Zoek op de website

Zijldijk

Gemeente 't Zandt

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van myne woonplaats is Zyldyk; hetzelve is een vry aanzienlyk gehucht, van hetwelk de Hervormde inwoners te ’t Zandt ter kerk behooren, van welk dorp het nagenoeg 40 minuten verwyderd is. De Doopsgezinden die hier in den omtrek wonen, en op deze plaats misschien wel het grootste deel der bevolking uitmaken, hebben er echter eene kerk en eenen eigenen predikant.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Als men van Zyldyk spreekt verstaat
a. men daaronder gewoonlyk het gehucht zelf, de buurtschap het Voorwerk, een gedeelte van Korendyk en de buurt Kolhol. In zekeren zin kan hier ook nog onder betrokken worden het zoogenoemde Buitendyks, of liever, de Zandster nieuwe dykvestige landen.
b. Het Voorwerk ligt in eene Zuidelyke strekking van de Doopsgezinde kerk, op nagenoeg 8 minuten afstand van dezelve. Op den afstand van een kwartier uur ligt, in eene Oostelyke rigting, de buurtschap Kolhol . –
De Zandster nieuwe dykvestige landen liggen nog verder Oostwaarts dan Kolhol, en strekken zich uit tot aan den nieuwen Eemsdyk. Een enkel huisje, onder den naam van het Honderd kend, ligt op een kwartier uur afstand, regt Westwaarts van Zyldyk.
c. Te Zyldyk zyn de huizen voor het grootste deel (wyl de meeste boerenplaatsen hier en daar in het land staan) op de plaats van den overouden dyk der Eems gebouwd. In genoemden dyk heeft eene zyl of sluis gelegen, om het overtollige water naar zee af te voeren, waarvan dit gehucht gevoegelyk den naam van Zyldyk kon bekomen.
Het Voorwerk. zegt men, zou deszelfs naam ontleend hebben van het regt dat oudtyds aan zekere plaats daar van toebehoorde, om het eerst met de werkzaamheden tot de boerdery betrekkelyk te beginnen; zoodat op geene boerdery met zekere werkzaamheden eenen aanvang mogt gemaakt worden, voor en aleer men op deze eene boerenplaats met hetzelfde werk begonnen was.
Korendyk zou zynen naam ontleend hebben van het welige Koren, dat aan den voet van den dyk groeide en nog heden groeit. – Van den naamsoorsprong der buurt Kolhol kan ik niets zekers, zelfs geene gissingen opgeven, ten zy men het volgende als zoodanig mag aanmerken. Er zou namelyk een Keulenaar of iemand van Keulen afkomstig gewoond hebben, en het huis of hol van dezen man, verbonden met de plaats zyner herkomst, zou aanleiding tot dezen naam gegeven hebben. Doch daar ik met de hoogduitsche uitspraak van het woord Keulen onbekend ben, weet ik niet, in hoe verre dit er betrekking op kan gehad hebben.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Men treft hier geene duf- of duifsteen aan de kerk aan, daar dezelve eerst in 1772 gebouwd is; en vindt ter dezer plaats ook geene torenklok.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het Zandster maar neemt by ons gehucht eenen aanvang en loopt by langs ’t Zandt, Leermens en Oosterwytwerd, tot dat hetzelve zich by het tolhek met den Fivel vereenigt. Te Kolhol worden twee kolken gevonden, die zeer waarschynlyk by eene doorbraak van den ouden dyk zyn ontstaan. Zy hebben beide nagenoeg dezelfde grootte, liggen digt by elkander en zullen eene oppervlakte van plm. 20 nederl. roeden hebben. Somtyds staat er wel 4 ned: ellen water. Ook treft men er een water aan, dat uit het Westen van de kant van Garsthuizen komt en in eene nagenoeg oostelyke strekking tot den overouden dyk loopt; en wel tot dezelfde plaats, waar de Zyl of Sluis moet geweest zyn; waaruit men, als ook uit den naam die men aan hetzelve geeft, mag besluiten, dat ook dit een nog overgebleven spoor is van de uitwatering dier Zyl of welken naam men daaraan gelieft te geven. Gewoonlyk noemt men hetzelve Oude lei, hetwelk duidelyk oude leiding of oude waterleiding beteekent. Eindelyk is er een water, dat onder den naam van het oude maar bekend is; hetzelve neemt te Oosternieland, by het huis van den kuiper, eenen aanvang, naby de plaats, waarin vroegere tyden eene Zyl of Pomp in den dyk moet geweest zyn. Uit alles wat ik tot nog toe hiervan heb kunnen opsporen besluit ik het volgende: Dat dit oude maar in het Garshuistermaar moet uitloopen en wel naby de Wienje – of Wynjetil, en van Oosternieland nagenoeg Zuidwaarts aanloopende, eerst de grens uitmaakt tusschen Zyldyk en Oldenzyl en daarna meer Zuidwaarts tusschen Zyldyk en Garshuizen. Dat dit Oude maar in zynen oorsprong geen eigenlyk maar, maar eene waterleiding is, om het overtollige water naar zee af te voeren, doch dat hetzelve naderhand als een maar is gebruikt, voor en aleer het Uithuistermeeder Maar door de Nielandsters als zoodanig werd gebezigd. – Omtrent den loop van het oude Maar, schynt my dit gevoelen het waarschynlykste; hetzelve kan althans ook meerder licht brengen over den oorsprong der oude lei, en het kon zyn dat deze, een weinig ten zuiden van den weg naar Garshuizen, naby het Honderd, zich met het oude maar heeft vereenigd en zoo te zamen naby de Winje of Wynje-til in het Garshuistermaar hebben uitgeloopen. Ik hoop in het vervolg hier meer over te kunnen melden. Andere merkwaardige wateren vindt men hier niet, dus ook.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene meeren.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene; behalve de dyken betreft. Zyldyk zelf ligt, zoo als reeds gezegd is, op den overouden Eemsdyk, waarover er de huizen ook eenigzins hooger staan dan de landen aan de Oost- en Westzyde zyn. Deze dyk had eene nagenoeg noordelyke en zuidelyke strekking. Te Kolhol, een kwartier uur van hier, vindt men den ouden dyk in dezelfde strekking, die op eenige plaatsen reeds byna geheel verdwenen is, maar op andere nog wel eene hoogte van 2 a 2.5 nederl. el kan halen. Nog behoort hier vermeld te worden de Nieuwe Eensdyk, die pl m. 1¼ uur ten Oosten van de kerk ligt en die, als ik my dit goed herinner eene hoogte boven het maaiveld moet hebben van nagenoeg 5 Nederl. ellen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Betrekkelyk het dierenryk vindt men hier voornamelyk die dieren welke overal in deze Provincie door de Landgebruikers voortgehouden en gebruikt worden; voorts de welbekende huisdieren, een weinig byenteelt, benevens eenig wild en gevogelte enz. Nog nimmer heb ik het genoegen mogen genieten, dat ik hier eenen nachtegaal heb hooren slaan. –
De voornaamste voorbrengsels uit het Plantenryk zyn: rogge, gerst, tarwe, haver, boonen, erwten, aardappelen en kool; peul- en andere tuinvruchten, als ook die van den boomgaard, en vooral vette weiden, voor het menigvuldig vee, dat hier gehouden wordt enz.
Het delfstoffelyk ryk levert slechts leem op, hetwelk hier tot het opmetselen van muren gebezigd wordt.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De bouw- of liever teelaarde is Zavelachtig, echter op sommige plaatsen meer zandig en op andere met meer klei vermengd. Onder deze zavelachtige bouwaarde heeft men op onderscheidene diepten, meestal op 3, 4 a 5 palmen leem, hetwelk blaauwachtig van kleur is. Onder dit leem bevindt zich op zeer verschillende diepten bruin- rood- of blaauwachtig zand. Op eenige plaatsen vindt men het zand eerst op eene diepte van 2 a 2.5 nederl. ellen; terwyl men er ook plaatsen heeft, waar geen leem gevonden wordt en het zand onmiddelyk op de teelaarde volgt. Over het algemeen is de grond hier zeer vruchtbaar.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier weinig of niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken of trafyken vindt met hier niet; slechts worden er de noodzakelykste handwerken gedreven, als: smeden, bakken, wagenmaken, kuipen, kleermaker, verwen, wever, schoenmaker, timmeren, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Over het geheel deelt hier de luchtgesteldheid in de vochtigheid van andere aan zee gelegene landstreken en kan dezelve weinig anders zyn dan in andere oorden dezer Provincie. De nabyheid der Noordzee en der Eems echter is wel eens de oorzaak, dat het hier des avonds aanmerkelyk kouder is, dan verder landwaarts in; dikwyls komt er na eenen heeten zomerschen dag eene koele zeedamp op, die voor de gezondheid zeer nadeelig kan zyn, wanneer men daartegen niet op zyne hoede is.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is eene Doopsgezinde kerk, eene openbare lagere school, die in 1826 volgens een doelmatig plan is gebouwd en een Leesgezelschap; doch een zanggezelschap bestaat er niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De inwoners dezer plaats vinden over het algemeen hun bestaan, in den landbouw, of in het geene daarmede in betrekking staat. Zoo zyn er eenige schippers om koren en andere goederen naar Groningen enz. te vervoeren, ambachtslieden, kooplieden enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

In de platte taal ontdekt men geen onderscheid tusschen deze plaats, en eenige naburige dorpen.
Men zal dezelve den platduitschen tongval kunnen noemen, welke alles behalve welluidendheid, bevalligheid, kieschheid en juistheid in zich vereenigd.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen karakter, de levenswyze enz. van de inwoners dezer plaats, zal uit het volgende eenigzins kunnen opgemaakt worden.
Men is hier gewoon vroeg op te staan.
In het langste der dagen, heeft de Landgebruiker zyn werkvolk des morgens te 3 uren aan den arbeid, het welk des winters by zeer velen tot 2 uren, en zelfs by eenige tot 1 uur vervroegd wordt. Tot het ontbyten wordt aan dezulken dan ook reeds te 5 uren gelegenheid gegeven; des zomers heeft het ontbyt echter te 7 uren plaats. –
Het middagmaal wordt algemeen te 11 uur gehouden en het avondeten heeft des zomers te 6, maar des winters te 5 uren plaats. De klasse der ambachtslieden, maakt hiermede, voornamelyk des winters een groot onderscheid. De tafel is hier eenvoudig, en door hare byzondere krachtigheid juist geschikt, voor het oogmerk waartoe dezelve moet dienen. Over het geheel is hier uit af te leiden, dat de tyd van bedgaan insgelyks vroeg moet zyn, hoemeer dan enkelen hierop eene uitzondering maken. De avondbezoeken zyn dus zeldzaam, vrienden en bekenden bezoeken elkander by dag.
Van vermaken en uitspanningen wordt weinig gebruik gemaakt, alleen bezoekt men soms de kermissen, jaarmarkten, zoogenoemde boeldagen of openbare verkoopingen enz. De plegtigheden en groote onkosten van voorgaande tyden, by het trouwen gebruikelyk, geraken meer en meer uit de mode; en de begrafenisplegtigheden schynen ook met den tyd te verminderen. By de laatste is meestal de Predikant van het dorp tegenwoordig. Over het algemeen zyn hier welmeenendheid en gastvryheid, ontdaan van uiterlyke pligtsplegingen, heerschende karaktertrekken. By eenvoudigheid en bescheidenheid in den omgang en de dagelyksche verkeering, vindt men belangstelling om iets goeds en nuttigs tot stand te brengen. Men moet zich evenwel niet voorstellen, dat alle inwoners in deze edele eigenschappen deelen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men wil dat op het Voorwerk een Klooster zal geweest zyn, zonder er iets meer by te voegen. In hoeverre dit waarheid zy, kan ik niet bepalen. Het voor- of boveneinde van zekere aldaar staande plaats, heeft alle teekenen van eenen zeer hoogen ouderdom, en zal zekerlyk eenige honderd jaren bereikt hebben. Op een’ zerken schoorsteenmantel heeft men het jaartal 1573, of 1373. De tweede cyfer is niet regt duidelyk, doch in zoo verre zigtbaar, dat het eene 5 of eene 3 is. By het graven in den grond, heeft men wel eens tezamengevoegde steenhoopen; misschien wel fundamenten van een of ander gebouw, gevonden. –
Omtrent het bygeloovig verdichtsel, dat verhaald wordt gebeurd te zyn op zekere plaats te Kolhol, zal ik, voor ik hiervan berigt geef, zelf betere berigten moeten inwinnen, dan waartoe ik wegens den korten tyd, sedert my de vragen geworden zyn, in staat ben geweest. Ook hier omtrent hoop ik in het vervolg nader berigt te kunnen geven. –