Zoek op de website

Wirdum

Gemeente Loppersum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Wirdum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Hieronder behoort Equerd in eene Z.O. Strekking van de kerk gelegen, ½ à 1 Ned. myl.
Wat de naamsoorsprong betreft: onder de ingezetenen is daaromtrent niets bekend en derhalve kan ik daarvan geene betere gissing voortbrengen. dan de oude kronykschryvers lang reeds gedaan hebben.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze kerk kan ik geene dufsteen ontdekken. De oude klok dezes dorps is voor een paar jaren geborsten, en sedert 1827, vervangen door eene van elders gekomen, die dit randschrift voert:
Onno Tamminga tot W.B.A. cum anw. ir en hou Erf.Sch: tot Wens: zylen Staat Gen: Unicus coll. p. Hemmÿ rei A° 1678.+

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men vindt hier de Equerder en Wirdummer maren, elk slechts ¾ N. Myl plm. lang, welke in de Fivel, die voorby onze kerkelyke gemeente loopt, uitwateren. Hunne loop is regt zuidwaards.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De alhier gevraagde voorwerpen zyn in den herfst van 1827, door my opgegeven, waarnaar ik dus by dezen verwyze.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene Bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Deze zyn dezelfde als die van alle omgelegene dorpen, en ook geene meer.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten noorden van de Fivel zyn de kleilanden meer of minder met zand vermengd: dus algemeen zavelaarde. – Ten Zuiden der Fivel is de grond dargachtig, ook soms met rooddoorn vermengd.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden gelyk bekend is door de landlieden, en dus ook alhier niet opzettelyk beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier eene Steen, panne en kalkbrandery aan de Fivel gelegen op Rusthoven. Voorts heeft men ééne Rog en Pelmolen. Vervolgens Schoenmakers, Wever, Kuiper, Bakker en Smid.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Deze is gelyk aan die van het geheele Noorderdeel dezer provincie.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier bestaan ééne kerk, eene nieuwe school; maar geen zang- of leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De Landbouw en Veeteelt, met de daaraan verknochte bedryven.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal is dezelfde, als die van de rondomgelegene dorpen op het hooge land.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen karakter leidt henen tot eene arbeidzame, eenvoudige, matige levenswyze. Vroeg op de been en vroegtydig weder ter ruste, is met weinige uitzondering, de algemeene orde.
De tyd van ’t eten is ’s morgens 7, ’s middags 12 en ’s avonds te 6 uren. Feesten weet men niet meer van: de bezoeken zyn ongedwongen, zonder staatsie of ceremonien, zoo als het aan vrye zoonen der natuur behaagt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men vindt hier nog een overblyfsel eener burgt, de Oldebeurg genoemd, waarvan geene byzonderheden bekend zyn.

Wirdum den 10 September 1828.
(get) J. Holthuis.