Zoek op de website

Wetsinge

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Wetsing.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

In ons dorp bestaan geen gehuchten, en de naamsoorsprong voor my onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk ziet met veel dufsteen van onderscheiden grootte: zynde de kleinste soort iets grooter dan gewone baksteen, en de anderen ter grootte van ruim drie baksteenen. Aan de torenklok is een opschrift, zynde van inhoud: Anno 1604. Fri, doe god Gert Powels mi, to Embden.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De uitwatering onzer kerkelyke Gemeente zyn, de grootte AE, nemende haar begin by de Koningsleegte, en zoo noordwaards aan in het Zylmaar, uitwaterende door de Wetsinger Zyl.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden er in den omtrek van het dorp niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

In het dorp bestaan twee Wierden, op welker eene het dorp staat, liggende de tweede ten noorden het dorp en slechts van elkander gescheiden, door een tochtsloot. De hoogte der beide Wierden zal weinig verschillen, beide zullen zy denkelyk om de 4½ Ellen hoog zyn. – De uitgestrektheid van den eersten zes, en den laatsten vyf bunders.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen treft men hier niet aan.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het Dierenryk zyn: Koeÿen, Schapen, Zwynen en Paarden.
Uit het Plantenryk, Tarwe, Rogge, Garst, paardeboonen, Erwten, Raapzaak, Haver, Kool en aardappelen.
Uit het Delfstofryk: eenig Leem en een weinig klei tot steen of pannen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid van ons dorp bestaat ten Zuiden, Westen en Noorden meest uit klei en zwavelgrond, – en ten Oosten het dorp, de bovengrond uit klei, oer, of rooddorn – en dieper de zoogenoemde woelaarde, bestaande naar myn oordeel uit leem en zanddeelen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier zeer weinig beoefent.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de Fabryken, Trafyken en handwerken telt men: een pel- en rogmolen, eenige Winkeliers en tappers, een schoenmaker en een Timmerman.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Door de nabyheid der zee en de laagte van vele gronden, is de lucht hier veelal vochtig en zeer veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In het dorp is één kerk en één school, geen Lees- noch zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan, der meeste inwoners, bestaat in boerdery.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal van de inwoneren dezes dorps is te vinden in de volgende zamenspraak, tusschen Jan en Klaas.
Jan. - Dag Klaas.
Klaas. Dag Jan.
Jan. - Gaje ook Roonder mart?
Klaas. Dat kon wel wezen, ik heb der anders nyt veul zin an, maar ik ken haast gyn vree hollen met mien wief, en de jonges willen ook geern mit, – ’t zel ja wel aangaan moeten.
jan. - Als joen jonges te hoes blieven wollen, den konnen we mit enkander anspannen, ik wolder ook nog wel hen, en mien wief zelder ook wel zin an hebben, de weg is zoo mooi, men kent ’t haast nyt laten men ken ook altiet nyt ’t hoes zitten.
Klaas. Dat is zoo, nou ik zelder mit onze volk over praten en als ’t aangaan zel dan zelk ’t joe vroeg genog zeggen.
Jan. - Noe, dat is goed, wie laten dat zoo.
Klaas. Dag Jan.
Jan. - Dag Klaas, groetnis ’t hoes.
Klaas. Ook zoo.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen karakter der inwoners van dit dorp is zuinig, naarstig en nederig, en hunne levenswyze eenvoudig. –
De tyd van opstaan onder de landlieden, is desmorgens te 3, 4 en 5 uur, naar de gelegenheid des tyds. – Het ontbyt des morgens te 8 uren. Het middag eten om 12 uur. Het avondeten is des zomers zeer onderscheiden, zoo als in den hooityd en by het inoogsten, doch de algemeene tyd is des avonds te zes uur, en in den winter des avonds om vyf uur.
De tyd van te bedgaan onder de boerenstand, is in den Zomer des avonds te 8 a 9 uur en in den winter al spoedig na het eten.
De vermaken en uitspanningen der inwoners bestaan, in kermissen, Harddraveryen, paarde- en beestemerkten, en in den winter vermaken zy zich met schaatsryden.
De wyze van bezoeken is eenvoudig en veroorzaakt weinig kosten: wanneer iemand een bezoek krygt van vrienden of goede bekenden, op een morgen of voordenmiddag, genieten zy algemeen by de aankomst, een glasje Genever of Brandewyn, zoo als de vrienden het verkiezen; – vervolgens wordt er koffy gedronken, eene kleine wandeling gedaan, en dan volgt het middag eten, het welk algemeen bestaat in meelspyzen, aardappelen, spek en vleesch, en zoo het de gegoedheid toestaat, ook nog wel eens eenige kleinigheden.
Op een avondbezoek onder minvermogenden drinkt men slechts een kopje koffy – men rookt een pyp en daarmede is alles afgedaan. –
By meergegoeden drinkt men een kopje chocolade en koffy, ook wel eens glaasje Brandewyn of Genever, en daarmede is het bezoek afgeloopen.
De dagelyksche tafel is mede zeer eenvoudig, bestaande meest in het geen de dorpelingen zelfs verbouwen, en de meeste spyzen zyn vermengd met aardappelen.
De gebruiken by het trouwen zyn met weinig omslag en geschiedt in tegenwoordigheid van ouders of voogden en slechts eenige vrienden, alleen voor den Burgemeester – Kerkelyke plegtigheden wegen het huwelyk hebben thans by ons geen plaats.
By het begraven der dooden zyn de lykplegtigheden almede eenvoudig: het begraven heeft plaats onder het luiden van den dorpsklok des middags te twaalf uur wordende het lyk gevolgt door de naaste vrienden en bloedverwanten als mede in ons dorp door alle inwoneren naar willekeur, – na het begraven keert men weder naar het sterfhuis, waar de tafel gereed staat, en algemeen niet anders genoten wordt, als witbrood en rystenbry, en na de maaltyd bier.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Plaatselyke byzonderheden zyn van ons dorp weinig op te noemen, dan voorheen stond hier de Burgt Onsta, laatst bezeten, door den Weledelen Gestrengen Heer Johannes Bébingh welke genoemde Burgt in den jare 1801 heeft laten afbreken de landeryen, bosschen en afbraak verkogt, en daarna van hier vertrok naar Stedum, waar ZynWeledelGestr. in het jaar 1827 is overleden, en in de Grafkelder te Sauwert is bygezet.
In de kerk te Wetsing is ook een grafkelder liggende voor deszelfs ingang een klein grafsteentje waarop men leest. Ao 1595 den 14 Nov. starf Aepko van Starckenborg den Godt genedig zy – Boven de kelder, liggen twee buitengewone groote grafsteenen; de eene van Boiscko van der Wenghe, overleden A° 1640, den 25 Juny, en de tweede van Aepko Onstha, overleden A° 1564, den 28 Apr.

(get) Dus beantwoord door
Nicolaús Copius Bolt
Schoolonderwyzer.