Zoek op de website

Wierum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Wierum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De hooge paddepoel, ten oosten het Reitdiep, eene vierkante ligging ten Zuiden van Wierum ¼ uur van de kerk.
Ten tweeden. Gaykingadyk, ten Westen het Reitdiep en ten oosten het Aduarderdiep, liggende in eene lengte van ¼ uur ten Zuiden van Wierum en ½ uur van de kerk. – Heeft zynen naam ontleend, van twee Edelen, Hendrik en Frederik Gaykinga, de laatstgenoemde in 1360 Abt in het klooster te Aduard zynde.
Ten derden. Het Nieuweland, daaronder begrepen het Aduarder Voorwerk, liggende Zuid- en Noordwaarts, ¾ uur van de kerk. Alle drie buurtschappen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Het opschrift op de torenklok is deze: Gerhard Schimmel, heft mi gegoten, voor Jacob Uetermaten 1682.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Hunse of Reitdiep, loopende Zuid- en Noordwaarts tot aan de Zoutkamp in de Noordzee.
Ten tweeden. Het Selwerder diepje, loopende van af Groningen, tot aan Wierum, voorheen de oude Hunze, thans eene breedte van 4.8 palm, loopende al kronkelende Zuid- en Noord.
Ten derden. Het Aduarder diep, loopende Zuid en Noord van af de Nieuwe brug tot de Aduarder Zyl.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren geene.
Gasten geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Wierden. Twee. één waarop de kerk is staande in zyn omtrek nagenoeg zes bunders en één in de Paddepoel, in zyn omtrek vier bunder. Warven, Essen, Heuvels en Hoogten, geene Dyken, twee, bylangs de Hunse of Reitdiep.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen der drie Natuurryken zyn hoofdzakelyk deze: Het Plantenryk als Tarwe, Rogge, Garst, Haver, Boonen, aardappelen, knollen, wortel, tuin- en peulvruchten.
Het dierenryk: schoone paarden, koeyen, schapen, varkens en de wateren, leveren veel heerlyke visch op, als snoek, baars, aal, karpers, bot en meer anderen.
Wat de Delfstoffen betreft vindt men hier niet noemenswaardig.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is meest knik- of knipklei, op sommige plaatsen met eenig zand vermengd.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Hoofdzakelyk de landbouw en Veeteelt.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Het maken van tigchelsteenen en pannen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De gematigde luchtsgesteldheid veelal vochtig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school en een Leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn hoofdzakelyk, de landbouw en veeteelt voor koophandel.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De gewone taal is plat Groningerlands.

Zamenspraak.

Goe murgen Pyt, ook goe murgen Jan; ’t Is mooi weer Pyt, ja dat is ’t ook. Wie wollen van daag aan ’t haver mennen, als ’t goed weer blift. Wat dunkt joe van ’t weer? Mi dunkt ’t zel wel gaan Pyt. Wie wollen ook an ’t hooi mennen. Je hebben wis hooi verkoft? Ja Jan! ik heb nog tien oppers verkoft na Stat. Wat krieg je veur de opper? Ik heb zes gullen bedongen, dat is goed gelt. Ja! maar ik moet ’t ook na Stat brengen, scheelt ook en gullen op opper. O! wat was mien moer lelk, doe ‘k heur zee, dat ‘k na Stat brengen most. Maar jong ik kon ’t niet laten. Zuk gemyn goed, ’t is en bult gelt zes gullen. Ik wol het zulfs an gyn koe geven om ’t zuk gemyn goet is.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het karakter standvastig, styfhoofdig veel aan het oude gehecht. Eenvoudige levenswyze. Zeden, niet zoo in de groote mate bedorven dan in groote steden en dorpen. Gewoonten, zeer verschillende. – De tyd van opstaan des morgens te 3, 4 a 5 uur. Ontbyten des morgens 8 uur, des middags te 12 uur en des avonds te 6 uren.
Bedgaan, des avonds te 9 a 10 uur. Vermaken en uitspanningen hoofdzakelyk kermissen, boeldagen, harddraveryen, inzonderheid de herfst beestemarkten waaruit byzondere gesprekken voortvloeÿen.
Wyze van bezoeken, des avonds gewoonlyk op een kopje koffy of chocolade, tot laat in den nacht, daarby gewoonlyk over hunne beroepsbezigheden te spreken, alsmede over den handel van het graan, boter en meer andere voortbrengselen.
Tafel, gewoonlyk groenten door hun zelfs verbouwt wordende, als aardappels, knollen, wortels, kool. tuinvruchten met aanzienlyk spek en vleesch alsmede gort en meelspyzen en veel bry tot drie maal des daags.
Gebruiken by het trouwen. Burgerlyke trouwplegtigheden, waarby de familie genoodigd worden, en zich dien dag byzonder vermaken en des avonds wordt de jonge vrouw ter bed gebragt door de aanwezige vrouwen, denkelyk nog een oud Oostersch overblyfsel in gebruik gehouden.
Begravenissen. Het lyk wordt met de wagen naar het kerkhof gebragt (door den verren afstand van de kerk) op eene baar gezet en de familie met eenige buren zich daar achter te voegen, om de kerk gedragen, in het graf gezet, en na het begraven een eenvoudig vrinden maal, van wittebrood en bier, en na den maaltyd koffy en thee.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

De byzonderheden der plaats zyn hoofdzakelyk deze:
In den jare 1191 is te Wierum een klooster gebouwt, waarvan in het jaar 1824 nog een put is gevonden, door den Heer Predikant S.A. de Jonge en den schoolonderwyzer J.G. Scholma die byzonder diep is. Alsmede de geboorte plaats van den Hoogleeraar Professor Jacobus Albertus Uilkens, welke in de Paddepoel te Wierum is geboren. –