Zoek op de website

Zevenhuizen

Gemeente De Leek

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Zevenhuizen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het bestaat uit Zeven buurtschappen, liggende de versten plm. twee uren van de kerk te Midwolde, waaronder zy behoorende zyn; daar des zomers voor de middag dienst gedaan wordt en des nademiddags op de Leek, en des winters altyd op de Leek.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Eene kerk gebouw is hier niet, er zyn al een en andermaal pogingen aangewend om een kerk te krygen; maar tot dies verre vruchteloos is gebleven.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De afwatering is langs de Leek, hebbende de naam van Hoofddiep, zynde die diep door de gezamenlyke eigenaars van de Nienoord en Ter Heyl gegraven om de Veenen te ontgonnen. Hier zyn wel vele opstrekkingen, maar diepen of stroomen niet meer.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Ten Zuiden regt voor het mandelig hoofddiep ligt het drooge meer, behoorende voor 35 jaren de westzyde aan de Nienoord, en de oostzyde aan Ter Heyl, zynde door de beide eigenaars destyds met dinnen zand bezaaid, die daar zeer welig groeiden; doch is door W. de Lille als eigênaar van Ter Heyl voor plm. 28 jaren zyn aandeel verkocht, aan Jan Wolters, die daar door den van heeft bekomen Dinneborch; die heeft van tyd tot tyd het doen afkappen, en nu meest tot bouwland gemaakt. En dat van de Nienoord is ook verkocht en gedeeltelyk gekapt en in 1826 verbrand; zoo dat gemelde bosch nu bykans geheel vernietigd is. plm: 300 roeden groninger maat zuidwaarts ligt het modder meer, kort aan de schans gruppel, of landscheiding, alwaar Drenthe Vriesland en Groningerland tegen elkander aanzwetten: dit meer is in 1825 voor de eerste keer droog geweest: maar houdt nu jaarlyks weder water.
Ten Zuidwesten van dit gemelde meer ligt de wase of wasemeer, plm. 400 roeden van daar; dit meer is nog nooit droog geweest; het strekt ten Zuidwesten nog iets in Vriesland.
Ten Zuidwesten van het eerstgemelde drooge meer ligt op de afstand van plm. 250 roeden het lange meer, daar waschte men voor 20 jaren de Drentsche schapen, maar is nu des zomers droog.
Ten noordwesten van dit ligt op de afstand van plm. 300 roeden het Bolmeer, dit is groot, en heeft des zomers nog wel 3 a 4 voeten water, maar met verloop van tyd, als het veen meer wordt ontgonnen, zal het ook geheel droog worden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden of heuvels vindt men hier niet, dan alleen eenige zandige hoogten, de meting der hoogte is gedaan door D. Scholma en Cor Reyntjes.

7. Welke bosschen zijn daar?

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Deze zyn 1° Delfstoffelykryk: Zand, leem, keisteen en de bovengrond meest veen.
2°. Plantenryk: Rogge, Boekweit, Garst, Haver, Aardappelen, rapen of Knollen, vlas, Hennip en inzonderheid eiken, elzen, berken, wilgen.
3° Dierenryk, Paarden, Koeÿen, Schapen, Zwynen, hoenders, eenden enz. voorts nog vossen, Bunsems, Hazen, Patryzen, Kwartelen, Sneppen, maar Korhoenders en Otters zelden, Ook wordt de Byenteelt door sommige ingezetenen uitgeoefend. - Visch heeft men in de binnenwateren, als Baars, Snoek, Brasem, Voorn, Zeelt, Blei, Aal enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De bovengrond Veen, dan het meeste Zand, ook oer, vervolgens leem, deze grond is zeer geschikt tot weideland; maar tot Bouwland zeer ongeschikt, om reden dat er dadelyk wik op wast en zoo in menigte dat het zaad er geheel onder bedekt wordt.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Wat betreft de Kunsten en Wetenschappen, deze kan men niet zeggen, dat alhier byzonder wordt beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de genoemde fabryken, trafyken, en handwerken kunnen hier worden gebragt, één Boekweitmaaldery, één Smedery, een wevery, Kuiper, Schoenmakery en drie Bakkeryen, één roggen molenaar.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier door de hooge ligging zeer gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier zyn vier scholen, maar Leesgezelschappen vindt met hier niet, zoo dat hier geen lust tot lezen gevonden wordt.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meeste menschen vinden hier hun bestaan door handenwerk in de veenderÿen, ook landbouw en neringdoende lieden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Wat aangaat de platte taal onzer inwoners, deze is zeer verschillend, doch meest Vriesch, onlangs vroeg ik aan een klein jongetje - wat maakt men van wol? en kreeg ten antwoord jein (garen). Toen ik hem vroeg, van waar krygt men de wol? Van de Schiepen was het antwoord. Toen vroeg aan de andere kinderen, wat is jein en wat zyn schiepen? maar niemand wiste het, toen ik hen zeide, dat jein garen, en Schiepen Schapen waren, begonnen de kinderen allen te lagchen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen Karakter der ingezetenen alhier is innemend, doch tevens onopregt, zoodat dezelve dikwyls spreken hetgeen zy niet meenen: ja zy zyn zoo gesteld, voornamelyk de vriezen, als men hen een vyf Stuiver geeft, dan willen zy wel een valsch eed doen. Betreffende hun levenswyze, deze is zeer verschillend, de een staat des morgens om 2 uur op, en voornamelyk onder de arbeidstand; en een tweede om vier a vyf uren en ook eenigen zeer laat, zoo ongelyk is het ook met het ontbyten, middag- avondeten en naar bed gaan. Vermaken en uitspanningen zyn hier niet weinig, vooral onder de jongelieden, niet alleen Paasch, Pinkster en Nieuwjaar: maar omtrent alle Zondags avonds en dat duurt tot aan den morgen, dit nog niet alleen, maar dan gaat het op een vloeken, schreeuwen, slagen en glazen in stukken slagen, ja het gebeurt menigmaal als ik des morgens naar school ga, dan zitten de kroegen nog vol.
Gebruiken by het trouwen valt hier niet veel byzonders voor, de kerkelyke inzegening wordt hier van zeer weinigen begeerd, ja velen gaat het als de hazen en Vossen zy paren: - doch dit heeft alleen plaats onder de Vriezen; met het doopen der kinderen is het even zoo gesteld, zoo zy ze nog al doopen laten, dan wachten zy zoo lang, dat zy twee of drie kinderen hebben, en dan alle te gelyk maar velen in ’t geheel niet. Zy komen zelden of nooit in de kerk, de Zondags is een slaapdag.
By de begrafenissen wordt hier gewoonlyk een maaltyd gedaan, welke meest bestaat uit wittebrood en bier.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Van Spookverschyningen of bygelovigheden hoort men hier niet veel meer dan alleen van een wilden Jager met hondern, welke eenigen zoude gezien hebben.

(get) G.H. Buis.

(Aanmerking van den Heer NWestendorp)

Wat zegt men toch meer van den wilden jager en zyne honden. Dit weinige is te kort.