Zoek op de website

Westerwijtwerd

Gemeente Middelstum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Westerwytwerd.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Ten Oosten de Palen, strekkende zich uit, van af het dorp oostwaarts tot aan het Maarvliet eene uitwatering en tevens de scheiding tusschen ons en Stedum, komende in het Westerwytwerder maar by de plaats van J.E. Bierema; vervolgens strekt zich dit gehucht in een zuidelyke rigting bylangs het laatsgenoemde maar ¼ uur, tot aan de plaats van K.R. Smedes.
Ten Zuiden en Z.Westen het dorp, ligt de Breken hebbende eene uitgestrektheid van 15 – 30 minuten van hier. Ten Z.Westen op een afstand van slechts 5 minuten ligt Engeweer en: Ten Noorden halfweg Middelstum de Pomp.
Wegens de naamsoorsprong weet ik geene echtheid op te geven, dan alleenlyk, dat Westerwytwerd dien naam zoude ontvangen hebben, om het te onderscheiden van Oosterwytwerd (Zie Beschryving van Stad en Lande).
Doch er zyn nog eenigen die gissen, dat de naamsoorsprong moet gezocht worden uit het volgende:
Oudtyds zoude Middelstum, Doornwerd en Westerwytwerd onder eene kerkelyke Gemeente behoord hebben, dit dorp zoude eertyds geheeten hebben Westerwier of Westerwierde, ook Westerwitwert, even gelyk Middelstum en Toorn- of Doornwerd, te voren Mitilis teinheim, Midlestum – Dörnwert ook Doornwert – men leidt Mitilisteinheim af, omdat het nagenoeg tusschen Doornwerd en ons dorp gelegen was en de lteergreep Wyt omdat het verder van Middelstum afligt dan Doornwerd; doch dit alles laat ik graag aan het onderzoek van den wyzeren over.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Geen duif- of dufsteen. Het opschrift op de klok is:
“Joncker Evert Lewe tot Asinga wegen syn kinderen Jan Abel ende Joost Lewe, Heeren tot Ewsum eenige Collator.
Dns. Gerhardus Gansefoort Westph: Pastor, Lippe Knol ende Luitien Hendriks Kerckvogeden tot Westerwytwert – hebben mi do ik twe hondert mindree jaren olt was nies laten vergieten anno 1630 in mijne M.A.O.† M.N.R. ME Fecerunt.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

a. ten Oosten het Maarvliet,
b. het Westerwytwerdermaar, hetwelk uit loopt by Fraamtil in de trekvaart,
c. ten Westen het Karringe maar uitkomende te Onderdendam in de trekvaart: Dit maar is ook tevens de scheiding tusschen ons en de Rodeschole en Bedum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Vier, zoo als in 1827 is opgegeven, t.w. Een op Engeweer groot 2. B. 86 Ellen hoog, 4,9 Ellen.
Een ten N.Oosten groot 9½ bunder, hoog 4,84 ellen.
Idem ten Z. Oosten, groot 4 bunders 82 roeden 59 ellen – hoog 4,66 ellen.
Idem een weinig Zuidelyker, groot 2 bunders 86 ellen – hoog 3,89 ellen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het dierenryk
Paarden, Ossen, koeijen, schapen, varkens enz.
Plantenryk
Tarwe, rogge, garst, haver, erwten, boonen enz en vele groentens, die dienen tot voeding.
Het Delfstoffelyk ryk niets.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is hier alle gemengde klei, doch zeer verschillend (omdat hier hoog en laag land is), zoo heeft men in de Breken en ten Zuiden van de Palen (de Oorten genaamd, maar hier staan geen huizen) laagland, waar slechts 2 palmen ook 2½ palmen bouwgrond is, dan zoogenaamd knik of knipklei (Rooddoorn) ruim 3 palmen, dan weder klei – dan neemt langzamerhand het land in eene noordelyke en noordoostelyke rigting in hoogte toe, waar men geschikt land heeft (nagenoeg als het naburig Middelstum en Huizinge) waarin het zwaarste koren welig groeit: over het algemeen heeft men hier best grasland.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Één broodbakker, één Schoenmaker, één Kuiper, welke ook tevens winkeliers zyn, 1 Winkelier, Tapper, 1 Herbergier, 1 Wever, 2 Kleermakers, 2 Koornschippers, 2 timmer- en metsellieden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

-

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

-

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

-

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

-

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Plat Groningerlands, gelyk de naburige dorpen; doch als iets aardigs stip ik aan: men zegt op Engeweer het riengt, in plaats het regend.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Voorts is het karakter der menshen eenvoudig, en veel tot het oude overhellende, werkzaam en vooral liefhebbers van den openbaren godsdienst.
Gewoonten en levenswyze.
In het Zuidelyke gedeelte staat men meestal om 4 a 5 uren op, om 7 a 8 uren ontbyt men (de brytyd genoemd) boterhammen met koffy of chichorei water die geen garst verbouwd; maar die dit verbouwd, dan inplaats van de koffy - karnemelkspap.
Om 12 uren eet men weder gezond en sterk voedsel, waarby spek en vleesch niet gespaard wordt, dan begeeft men zich ter rust, zoo lang men buiten werkt tot 1¾ uur, dan koffy of thee gedronken en om 2 uren weder aan het werk tot ’s avonds 6 uren toe, dan wordt er weder gegeten en ieder (vooral de mannen) gaat waar hy wezen wil, om 8 a 9 uren begeeft men zich weder ter rust.
Op het meer hogere land is dit eenigzints anders, daar staat men ’s morgens om 3, 2½ – en ook wel, wanneer men rogge moet dorschen om 2 uren op, om 7 uren is het brytyd en ’s avonds (vooral ’s winters) om 5 uren eet men.
Voor het overige is alles aan het bovenstaande gelyk.
De uitspanningen zyn voornamelyk de onderlinge bezoeken, het reizen naar boeldagen, harddraveryen, markten enz.
By het trouwen heeft men thans zoo veel plegtigheden niet meer dan te voren.
By de begrafenissen gaat het nog al op den ouden voet; dikwyls worden 80 – 100 menschen genoodigd, om den overledenen de laatste eer te bewyzen, waarby voor en na het begraven niets wordt gespaart in spys en drank.
Om een voorbeeld hiervan aan te voeren zy het volgende: een geloofwaardig man verklaarde my eens (met hem over de uitigsten sprekende) dat ieder uitigst welke hy had gehad, hem meer dan 500 guldens had gekost, hebbende 2 vrouwen en 5 kinderen verloren.
Dit zal hoop ik genoeg zyn tot staving myner gezegde.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men wil dat onze kerk door 2 adelyke dames, tot het geslacht van den huize Ewsum behoorende en welke hier woonachtig waren zoude gebouwd zyn, uit een godsdienstig gevoel in de 11e of 12e eeuw.
Op Engeweer zoude een St Jans of een Klooster geweest zyn, de monniken en leken zouden van daar dagelyks met een schip gevaren zyn, naar de zoogenaamde Rooder Hogeschool (thans Rodeschool) om aldaar de lessen te ontvangen of by te wonen.
Het kanaal is voor het grootste gedeelte geslicht, maar nog genoeg zigtbaar, ook vindt men soms er nog dikke steenen en voor eenigen tyd heeft men er nog een steenen afleider van water gevonden van pompen die in elkander waren gestoken.
Hiermede hoop ik aan het oogmerk voldaan te hebben.

W.Wytwerd den 30 Sept. 1828.
(get.) H.K. Struivig.