Zoek op de website

Zeerijp

Gemeente 't Zandt

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Zeeryp.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Hier onder behoort slechts de buurtschap de Grou (volkstaal) of Groeve; in eene N.W. en N.N.W. strekking pl.m. tusschen ruim 1 en 2 Ned. mylen van de kerk gelegen. My is van de naamsoorsprong van ons dorp niets meer of beters bekend, dan Bucherus en andere Kronykschryvers melden. Onder het volk heb ik daaromtrent niets anders ontdekt.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Ik heb hoegenaamd geen dufsteen aan onze kerk ontdekt.
In de toren hangen drie klokken. de grootste klok heeft in het randschrift boven om dezelve, in oudDuitschers letters het volgende:
†wetet Juċkfrouwen vrouwe en manen dat desse klock ther eer sant annen en sant Jakobs is geghoeten, Koemt gerne to Kercke onverdroete. Gerhardus de Wou me fecit MCCCCII (1502).
De middelste klok heeft:
Gerhardus de Wou me fecit anno domini 1502 † ihesus maria Johannes.
en de kleine : Johannes Burchhardt fecit Groningen 1733.
Deze heeft ter weerzyden een wapenschild met het inscriptie

E. Rengers   H. van Sysen
heer van Farmsum en Borgemeester in
etc. etc.   Groningen
    etc. etc.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Door ons dorp, aan de Oostzyde stroomt een Maar, dat van Garsthuizen komt, zich om Eenum, bylangs Oosterwytwert kronkelt en by het Tolhek, in de Fivel valt. Te Oosterwytwerd vereenigd het zich met 2 andere maren, het Zandster of Leermenster en Vierbuurstermaar. Daar heet het dan ook Oosterwytwerder maar.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene meren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Almede geene.

7. Welke bosschen zijn daar?

Idem.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Plantenryk komen voor: Tarwe, rogge, garst, haver, raapzaad, boonen, erwten, aardappels, kool, peulvruchten (in de tuinen), Appels, peeren, pruimen, kersen, aalbessen en aardbeziën (Enkele perzike-, abrikoos en moerbyboomen, alsmede wynstokken aan de muren, telle men er niet onder).
Het Dierenryk brengt voort: Paarden, koeijen, schapen (zoo wel om de wol als het vleesch), honden en katten, muizen en ratten (alle huisdieren) voorts een vlugtig haasje, patryzen, zwanen, eenden en verder klein gevogelte.
Het Delfstoffelyk ryk brengt niets voort, dan het leem, om er muren, inplaats van kalk, mede op te trekken.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De teelgrond is algemeen klei, met iets meer of minder zand gemengd. In de groeve is deze teelgrond (zavelaarde) dunner, dan verder Z.waarts om het Kerspel toe: zoo dat de landman dáár zoo diep niet mag ploegen. – Spoedig onder deze vindt men het leem, afgewisseld op pl.m. 6 tot 10 v. diepte met blaauw zand: dit laatste treft men soms echter op 15 en meer voeten diepte.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Daar byna alle inwoners tot den boerenstand behooren, worden er door het volk, opzettelyk, kunsten noch wetenschappen beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Slechts de onontbeerlykste handwerken voor den landman vindt men hier gedreven; als rogmalen, bakken, Kuipen, Smeden, Weven en Snyderen; zeer weinig wordt er de byenteelt gedreven.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Deze kan niet verschillen, met die van het geheele N. deel onzer Provincie: onder de dyken heeft men des voorjaars en zomeravonds, de zee lucht zeker iets eer en meer voelbaar, dan by ons, op een dozyn N. myltjes verder Z. waards gelegen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene groote, eenvoudig schoone kruiskerk en een voor twee jaren merkelyk vergroot en verbeterd schoolvertrek vindt men hier. Onder de huislieden bestaat er geen, zich alleen tot dit dorp uitstrekkend Leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn de Landbouw en veeteelt, met de daaruit voortvloeijende scheepvaart op Groningen en Appingedam, en in de verkoop van tuin en boomvruchten; het laatste bedraagt echter niet zeer veel.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Het kenmerkende verschil met andere oorden onzer provincie, behalve te Groningen en aan de Vriesche zyde, op te geven, is al eenigzins ongemakkelyk; over het geheel kan men daarvan in eene menigte dorpen, hierom toe gelegen, geen noemenswaardig verschil opmerken, daar de bewoners derzelve natuurlyk van het eene naar het andere dorp wisselen met dienstboden enz.
De lange ee wordt er met y, en aa met het doffe ao al veel verwisseld. Zoo wordt de doffe o in wortels uitgesproken als deze letter in bos klinkt. Nevensgaand gesprek moge er eenig denkbeeld van geven.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Eenvoudigheid, werkzaamheid, zuinigheid en godsdienstigheid zyn de algemeene eigenschappen des volks: wat deze laatste betreft, er zyn ten minste volstrekt geen eigenlyke spotters, of waanwyze nieuwlichters in dit dorp. Overigens is het zeker, dat waarachtige godsdienstigheid eigenlyk niet als eene maatschappelyke, maar enkel individueele eigenschap kan beschouwd worden. Over het algmeen zyn er de zeden nog niet zoo bedorven als wel elders. Gezellige vereenigingen bestaan er niet. Naburen bezoeken elkander nog al eens des avonds, maar de meesten leggen zich al spoedig te slapen, om den volgenden morgen van nieuws te kunnen werken. Van huwelyksplegtigheden hoort men niet meer: de onkosten by het būrgerlyk bestuur, hebben sedert alle bruiloften verdrongen: zoodat men niet eens meer gewaar wordt, dat er huwelyken gesloten worden.
Slechts de Uitigsten by het begraven zyn de eenigste overgeblevene byeenkomsten, die eenig aanzien hebben, zy zyn zoo ver ik in de ommelanden kennis heb, overal gelyk; en byzonders heeft er niet by plaats. – De tyd van eten, is ’s morgens te 7, ’s middags 12 en ’s avonds te 6 uren.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Van de burgten, die zich hier oudtyds bevonden, is slechts de geheugenis der plaats overgebleven. – Bygeloof ontdek ik hier byna niets. – Groote hiplichtjes, bekend als ’t Rypster licht, gewaagt men slecht zelden van: en zy worden van byna allen op hunne waarde geschat. Noch overleveringen, noch liedjes of gezangen van dien aard, heb ik ooit ontdekt. Wat men nog van merkwaardige mannen zou kunnen zeggen is beter in de oude Kronyken geschreven. Het volk kan er niet eene opnoemen, behalve Prof. Muntinghe, van wien het bekend is, dat hy hier, als Predikant, door onbepaalde vlyt, een deel zyner geleerde kennis verworven heeft.