Zoek op de website

Zandeweer

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Zandeweer.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. De buurtschappen Doodstil, Molenhorn en Knyp.
b. Doodstil ligt pl.m. 6 min. ten westen, Molenberg pl.m. 3 ten oosten en Knyp pl.m. 10 min. Z.W.t.Z. van Zandeweer.
c. Door het graven van het Boterdiep, werd het voor de inwoners van Doodstil, welke grotendeels aan de westzyde van het diep woonden onmogelyk, of ten minste ongemakkelyk, om hunne dooden te Zandeweer te begraven. Om dit gebrek nu voor te komen lag men over het diep eenen til, welke men om die reden den naam gaf van Doodstil of Doodentil.
In de buurt Molenhorn staan thans twee molens, waarvan dezelve zeker haren naam ontleend heeft.
Knyp is eene buurt, bestaande uit eenige boerenhuizen. Zy heeft zeker dien naam gekregen, omdat zy aan twee zyden ingesloten wordt: de eene zyde door het Eppingehuizer maar en de andere zyde door het Boterdiep.
Het dorp Zandeweer ligt aan den voet van eenen wier, welke oudtyds den naam droeg van Sandwier: waaruit men gemakkelyk kan afleiden, dat het dorp daaraan zyner naam verschuldigd is.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. Aan onze kerk is geen duf- of duifsteen.
b. Ja, hier zyn twee torenklokken; ieder met eenen opschrift.
c. Het opschrift van de groote klok luidt aldus:
“anno dm MCCCCLXVII maria hm (bin) ik, gheheten dat
“kerspel to Cantwer let mi gheten”.
“marië toer (to ere) do + otto ter hancowe (hanso) unde
“Hilbrant capucet (schinkel) hoile (hoise) op vieren (weren)
“un dode un gaike vogde henrick kokenbakker mi goten hat.”
(De woorden tussen haakjes geven enige verklaring)

Nu staat er nog aan de ene zyde van deze klok, het beeld van Maria en aan de andere zyde het beeld van Jezus aan het kruis, met de daaronderstaande weenende vrouwen:
bovenaan het kruis staan de letters INRI.
Het opschrift van de kleine klok luidt aldus:
“anno dm MCCCCLXVII katerina hm ik gheheten dat kerspel
“to Santwer let mi gheten”.
“dus het ik er dus cuatres in cantwer de functos plango
“vivos voco fulgura frango voy mea voy vite voco at sacra
“venite”.

Nu staat er nog aan beide zyden van de klok het beeld van Katerina, terwyl de opschriften zoo wel van de groote als van de kleine klok met beelden doorweefd zyn.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

a. Het Uithuizermeeder maar, het Eppingehuizer maar en het Boterdiep.
b. Het Uithuizermeeder maar loopt noordwaarts van Zandeweer en komt tusschen de buurt Doodstil en Uithuizen in het Boterdiep. Het Eppingehuizer maar loopt zuidwaarts van Zandeweer en komt tusschen Doodstil en Kantens in het Boterdiep. Het Boterdiep loopt westwaarts van Zandeweer door de buurt Doodstil en van Doodstil noordwaarts naar Uithuizen zuidwaarts naar Kantens.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

De 5de, 6de en 7de vraag kunnen niet beantwoord worden omdat er niets van dezelve bestaan dan wierden: doch die zyn in het jaar 1827 door H. Heinardi gemeten.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a. Uit het ryk der planten:
Rogge, gerst, haver, tarwe, raapzaad, erwten, paardeboonen, aardappelen, appels peren enz.
b. Uit het ryk der dieren:
Paarden, rundvee, schapen, verkens, ganzen, zwanen, eenden, hoenderen enz.
c. Uit het ryk der derlfstoffen:
Niets.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Het is hier een gemengden grond, bestaande uit klei en zand; doch op sommige plaatsen vindt men, bv. in het graven der sloten ook nog blaauwzand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en wetenschappen worden hier niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier zyn twee fabryken nl. een Pel- en olymolen en één korenmolen, voorts vindt men er de volgende handwerkslieden, als: smid, kuiper, bakker enz. ook zyn er nog eenige winkeliers en herbergiers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

In het laatste gedeelte van de lente, de geheele zomer en het begin der herfst is het hier doorgaans warm, maar des avonds vaak koud en des winters heerscht hier vaak eene strenge koude.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene fraaije Gereformeerde kerk en .. eene school. Lees- of zanggezelschappen zijn er niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Zy leven meest van den landbouw en de veeteelt en de dorpelingen van de handwerken te voren genoemd.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Door het kort verblyf alhier ben ik met de taal nog zeer weinig bekend; doch naar het my voorkomt, spreekt men er den platduitschen tongval. Men zegt b.v. hoes voor huis, keind voor kind, schoul voor school enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De menschen staan hier des zomers om 4 à 5 uren en des winters om 5 à 6 uren op. De tyd van ontbyten is des morgens om 8, des middags om 12 en des avonds om 6 of 7 uren. Men gaat hier des zomers plm. om 10 of 11 uren naar bed en des winters om 9 of 10 uren. De landlieden staan hier des winters om 2 en des zomers om 3 uren op. Des morgens om 7, des middags om 12 en des avonds om 6 uren is het tyd van ontbyten, doch in den winter des avonds om 5 uren.
De kermissen, harddraveryën en boeldagen verschaffen hier, byzonder aan de jonge lieden, veel vermaak.
De oudere menschen bezoeken elkander hier gewoonlyk des avonds na het ontbyt, doch de jonge lieden veel des zondags.
De tafel is veelal zeer eenvoudig, niet heel kostbaar, doch voor den arbeidsman juist geschikt.
De gebruiken by het trouwen en begraven zyn hier zeer eenvoudig. By het trouwen worden de lieden, welke daarby verzocht zyn, in de herberg waar het huwelijk voltrokken wordt onthaald op een glas wyn of brandewyn.
Na het begraven van iemand, gaan de familie en bekenden, welke daarby verzocht zyn, naar het huis van den overledenen en als dan wordt men er onthaald op eenen goeden maaltyd, terwyl doorgaans de predikant van het dorp voor en na het eten een gebed doet. Vervolgend drinkt men er een kopje thee of koffy, en dan gaat ieder tegen den avond naar huis.
De menschen zyn hier vry godsdienstig, en, naar het my voorkomt, heel vriendelyk en bescheiden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hier worden voormaals twee burgten Nyenstein en Onnema, waarvan de plaatsen, waarop dezelve gestaan hebben, nog zigtbaar zyn.
Onder de oudheden kan men hier, dunkt my, brengen, eene oude grafzerk in de kerk, welke door den tyd groen geworden is. Dezelve heeft het volgende opschrift: “Ao M.VCVII Ot. vv de vdhen dach maii rusttede in den heere de erbare frouwe Eulka Sieltkuma, cqaia requies kit in Dni verhoven.”
Twee aan een gehangene schilden: het een met drie rozen, het andere met een arend zyn te midden dezer zerk uitgehouwen. Dit was van oudsher het wapen van Scheltkuma.
Merkwaardigheden zyn hier niet, dan op het koor der kerk vindt men een fraai gegoten koperstuk met lood in den vloer ingegoten, met de wapens van Clant en Lewe. Onder staat: “Egbertus Clant en Anna Lewe conjuges hanc figurans in monumentum sepulturae voluerunt anno 1702.”
Ook vindt men er eene groote grafzerk liggend boven den grafkelder van de burgt On. Zy is 323 n.duimen lang en 174 duimen breed.
Beantwoord door F.J. Westerdyk.

Dns Henckerdus curatus in santwer.
Defunctor plango, vivos voco. fulgura frango
voy mea voy vite
Voco at sacra. Venite.
Anno dni MCCCCLXVII
Katerina bin ik gheheten
Dat kerspel to Santwer leit mi ghete (liet mij gieten.)

Marien to er. Do Ott Ter Hansouwe unde Hilbrant
Schicken thom opvieren, dodeungal, vroogde.
Henric Kolevarker mi goten hat.
Anno dni MCCCCLXVII.
Maria bin ick gheheten.
Dat kerspel to Santwer let mi gheten.

Ik moet echter hierbij aanmerken, dat ik ten aanzien des tweeden regels niet zeker ben. In denzelven zal opvieren zijn opvoeren (voco ad sacra) en vroogde moeten gelezen worden uit hetgeen op de klok staat, welk woord ik toch wel vermoede, dat er staan zal. Otto Ter Hansouwe komt, even als vroeger Herman Ter Hansouwe, meermalen voor, als in een brief van 1451, 1452 enz. Zij waren van een aanzienlijk geslagt, en ontleenden den naam van hun huis, hetwelk onder Eelde lag; zie Drielsen, Mouum., bl. 810.

Feitte.

31 Mei 1834.