeg lag, aan den voet, noordwestwaards, van deze hoogte een slot, aangelegd, door een overoud adelyk geslacht van Harckenbosch, uit Vriesland afkomstig.
’t Is voor mij altyd raadselachtig geweest, waarom deze menschern geen gebruik van deze hoogte hebben gemaakt, en evenzoo, met Verhildersum bij Leens. –
Tusschen dit oude slot, het welk er reeds ten tyde van het Oldenklooster, in de Marne moet bestaan hebben, en deze hoogte, liep het oude trekdiep, hetwelk, van Abtstok, regt westwaards, met een puinpadje op zijde, naar het Slot van Wehe, Leens, Hornhuizen, Ulrum heen slingerde, en zich eindelyk by de Zoltkamp ontlastte. Naderhand is dit kanaal, ik weet niet waarom, in verval geraakt, en zeer dwaaslijk, van Abtstok, in onbegrijpelyke domme rigtingen, naar Warfhuizen verlegd, en schuwt, op 10 minuten afstands, de aanzienlyke dorpen Wehe, en Leens.
Dit voornoemde slot, mede in verval gerakende, werd, in het laatste der 17e eeuw van nieuwe, en met eene stoutere hand opgetimmerd, en ontving de naam van Borgweer. Nog heden, wordt dit huis met veel smaak onderhouden, en, maakt met zyn bosschen en wandelingen, het grootste sieraad van Wehe uit. –
Dit buitengoed is altoos, tot op heden, door het hoog adelyk geslacht van Starkenborg bezeten geweest. In den oorlog tegen Spanjen, hebben de Starkenborgen zich altyd van gunstige zyde doen kennen. Inzonderheid is onder de Starkenborgen beroemd geweest: Ludolf Tjarda van Starkenborgh als mathematicus, overleden den 23 october 1717 in den ouderdom van ruim 81 jaren. Ook werd onder zyne directie, de voortreffelyke kaart van onze Provincie uitgewerkt, en by visscher te Amsterdam uitgegeven.
In 1656, dus ruim 100 jaren na de bouwing van de kerk, werd den toren opgetrokken, waarvan, de bovenste koepel, in den jare 1818, op den eersten Paaschdag, onder den openlyken voormiddag Godsdienst, door eenen stormwind, van boven, onder een ontzaglijk geraas, aan de noordzijde van de kerk nederviel. Ieder, behalve dom. Lubbers, vlugtte naar buiten,, en met één was de Godsdienst geeindigd. Gelukkig liep deze actie af; want niemand, hoe ligt anders ook, werd gekwetst of gedood.
In het volgende jaar 1819 den 10 Mei, werd de reparatie van den toren uitbesteed voor 1439 guldens, alsmede de oude gescheurde klok, te Kampen gegoten, te Stedum, tot eene nieuwe en betere omgegoten, voor 296 gl. 35 cts, en de gehele uitgaaf voor dit nieuwere gebouw beliep in 1820: summa ƒ 2236 gl. 30 cts: zeker eene aanzienlyke sum voor dusdanige reparatie, om door de gemeente opgebragt te worden.
De naamsoorsprong van het woord Wehe, heb ik altyd gezocht uit het woord wierde; zoo leze ik b:v: in oude manuscripten wiede, met weglating van de r; ook Wede, Wee, en nu algemeen Wehe.
Dit dorp heeft eertijds in het kerklyk en politiek bestuur eene groote uitgebreidheid gehad; voor 1623 was de gemeente Kloosterburen met Wehe verëenigd. Toen Kloosterburen van Wehe afgescheiden werd, kwam het rijke Zuurdijk daar voor in plaats; te rekenen van 1630. gelijk nog heden plaats heeft: de Predikant van Wehe, heeft te Wehe twee predikbeurten te vervullen, tegen te Zuurdyk één, dat is: om de derde zondag te Wehe geenen dienst.
De uitgebreidheid van Wehe zelve, is niet buitengewoon groot: van het noorden tot het zuiden, byna een half uur gaans, en van het oosten tot het westen een kwartier uur; en bevat, buiten het dorp zelve, 624¾ jukken lands. –
Het is ruim met vaarten voorzien: zuidelijk loopt het trekdiep door Wehe; noordlijk, het Kloosterbuurstermaar, terwyl het zelf een privaat canaal bezit, tot af en aanvoer van het nodige; en onze tochten wateren mede, in het trekdiep, door Schouwerzijl uit.
Het land om Wehe, in de nabyheid van het dorp, is van eene uitmuntende kwaliteit. Dit heeft algemeen plaats. De reden is niet verre te zoeken: de dominee heeft een stukje, de smit, den bakker, de kuiper, den molenaar, ja zelfs onder de kleermakers vindt men landgebruikers: Sommige schoolmeesters melken ook een koetje. Wat doet nu ieder? – Ieder woekert mest; brengt het een of twee maal in een jaar over het land; men hooit en weidt om het andere jaar; graaft de sloden, als het nodig is; brengt de wallen, wanneer zij vruchtbaar zijn, getrouw over den akker, en wie bekomt dan geen best land! Zoo gaat het hier, en zoo gaat het overal.
Maar nu eens algemeen beschouwd. – De bovenste korst kan goed zijn, terwyl het benedenste nergens toe deugd, en zoo omgekeerd.
De bovenkorst, welke bebouwd, en door gedurige bemesting vruchtbaar gehouden wordt, is op de meeste plaatsen in onze provincie slechts van één, anderhalf, tot twee palmen dikte, doch op de vetste kleilanden gaat de beste aarde verscheidene palmen diep; ja, ik ken grond, waar men meer dan één el, voortreffelyke aarde, naar beneden behoudt:
Een minder goede grond, welke meerdere goede diepte heeft, kan vooruit hebben, boven eenen beteren grond, van mindere diepte. Zoo is het hier gesteld. Het land ligt hier algemeen hoog, en heeft met het gedurige pegelverschil niets te maken. Het is meer geschikt om te bouwen dan wel tot weiderijen, en hooilanden.
Over het algemeen is het land hier zavelachtig, dat is: zoodanigen grond, welke niet hard noch styf is, en in het water spoedig oplost, zich niet rekken noch kneden laat, en welke, op de eene plaats meer, en op de andere plaats minder verkalkte yzerdeelen bezit, en bijzondere geschiktheid heeft, tot de smakelyke aardappelvrucht. De mest stelt men hier op hoogen prijs. Nu nog iets over het dorp, in het algemeen. Ofschoon het dorp Wehe, niet eigenlyk de hoofdplaats van de gemeente is, zoo vergadert evenwel het hoofd der gemeente Jonkh: E.T. van Starkenborg Stachouwer men Assessoren wekelyks te Wehe in een, onlangs nieuw, met veel smaak, getimmerd lokaal. Dit geeft, in eene zoo groote gemeente als deze, in het dorp, vele drukte en levendigheid.
De Notaris H. van Bolhuis houdt, om de 14 dagen, des zaterdags achtermiddag, te Wehe, in een der vertrekken van het gemeente huis, ook zijne zitting, welke, op sommige tijden, buitengemeen veel drukte oplevert.
Hier komt nog bij, de dagelyksche doortrek van vele en onderscheidene rydtuigen, langs den groten publieken weg naar de Zoltkamp enz.
In het zuideinde van Wehe, is behalve de weg naar Zuurdijk, het zoo algemeen gebruikt wordende voetpad, naar Leens, Ulrum, Vierhuizen, Zoltkamp, Noordlyk, behalve de weg naar Kloosterburen, het voetpad naar Kloosterburen en Hornhuizen; en Oostlyk, het voetpad naar den Hoorn, welke voetpaden onöphoudelijk betreden worden. –
De Wehester kermis is alom bekend. Deze valt jaarlykx op den eersten woensdag in Julij in; wordt door jong en oud, koopers en verkoopers, nieuwsgierigen en wandelaars, dikwyls in zoo groot eene menigte bezocht, dat men moeite heeft, van op den been te blijven. Doorgaans staan er om de 40 kramen. De eerste dag is het paardemarkt; de tweede koppeling van jonge lieden; de derde dag, voor getrouwden, en niet de min vrolijkste. Des maandags voormiddags om 10 uur wordt de kermis ingeluid, en des zaturdags voormiddags, om 10 uur uitgekondigd.
Dit alles zaamgenomen geeft aan Wehe eene levendigheid, die maar aan enkele dorpen te beurt valt. By dit alles, zet de gulle, en vertrouwde vriendschap onder de bloem der inwoners, de kroon op het geheel. Schaars vindt men een dorp, waar, naar evenredigheid, de gezellige verkeering zoo gulhartig en opregt wordt genoten als hier: Een voorregt, wel door duizenden gezocht, maar spaarzaam gevonden.
Er zijn verscheidene inwoners van Wehe, welke de lectuur beminnen, vandaar dan ook, twee leesgezelschappen, waarvan, den Jonkh: van Starkenborg Stachouwer steeds directeur is. By den winter komt men wel eens in den school, om zich te oefenen, of te vermaken, door het vierstemmig gezang, – hetwelk in 1827 by de 70 leden telde.
Het schoolgebouw geleek voor weinige jaren, meer naar een soort van cachot, dan naar een schoolgebouw. Hierin is ook uitmunten voorzien geworden. Het tegenwoordig gebouw zal zeker eene der fraaisten van het distrikt zijn, en kan wel 150 kinderen, zittende, bevatten.
Wehe bevat, buiten den boerenstand om de 100 huishoudingen. De inwoners zyn vele kooplieden, en wijders als gewoonlijk: smit, verver, blaauwverver, hoedemaker, kuipers en wagenmakers, timmerlieden, bakkers, schoenmakers, kleermakers, werklieden, herbergiers enz. Ook staat te Wehe een Pel, Rog, en boekweitmolen, de laatste door een paard gedreven. De post van geneesmeester blyft nog by voortdurendheid steeds vacant.
Met het begin van 1760 tot het einde van 1782 leefde hier de beruchte geneesheer F. Le Cler. Deze heer had in zyne verbazende uitgebreidheid, van Practyk onnavolgbare zetten, om menschen voor zich te doen innemen. Heind en verre, kwamen lijders opdagen, om hulp van La Cler te erlangen. Ook mijnen ouden, doch nu overledenen leermeester H. Wester, heeft vele weken met een ziekelyk been te Wehe doorgebragt, en wel in het huis van den tegenwoordigen opziener der jagt, onder de behandeling van La Cler.
Dikwyls, vooral des avonds na volbragten arbeid, konde Wester met smaak eenige passagies uit het leven van docter La Cler, en den toenmaligen schoolmeester Nanne Everts, van Wehe, vertellen gaan, aller lachspieren werden dan in beweging gebragt.
De regering van Vriesland stelde zoo veel belang in de bezoekingen van F. La Cler, dat zij hem vrijheid vergunden, om alle straten en wegen ongehindert te mogen gebruiken; iets, dat aan niemand, dan den Prins, toegelaten werd!
Hier zoude ik gevoeglyk kunnen eindigen, ware het niet, dat ik nog met een woordje melding wilde maken, van de algemeene averegtse uitrspraak van de e en i. Al komen de kinderen ook nog zoo welgeöefend van de school, het zal geen drie jaren aanhouden, of zy spellen, wanneer zij op zich zelven staan, weder bemend voor bemind, bekind voor bekend; lent voor lint; en voor in, en in voor en. Hoe vele moeite ik ook al hebbe aangewend, om dit gebrek uitteroeijen, tot nog toe vruchteloos, ofschoon het iets begint af te nemen. Voor eenige jaren stond op de staldeuren aan den publieken weg te Men.......... van eenen stalhouder: “Hier verhuurt min paarden, in tapper en sterke dranken”!
Ik zoude deze plaatsbeschryving veel meer uitëen kunnen gezet hebben, doch, waartoe dat gekeuvel? –
Ik meene genoeg gezegd te hebben, en hope, dat de schoolcommissie voornoemd daarvan een dankbaar gebruik moge maken.

H. Rijkens.
schoolmeester.

Wehe
den 9 October
1829.