Zoek op de website

Westeremden

Gemeente Stedum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

WesterEmden.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Er behooren onder ons dorp geene eigenlyke gehuchten, maar ten Noordwesten van hetzelve, nagenoeg een kwartier úúrs van de kerk, heeft men de buurtschap Vierburen; denkelyk zoogenaamd, omdat dezelve uit vier boerderyen bestaat. Ten noordoosten, op gelyken afstand, heeft men het WesterEmder Voorwerk; bestaande uit twee boerderyen, waartoe plm. honderd bunders land behooren. Eene dezer boerderyen is op eenen eenigzins verheven grond gebouwd, en de gracht, die er nog slechts gedeeltelyk om toeloopt, is niet gescheiden, maar bevat beide in haren omvang.
Eindelyk ten Zuidwesten, en iets verder van de kerk, heeft men eene buurtschap, de Har genaamd; denkelyk, om de meerdere hardheid en onvruchtbaarheid van den grond aldaar; bestaande voor heen uit vier boerderijen, doch waarvan thans eigenlyk maar twee meer kunnen genoemd worden; zynde de andere door aankoop ingelyfd; eene gewoonte echter, die zeer nadeelig is voor ons dorp.
Overigens behooren tot deze buurtschap nog vier arbeiderswoningen: de ingelyfde plaatsen er mede onder begrepen.
Wat nu nog den oorsprong van den naam van het dorp zelf betreft: daarvan kan ik niets met eenige zekerheid zeggen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Ik heb aan onze kerk geen dufsteen kunnen vinden; doch aan onzen ouden toren, moeten ze menigvuldig en van eene aanzienlyke grootte geweest zyn. Dezelve is in 1808 afgebroken.
Op onze torenklokken, die wy er twee hebben zyn wel opschriften, maar de inhoud van dezelve van geen belang: echter had ik zo gaarne opgegeven, indien het my mogelyk geweest ware, er by te kunnen komen, om dezelve in hun geheel te leveren. Ook zyn ze reeds voor eenige jaren, al eens door my by den Hr Schoolopziener Westendorp ingezonden; waartoe ik destyds in staat was, om dat onze voormalige predikant Contenot, daarvan afschriften bezat, welke Zyn WelEerw. by de afbraak van den toren in 1808, had kunnen verkrygen, en wel de goedheid had, my dezelve te doen copieren. De hoofdzakelyke inhoud dezer geschriften nogtans, is, dat ze in het jaar 1685 op nieuw zyn omgegoten.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Geene, behalve het Maar langs welken de vervoer van granen enz. met zoogenaamd korenfannies of schepen, geschiedt, en met welke tevens de waren van Groningen voor de winkels en particulieren, wederom worden aangebragt. De loop van hetzelve, is nagenoeg Zuidoost, en vereenigt zich te Loppersum, op ruim een half uur afstands met de zoogenoemde Wymers: waarschynlyk dus genoemd, om de meerdere wydte die het daar bekomt; hetwelk dan wel eerst Wyt- of Wydermaar kunne geweest zyn, dat echter naderhand in Wymers kan zyn overgegaan. – Het correspondeert dus door eenen vryen loop, met het zoogenoemde Damsterdiep en vereenigt zich met hetzelve door de Wymers, by den Loppersummer Klap, 3½ uur ten oosten van Groningen. Dewyl men echter daarenboven nog voorondersteld, dat er in ver verwyderde jaren hier in de nabyheid een stroom moet geweest zyn, welke gemeenschap had met de oude Fivel, komt my deze vooronderstelling ook niet ongegrond voor. Dezelve moet dan zynen loop gehad hebben, aan de Oostzyde van ons dorp, en zyne uitwatering omtrent Windeweer. Ook zegt men nog heden, dat naby den Windeweerster Klap, in lateren tyd, overblyfselen eener Sluis of zyl, zyn gevonden. Doch misschien heeft men van dit eene en andere, eerlang wel naauwkeuriger berigten te verwachten. Onze Predikant toch, heeft desaangaande, voor eenigen tyd, eenigen brief van den Hr G. Stratinge ontvangen, waarin dezelve Zyn WelEerw. op het instantelykst verzoekt, hiernaar, zoo goed mogelyk is, het beste onderzoek te willen bewerkstelligen. Ook nog wordt Zyn WelEerw: daarin tevens verzocht, om een of twee putten, op de hoogte of Wierde van ons dorp, te laten graven, ten einde ook nader en beter met derzelver inwendige gesteldheid, bekend te worden.
Ik hoop intusschen, dat dit alles van een goede uitslag moge worden. Wat dit laatste punt betreft: daarvan zal ik straks ook iets moeten zeggen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene, my bekende.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hetgeen ik ter beantwoording dezer vraag zoude kunnen zeggen, bepaalde zich alleenlyk, tot de hoogte en uitgestrektheid der Wierde waarop ons dorp gebouwd is: een paar kleine hoogten uitgezonderd. Doch naar dien dit eene en ander, in het voorloopene jaar, omtrent dezen tyd, door my is onderzocht en opgegeven, wilde ik thans liefst daar henen verwyzen, en deze vraag daarmede voor beantwoord houden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlyke bosschien zyn hier niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het delfstoffelykryk, geene.
De voortbrengselen uit het Plantenryk zyn hoofdzakelyk: onderscheidene graansoorten, als: tarwe, rogge, gerst, haver, erwten, boonen en raapzaad. Ook verbouwt men hier vlas. – Dan nog leveren de velden ons onderscheidene soorten van keukenvruchten op, als: kool, aardappelen, wortels, knollen enz. De tuinen geven ons daarenboven nog, verschillende en zeer voortreffelyke peulvruchten, benevens radys, ramenas, sypels, chalotten enz. En onze ooftboomen, onderscheiden en zeer smakelyk ooft, als: appels, peren, pruimen, kersen, noten, mispels, perziken, abrikozen, enz.
Eindelyk aangaande het dierenryk, bestaan de voortbrengselen hoofdzakelyk in rundervleesch, spek of verkensvleesch, huiden borstels, melk, kernemelk, boter, kaas, wol, schapenvleesch, het vleesch van tamme vogels, eijeren, vederen, enz.
Aan visch is het hier niet ryk.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De gesteldheid van den grond is over ’t geheel zavelachtig, en zeer geschikt tot verbouwing van velerhande graansoorten en huishoudelyke vruchten, die er doorgaan heerlyk tieren en niet vaak mislukken, gelyk dit alles ook reeds in het verloopene jaar, breedvoeriger, volgens den nog eenigzins onderscheidenen aard en strekking onzes dorps, is opgegeven.
Wat nu het laatste gedeelte der vraag betreft: heb ik, ten aanzien der hoogte of Wierde, waarop onze woningen gebouwd zyn, de volgende kennisnemingen gedaan.
Vooreerst, de gewone of vruchtbare bovengrond.
Ten tweede, een styfachtige kleigrond.
Ten derde, op eene diepte van pl.m. 13 a 14 voeten, krygt men eene laag, onderscheiden in dikte, die het meest naar mest of stroo, ’t welk vergaan is, gelykt. Ook vindt men daar of onmiddelyk er na, over ’t algemeen, meer andere bewyzen van vroegere bewoonbaarheid, als b:v. palen, beenderen, die het meest naar koeribben gelyken, haar of iets dergelyks.
Ten vierde, treft men aan, een blaauwachtigen styven grond.
Ten vyfde, op een diepte van doorgaans nagenoeg 30 voeten, vindt men eenen witachtigen zandgrond met schelpen vermengd.
En eindelyk ten zesde, op eene diepte van 30 tot 36 voeten, eenen drassen grond, waartoe men algemeen by het graven van putten doordringt. Dit moet nagenoeg 15 a 16 voeten beneden het aangrenzende maaiveld zyn.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene, als van tyd tot tyd, onder myn opzigt en bestuur wel eenigzins de zangkunst.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er is er hier een roggemolen, – bovendien worden er de volgende handwerken en bedryven uitgeoefend, als:
Bakken, Smeden, Timmeren, Metselen, Kuipen, Verwen, Schoenmaken, Kleermaken en Weven. De bedryven zyn: Korenschipper, Winkelier, Herbergier, Tapper, Commissionair, Kramer en Sleper.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Dezelve is hier zeer onderscheiden en afwisselend, en zoo als zy, geloof ik, over onze geheele Provincie niet veel van elkander zal verschillen; evenwel is de gesteldheid van de lucht, langs de streken aan den zeekant gelegen, over ’t algemeen koeler, dampachtiger en meer vochtig dan hooger op; waarom men zich vooral des avonds, hier inzonderheid dient in acht te nemen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er bestaat hier tegenwoordig slechts eene Gereformeerde Kerk, eene lagere school, een Leesgezelschap, sedert April van het verloopen jaar, hetwelk 17 leden telt, doch van welke ongeveer de halfscheid in het naburig Garshuizen woont. – Vaste Zanggezelschappen of gezelschap bestaat hier niet, maar zoo als er in het tiende antwoord is aangemerkt, wordt er in deze kunst, onder myn opzigt en bestuur, nu en dan wel eenige oefening gehouden.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve die, welke er in antwoord elf zyn opgenoemd, bestaan er geene andere, dan handen arbeid, om den kost te winnen en voor bestaanlykheid te zorgen. Hiermede bedoel ik in onderscheiding der bovengenoemde, dat het overige gedeelte der ingezetenen, geheel en al behoort tot de klasse van Arbeiders of daglooners.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Zoo als dezelve over de geheele Fivelingo, geloof ik, niet veel van elkander verschilt. Naive of byzondere eigene uitdrukkingen, weet ik niet, dat my hier ooit zyn voorgekomen. Is het b.v. dat twee vrienden of bekenden elkander, het zy toevallig of op bestemde gelegenheden ontmoeten, dan is het:
“Pieter. – Gouden dag Jan! hou gait, bisse nog zond? Jan. Ja, het gait nog al, hou gait ’t die? Pieter. Ook nog vry goud.
“Jan. En hou gait ’t joen volk, ben dei ook nog al wat vlug? Pieter. Já, het gait tegenwoordig nog wel an; mauder het lessent wat an de verkoldhait west, maar nou is ze weer ordendelk goud ien order, ben jen volk ook nog vlug? Jan. Ja tegenwoordig ook nog al vry schikkelt, as Vader is toch nooit nyt best, maar ná zien doun isse nou nog al aardig goud ien order. – Ik myn, dat ie ook ys komen wollen? Pieter. Ja, wie hebben ook al lank ys dront, maar omdat Vader ook vaak sukkelachtig is, komt er dan väak weer nyt van. Jan. Nou, als ie toch yts kennen, dan mouje toch ys oetkomen. Pieter. Ja! dat beloofk die, – maar ie konnen ook je wel ys mitten kander komen.” enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun algemeen karakter is niet berispelyk: zy zyn meestal van eene goede inborst; gaan tamelyk vlytig ter kerk en maken tevens van de katechisatiën een behoorlyk gebruik. Werken voorts naarstig in hunne onderscheidene beroepen en bedryven, leven voorgaans matig en bemoeijen zich veelal ongezocht, weinig met het gene er buiten hunnen kring omgaat: zoo dat men derhalve hunne levenswyze over ’t geheel, eenvoudig kan noemen. Weten echter de geldswaarde inzonderheid wel op prys te stellen, en waaraan zy wel eens te veel willen opofferen, hetgene vooral betrekking heeft op het schoolwezen. Dit is eene zaak, welke de meesters hedendaags duizend moeijelykheden veroorzaakt. Met den besten wil toch en de heilzaamste bedoelingen, is het nogtans onmogelyk te zorgen, dat hetzelve onder de tevenwoordige gesteldheid van betaling der schoolgelden, niet achter uitga. Och, dat dit beter ware! – Wat nu humeur, zeden en gewoonten betreft: deze zyn, hoe wel juist over het geheel niet zoo zeer beschaafd, echter ook niet ruw. – Met zoogenoemde baldadigheden, overlast by de huizen, of wat meer van dien aard zy, hebben wy hier zelden iets te doen. – Hunne dagelyksche gewoonte is van den morgen tot den avond toe, werkzaam te zyn in hun bedryf of hunne kostwinning. Het boerenvolk staat ten dien einde, des Zomers veelal te 3½ uur op, en verdeelt den dag in drie schofttyden wanneer dezelve des avonds te 6 uur geëindigd worden gehouden. Hun tyd van eten is, des morgens te 7, ’s middags te 12 en ’s avonds te 6 uur: ’s middags intusschen houdt het mannenvolk een slaapje. By de Ambachtslieden is in dit alles niet zoo veel regelmatigs. – Hun tyd van opstaan heet ’s morgens te 5 uur, en des avonds te 7 uur weer gedaan werk, doch hierop zyn dikwerf vele uitzonderingen. Hun tyd van eten, is nagenoeg als by den boerenstand, behalve des avonds, dan een uur later. – Men heeft, om in dit eene en ander orde en geregeldheid te behouden, iemand, die op de bepaalde uren, wanneer namelyk de arbeiders des morgens naar het werk moeten; en het etenstyd is, aan de klok luidt, waartoe ieder huisgezin meer of minder moet bydragen, en welk persoon daarvoor ook tevens het ambt van doodgraver waarneemt, zoo dat dit alles hier zeer wel en met orde is ingerigt. In den winter blyft dit alles byna aan het bovenstaande gelyk.
Wat hunne uitspanningen des zomers aanbetreft, die zyn, behalve dat men elkander wel eens op een avondpraatje ontvangt, hoofdzakelyk het bezoeken van handelkermissen, van harddraveryen, en des voorjaars inzonderheid van boeldagen. In de winteravonden, geeft men elkander dikwerf meer zoogenaamde visites, wanneer er een kopje chocolade wordt gedronken, met nog een kopje koffy tot besluit. – Men scheidt dan doorgaans niet eerder dan voor middernacht. Anders kan men het te bed gaan, over het geheel des winters en des zomers, vry bepaaldelyk stellen tussen 8½ en 10½ uur. – De gesprekken welke er intusschen in zoodanige gezelschappen doorgaans gehouden worden, zyn over hun bedryf en het geene daarmede meer of minder in betrekking staat. Voordeel, winst, is steeds het doel.
Wat eindelyk nog de gebruiken by trouwen en by begravenisplegtigheden aangaat: deze zyn ten aanzien van het eerste, algemeen, en inzonderheid by den boerenstand, zeer eenvoudig. Er worden daarby thans zelden of ooit eenige teekenen van uiterlyke vreugde en blydschap, gelyk zulks te voren plagt te geschieden, meer aan den dag gelegd of zoogenoemde Hoogtyden gehouden. Anders echter is het daarmede by begravenissen gesteld. Wordt er iemand slechts uit den middelmatig gegoeden boerenstand ter aarde besteld; zoo heeft men daarby dikwerf eene zamenkomst van menschen, die groot is, en niet zelden over de honderd konde bedragen. Er wordt dan gekookt en een omslag gemaakt, die niet min kostelyk, en voor den naastbestaanden zeer lastig moet zyn.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

In het bezit zynde van eenige oudheidkundige aanteekeningen van WesterEmden, overgenomen uit een oud kerkelyk Protocol, ’t welk voor dezen by de Pastory was gedeponeerd, heb ik deze aanteekeningen hiernevens ter leen bygevoegd, om dezelve eens weer terug te ontvangen.
Overigens heb ik hier nog by te doen, dat er op de plaats, waar volgens de aanteekening Walvischbeenderen zouden gevonden zyn, voor eenige jaren by het slechts een spit verdiepen eener sloot, eene menigte Zeeschelpen zyn voor den dag gekomen.
Van een Kasteel of Burgt, waarop een Edelman H. Wibena, in de aant. vermeld, zoude gewoond hebben, vindt men hier thans geene duidelyke bewyzen, slechts ééne plaats, ten Zuidwesten van de kerk gelegen, zoude men er het naast voor kunnen houden. Ik heb dezelve nu nog met oplettendheid bezigtigd, en kan er dit van zeggen. Vooreerst, dat er een buitengewoon hoog Singel, met een tamelyk breede gracht om dezelve loopt. Ten tweede, plagten er op dit Singel vele en zeer hooge en dikke boomen te staan, en wordt daarom de plaats nog heden ten dage, veeltyds het Bosch genaamd, anders, zegt men, was de naam derzelve in oude tyden, Filinga. Wat de byzonderheden omtrent de bouworde betreft, waarvan de oudheid thans maar alleen in het bovenste gedeelte nog over gebleven is, zoo vindt men daarvan buiten, boven ieder kozyn of glasraam, een hoofd in zerk uitgehouwen; en van binnen aan weerszyden van den haard, een mansbeeld, insgelyks in zerk uitgebeiteld of gehouwen, doch welke niet geheel aan elkander gelyk zyn, en voor een oudheidkundige opmerker, dunkt my, wel waardig, om gezien te worden. –
Eindelyk en ten laatsten, heb ik hier zelden van spookverschyningen hooren spreken, echter denk en weet ik zelfs wel, dat er nog dezen en genen gevonden worden, welke daaraan meer of minder geloof hechten; maar omdat men daarvoor thans niet zoo regt openlyk meer bekend durft te staan, worden deze denkbeelden dus ook niet meer, gelyk wel voorheen, verder voorgeplant en verbreid.
Meerdere byzonderheden, welke hier nog zouden voegen om geplaatst te worden, als overleveringen, oude gezangen, geboorte van kundige, dappere of verdienstelyke mannen, weet ik niet op te geven, waarom ik dus hiermede in dezen, myne taak voor geëindigd houd.

(get) D.J. Winter. Onderwyzer
der Jeugd te WesterEmden.