Zoek op de website

Winsum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van mijne woonplaats is Winsum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

In dezelve ligt: a. de Schilgeham, een buurtschap van eenige boerenwoningen, een klein half uur westwaards van de kerk;
b. Thyum, een buurtschap van drie boerenwoningen, ¼ uurs zuidwaards van de kerk en
c. Bellingeweer, een gehucht van 26 meest boerenwoningen, zuid- en zuidoost aan Winsum genzende.
Voor omstreeks acht jaren was dit Bellingeweer nog een kerkdorpje; doch toen met Winsum tot eene kerkelijke gemeente vereenigd zynde, werd de kerk en toren afgebroken.
De naamsoorsprong van Bellingeweer en Thyum is my onbekend. Schilgeham, ook wel Schilligham ligt schel, scheel, of scheef, en mogelijk vandaar dezelfs naam. Winsum, schreef men voorheen Winsheim, beteekende misschien aangewonnen heem of land.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De zuidzyde onzer kerk bestaat nog grootstendeels uit dufsteen: deze steenen zijn lang omstreeks 35 nederlandsche duimen, breed 20 duimen en dik 10 duimen.
Onze torenklok is aan de zuidzyde versierd met het wapen eener dubbelde arend. In den bovenrand vindt men, tot opschrift:
'Stadt groningen ende de gemiente van winsum hebben my doen gieten int yar onses heeren ende verlossers Ihesu Christi 1633.'
En in den onderrand leest men deze inscriptie:
'Door des vyers kracht ben ik gefloten. Meister Nicoilas Siemans tot groningen heft my gegoten. Anno Dominy 1633. heb. x. vers XV. verlaet de onderlinge versamelinge niet dan ........., gadert.'
Het alhier uitgelatene tusschen dan en gadert was onleesbaar.
Ten zuiden van Winsum tusschen Bellingeweer en Wetsing heeft men het Wetsingermaar, uitwaterende door de Wetsingerzyl in het reitdiep; ten oosten de oude AE; ten noorden het zyldiep loopende tusschen de dorpen Winsum en Obergum door; zich vervolgens ontlastende door de Winsumer- en Schaphalsterzyl, in het reitdiep. Ook vindt nog zuidwestwaards van Winsum en Bellingeweer de oude kronkelende Hunse, scheidende evengemelde plaatsen van Klein-Garnwert. Klein-Garnwert behoort in het burgelijke onder
Winsum en in het kerkelijke onder Garnwert, aan de overzyde van het in 1638 verlegde reitdiep.
By de borgstede Tamminga te Bellingeweer begint het zoogenaamde potmaar, loopende door de Bellingeweerster- en Winsumer-meden; uitwaterende in het zyldiep.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

In den omtrek van ons dorp heeft men geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Het dorp Winsum ligt op eene wierde ter hoogte van omstreeks drie ellen. Het kerkhof te Bellingeweer met eenige bunders land is eene wierde ter hoogte van ruim 4 ellen. By de buurt Thyum liggen ook eenige bunders land op eene hoogte van 3 ellen en 5 palmen, en de wierde by de boerenplaats (genaamd Valkum) is hoog drie ellen en 6 palmen. Ten zuidwesten van Winsum en Bellingeweer vindt men nog gedeelte der oude dijk, voor den jare 1638 gediend hebbende om de rivier de Hunse binnen zyne oevers te houden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosch van aanbelang treft men hier niet aan.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voornaamste natuurvoortbrengselen zijn: a. paarden, koeijen, schapen en varkens; b. tarwe, garst, haver, raapzaad, erwten, boonen, aardappelen en c. klein voor de steen- en pannebakkeryen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

By en om Winsum is de grondsgesteldheid veelal zavelachtig (gemengd); verder westwaards in de Schilgeham zware klei; en ten oosten en zuidoosten heeft men laag land, (bekend onder den naam van de Winsumer- en Bellingeweerster meden,) hier heeft men eerst eene dunne laag klei, daarna rooddoorn en  nog dieper derg of veengrond, welk veen men ook by Winsum en Bellingeweer op eenige diepte onder de zavelachtige aarde ontdekt.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Behalve een aantal landbouwers, heeft men hier: 1 Houtzaag en oliemolen, 1 pel- en korenmolen, 1 grutter, 2 steen - en pannebakkeryen, 1 kalkbrandery, 1 Bierbrouwer, 2 Geneesmeesters, 1 apothecar, 1 broodbakker, 3 zadelmakers, 1 kuiper, 1 stelmaker, 3 smeden, 3 slagters, kleermakers, verwers, schoenmakers, 1 linnen wever en vele andere winkel- en neringdoende lieden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier veelal veranderlijk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In ons dorp bestaat eene kerk, eene school, een leesgezelschap en op sommige tyden een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De inwoners zoeken hun voornaamste bestaan in landbouw en veeteelt, alsmede door het uitoefenen van bovengemelde bedryven en handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal is hier evenals in andere voorname dorpen van dit kanton.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners alhier in het algemeen volgen eene matige levenswijze; zijn arbeidzaam en mededeelzaam; hebben de loffelijke gewoonte des morgens vroeg optestaan en vroeg naar bed te gaan; des morgen om 8 - des middags te 12 - en s' avonds om 6 of 7 uren te eten; hunne gezelschapbezoeken zijn eenvoudig, min kostbaar; geoorloofde vermaken en uitspanningen worden gezocht; in de kleeding volgt men de mode; de begravenisplegtigheden dienden minder kostbaar ingerigt te worden; hetgeen mogelijk eerlang volgen zal; - en wat er verder het algmeen karacter betreft, heerschen hier de gebreken en beoefend hier men die deugden, welke aan de bewoners dezer Provincie eigen zyn.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

In vroegere tyd moet te Winsum (vyf minuten oostwaards van de kerk) een Burgt of Heerlykheid gestaan hebben, toebehoorende aan de Ripperda's; er staan thans eene boerenplaats nog genaamd Ripperda. De burgt Tamminga te Bellingeweer werd voor omstreeks acht jaren afgebroken. Het in 1275 gebouwde klooster te Winsum, werd in de Spaansche beroerten verwoest en uitgeplunderd. Op de hoogte waarop Winsum gebouwd is, vondt men wel eens bij het graven van diepten, krygswapenen, geraamten van menschen, mest en gebrokene urnen. Dat Winsum de geboorteplaats van den geleerden en welsprekenden Regnerus Predinius is, is algemeen bekend.

De schoolonderwyzer te Winsum.

R.J. Zwart.