Zoek op de website

Wildervank

Gemeente Wildervank (beneden)

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam dezer Gemeente is Wildervank.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Hier in liggen geene gehuchten of buurtschappen: doch het zuidelyk gedeelte der Borgercompagnie ½ uur ten N. der kerk, en het noordelyk gedeelte van de Stadskanaal, op een uur afstands ten Z. der kerk, zyn burgerlyk en kerkelyk onder deze Gemeente. De naam Wildervank heeft zynen oorsprong van Adriaan G.Wildervanck, die de venen van Veendam en Wildervank heeft begonnen te verarbeiden en de diepen of vaarten heeft aangelegd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Het opschrift op de torenklok luidt: I. Borchhard : Fudit : Enchusae 1764.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men vindt in deze Gemeente twee gegravene diepen, het Ooster- en Westerdiep, loopende evenwydig, en nagenoeg Z.Z.W. en N.N.O. – Het Oosterdiep neemt zynen aanvang by het zoogenaamde Barreveld op de grenzen van de prov: Drenthe, vangt al spoedig het water uit de Stadskanaal, en loopt in de straks gemelde rigting een uur gaans voort.
Het Westerdiep neemt zynen aanvang insgelyks by de grenzen van Drenthe, doch een weinig ten noorden van Barreveld; hetzelve vereenigt zich op de N. grenzen met het Oosterdiep terwyl dit laatste dan ook terstond door middel van een vallaat met het Veendammerdiep vereenigd wordt.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Twee meeren, afgetapt. Het eene op een half uur afstands ten W. van het Westerdiep. Het andere (hoed- of hoek-mansmeer) op een uur afstand ten Oosten van het Oosterdiep.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene hoogten, gasten, wierden enz.

7. Welke bosschen zijn daar?

Ook geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voorbrengselen uit het Dierenryk zyn, als op de meeste plaatsen dezer Provincie, Koeijen, paarden, schapen, varkens, hoenders, eenden, hazen, vossen, patryzen, snippen, kwartels, enz. enz. eenige soorten van visch; als, Snoek, baars, aal, brasem, voorn enz. voorts adders, slangen, kikkers, padden, hagedissen.
De bijenteelt is hier ook al eenigzins uitgebreid.
Onder het Plantenryk telt met vruchtboomen en andere houtgewassen.
De voornaamste graansoorten zyn rogge, garst, haver, boekweit, zelfs zomer- en, winterzaad, aardappelen, peulgewassen enz, keukengroenten heeft men hier met een zeer goed gevolg.
Delfstoffen zyn hier buiten het Veen niet.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Afgegravene Veen- en Zandgrond.
De eigenlyke bouw- of teelaarde bestaat uit de vermenging van veen en zand, welke ter hoogte van één voet over verwerkt veen is gelegd en vruchtbaar is door bemesting. Dit verwerkt veen rust, ter diepte van vier, vyf of zes voeten op het zoogenaamde vaste zand. Het land, onder deze Gemeente, is naar het zuiden het hoogste en neemt in eene effene helling naar het noorden af.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

De teekenkunst, Schilderkunst, Bouwkunst, muzyk of toonkunst, zangkunst, Godsgeleerdheid, Beoefenende Geneeskunde en Wiskunde worden hier beoefend. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Eene Potaschfabryk, twee bierbrouweryen, 6 scheepstimmerwerven, twee goud- en zeven yzersmeden, vele linnenweveryen, hoedenmakeryen en eene menigte andere ambachten.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgestelheid is hier vochtig, doch niet ongezond. Het afstroomend water en de hoogte van den grond is voor de gezondheid allezins voordeelig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Twee kerken, n.l. eene Gereformeerde en eene Luthersche, twee scholen, twee Leesgezelschappen en één zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Een groot getal inwoners hebben hun bestaan in de Landbouw, veeteelt en ook nog in de Veenderyen. Men heeft hier ook veel schippers. De buitenvaart begint hier jaarlyks te vermeerderen; – voorts heeft men hier vele neringdoende lieden, koren kopers, herbergiers en een groot getal werklieden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal merke men uit het volgende voorbeeld, Hinderkien! heb ie ’t ook wel heurd dat Pyter dood is?
Wat! is Pyter dood!
Ja.
Wanneer is hy sturven?
Guster avend om ein uur of elven. Ein toertje te veuren het hy nog ein beetje eten en was vry vlog: maar dou wuir y zoo benauwd, en ein oogenblikkien daarna sturf ij.
Hou is ’t mit eur volk?
Dat kenje ligt begriepen; zy adden ’t wel lank in de muit zein; maar ’t kwam heur toch nog onverwacht over. enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Vlyt, spaarzaamheid, opregtheid, dankbaarheid voor genotene weldaden enz. Kan men als karaktertrekken der inwoners opgeven; hunne levenswyze is arbeidzaam. In den zomer gaan de land- en handwerksman te 4 en 5 uren, de arbeidsman te een uur in den morgen en zelfs vroeger, opgeruimd hunne bezigheden beginnen; te acht uren gebruikt men het ontbyt, terwyl de torenklok te twaalf uren den middag en te zes uren de rust aankondigt. Vermaken en uitspanningen zoekt men niet dikwyls. Op kermissen (die hier voorjaar en herfst plaats hebben) wordt de luidruchtige vrolykheid wel eens tot ruim middernacht voortgezet.
In de winteravonden bezoeken vrienden en buren elkander en nemen daartoe liefst eenen zondagavond; tafelgerigten zyn dan kost- of min kostbaar, naar gelang de beurs of inkomsten van den gastheer zyn.
By het trouwen worden familie en bekenden tegen den namiddag genoodigd aan het huis van de ouders der bruid (waar meestentyds de hoogtyd gevierd wordt). Hier brengt men den geheelen avond in railleeren en vrolyke gesprekken door, ledigt menig glaasje op geluk en zegen van de jong gehuwden, spyzigt van eene welgegunde en rykelyk voorziene tafel en scheidt dikwerf niet eerder, dan na middernacht. By de lage volksklasse heerscht de vrolykheid dan wel eens te overmatig.
Tot het bywonen van lykplegtigheden worden de nabestaanden van den overledenen, als mede goede vrienden en buren genoodigd aan het sterfhuis. De buren zyn belast met de lykdiensten. Tegen 12 uren heeft de lykplegtigheid plaats, wordende de overledene naar het kerkhof gevoerd of gedragen en aldaar ter aarde besteld; op het oogenblik, dat het lyk in het graf gezet wordt, zwygt de torenklok. – Na dat eindelyk alles verrigt is, gaat men weder huiswaarts; de genoodigden hebben dan eenen vrienden maaltyd aan het sterfhuis. –

(get) Js K. de Vrieze.

Gemeente Wildervank (boven)

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam dezer plaats is Wildervank.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

In deze plaats liggen eigenlyk geene gehuchte of buurtschappen; slechts een klein gedeelte van de Borgercpompagnie ten noorden der gereformeerde kerk, als ook van het Nieuwe Stadskanaal ten zuiden van genoemde kerk gelegen is met deze plaats vereenigd zoo kerkelyk als Burgerlyk.
Deze plaats heeft haren naam bekomen van A.G. Wildervank, aanlegger van Veendam en Wildervank. –

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen vindt men aan de Kerk niet; – het opschrift op de torenklok luidt, I. Borchhard : fuddit ; Enchusae. 1764.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men heeft hier twee diepen, hebbende even als de plaats zelve eene regte strekking van het noordoosten naar het Zuidwesten ter lengte van een uur gaans en het Ooster- en Wester diep genaamd.
Het eerst genoemde loopt door middel van een verlaat in dat van Veendam en heeft ook gemeenschap door ditzelfde middel met het Nieuwe Stads Kanaal; het tweede of Westerdiep heeft aan de zyde naar Veendam gemeenschap met het Oosterdiep; doch heeft geene doorvaart naar het Nieuwe Stadskanaal. –
Voorts heeft men by ieder diep een uitmuntende weg en voetpad en op eenigen afstand van elkander lanen om van het eene diep naar het andere te komen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Voorheen had men hier gen Zuidoosten van de kerk op het territoir van de Wildervank, Ommelanderwyk en Nieuwe Pekela, het Hoedmans-meer in omtrek één uur groot geweest; doch door de afgraving der Veenen werd het water van genoemd meer afgeleid en belet toevoer van water te verkrygen, is het eindelyk uitgedroogd.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Daar de ondergrond na de afgraving van het Veen voor landbouw geschikt gemaakt is, zoo treft men hier geene hoogten, wierden, essen enz. aan.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen heeft men hier ook niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het Delfstoffelyk ryk, nu het Veen zoo goed als vergraven is, zyn zeer gering. Zand van onderscheidene hoedanigheid is het eenigste product van genoemd ryk. Het plantenryk biedt thans meer voordeelen aan, dan voor een paar eeuwen; met goed gevolg verbouwt men allerlei soorten van graan, zelfs winter- kool- of raapzaad en tarwe; Aardappelen worden er veelvuldig verbouwd; allerlei soorten van tuinvruchten worden er met het beste gevolg aangekweekt.
Het dierenryk biedt insgelyks vele voordeelen aan, het paard, de koe, het schaap en het varken vinden er hun bestaan en leveren vele voordeelen op; doch het eerst en laatst genoemde dier laat men hier niet voortteelen; maar worden van andere plaatsen ingevoerd. – Er onhoudt zich ook wild gedierte voornamelyk, de haas en patrys.
De byënteelt wordt er ook uit geöefend, doch in lang zoo sterk niet als in het naburige Drenthe.
 

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Daar het land ook van de zee af, allengs hooger wordt, zoo is hier ook ten duidelyksten zigtbaar, de verlaten van hier tot Martenshoek, duiden aan, dat de grond hier om de twee Nederl. Ellen hooger is dan te Groningen; iets dat de verveening zeer komt te stade; daar de Verveener nu zyne diepen en wyken, zoo diep niet behoeft te graven, als hy anders zoude moeten doen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

De Wetenschappen, die hier geoefend worden, zyn het lager – en middelbaar onderwys, muzyk, teeken- en Zeevaartkunde. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier twee goud- en Zilversmeden, zeven Yzersmederyen, zes scheepstimmerwerven; waarop thans druk gewerkt wordt; twee koorn en een olie molen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier even als op vele andere plaatsen onzes Vaderlands vochtig en zeer veranderlyk, doch wordt geenzins voor ongezond gehouden; de dagelyksche afstrooming van het water schynt der gezondheid voordeelig te zyn.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Men vindt hier twee kerken; ééne Gereformeerde en ééne Lutersche kerk; twee scholen, twee leesgezelschappen en des winters één, ook wel twéé zanggezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Vele ingezetenen hebben hun bestaan in den landbouw; anderen in de scheepvaart, vooral in de Binnenlandsche n.l. in het vervoeren der turf naar andere plaatsen, ook de buitenvaart begint hier uitgeoefend te worden. Ook heeft men hier vele ambachts en neringdoende lieden en een groot getal werklieden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De plat-duitsche tongval is de gemeenzaamste, – opmerkelyk is het echter dat men hier, zoo wel als in andere kolonien een het gehoor kwetsende uitspraak hoort tusschen de klinker a en medeklinker h.
Velen meenen dat men deze letters goed uitspreekt; doch in eenen verkeerden zin, zoo dat als men a moet noemen, men de h hoort uitspreken en zoo omgekeerd; doch dit is het geval myns bedunkens niet; men maakt, zoo ver ik kan nagaan geheel geene onderscheid tusschen a en h.
De uitspraak nu van deze letters slaagt eenigzins naar de h over; doch geschiedt niet met de vereischte uitblazing; dus te zacht wanneer de lettergreep met h begint en te sterk als die met a aanvangt. Wil men hier eene proef van, zoo late men maar eens uitspreken b.v. Is Harm arm men zal dan geene onderscheiding dezer woorden hooren.
Het is dus even zoo wel eene verkeerde uitspraak als wel meer plaats heeft tusschen de twee klanken ou en au ei en ij.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Spaarzaamheid, openhartigheid, nederigheid en naarstigheid zyn de karaktertrekken dezer inwoners. Des zomers in den vroegen morgen te 3 a 4 uren spoedt de werk- en ambachtsman zich aan zyne bezigheden en geniet geen rust voor des morgens 8 uren, wanneer hy zyn ontbyt neemt; het luiden der klok om 12 uren kondigt hem den middagmaaltyd aan en des avonds te zes uren zynen rust. Vermaken en uitspanningen geniet men zelden. Op Kermisdagen hoort men eene luidruchtige vrolykheid, die dan wel eens den geheelen nacht duurt; by het trouwen heeft dit insgelyks plaats, en het feest by die gelegenheid gegeven, neemt thans dikwyls tegen den avond eenen aanvang en duurt tot laat in den nacht.
Het begraven der dooden geschiedt hier altyd even als op vele andere plaatsen op den middag; de naastbestaanden noodigen hunne vrienden en bekenden om den overledenen grafwaarts te vergezellen en genieten daarna eenen vrienden maaltijd. –
Het bezoeken van vrienden en bekenden (digt by elkander wonende) geschiedt mede des avonds, en verkiest daartoe by voorkeur eenen zondag avond; wanneer men elkander des avonds te 5 a 6 uren bezoekt en zich met vrolyke gesprekken en onkostbare maaltyden tot middernacht bezig houdt. –

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Daar deze plaats nog geene twee eeuwen bestond zyn er zeker zoo vele merkwaardigheden uit oude tyden niet, dan op wel andere van dit gewest, echter eene merkwaardigheid omtrent de standplaats der gereformeerde kerk en die algemeen onder de inwoners geloofd wordt, is dat voor het bestaan dier kerk, de vrouw van A.G. Wildervank eens over het Veen wandelende, vermoeid geworden zynde, zich een weinig neder had gezet om te rusten en was in slaap gevallen; toen zy kort daarna ontwaakte, bespeurde zy eenen adder om haren arm, en door schrik bevangen, zegt zy, wanneer zy gelukkig van dit dier mogt verlost worden, dan zou op die plaats een Godshuis gebouwd worden, en dat naderhand de kerk juist op die plaats gebouwd is, waar dit voorval plaats had. Voorts zegt men dat Veendam dit wapen aangenomen heeft, verbeeldende een arm met een kronkelende adder daarom, hebbende een struikje in de hand, waar een lelie boven geplaatst is.

Wildervank den
1 October 1828. (getd) N.W. Bontkes.