Zoek op de website

Zuidbroek

Gemeente Zuidbroek

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam onzer woonplaats is Zuidbroek.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De gehuchten onder Zuidbroek behoorende zyn: Uiterburen, het Oostënde en Tusschenloegen, zynde de beide laatste eigenlyk Buurtschappen. Uiterburen ligt van 10 tot 20 minúten ten Oosten en noordoosten van de kerk, strekkende hetzelve zich van het zuiden naar het noorden uit. – Het Oostënde ligt ruim een half uur ten Zuidwesten, en Tusschenloegen van 20 tot 30 minuten ten Zuiden van de Kerk. – Zuidbroek heette vereenigd met Noordbroek, volgens getuigenis van oude en geloofwaardige lieden, eertyds Oosterbroek, ter onderscheiding van Westerbroek in het Goregt. By de vermeerdering der bevolking werd dat gedeelte van Oosterbroek, dat ten Zuiden ligt, Zuid- en het andere, dat noordwaarts van het eerste zich uitstrekt, Noordbroek genoemd. De gehuchten Uiterburen, Overburen zynde de streek, welke van de kerk Zuidwaarts naar, by langs en een klein end over het Winschoterdiep loopt, en Tusschenloegen werden te zamen genomen zynde, Zuidbroek genoemd. Deze gehuchten bestonden aanvankelyk uit weinige huizen, die men Buurten of Buurschappen noemde, en zoo konde Uiterburen gevoegelyk aangeduid worden door de uiterste buurt, welke benaming door verkorting in Uiterburen veranderd is. Omtrent Overburen is de naamsoorsprong meer onzeker: de naam is naderhand meer in onbruik geraakt. –
Tusschenloegen ligt tusschen Zuidbroek en Muntendam en verbindt deze dorpen met elkanderen: daar nu dorpen, eertyds meer algemeen, doch in sommige streeken nog loegen genoemd worden, zoo kon deze streek gevoegelyk aangeduid worden door haar Tusschenloegen te noemen. –
Het Oostënde, is voor de ingezetenen van Zuidbroek eene ongepaste benaming om dat het ten Westen van hetzelve ligt: denkelyk is deze naam van de inwoners van Sappemeer afkomstig, om dat deze streek aan genoemde plaats verbonden is, van waar dezelve Oostwaarts ligt.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of Duifsteen is er niet aan de kerk. In den toren hangen twee klokken, van verschillende grootte. Op de grootste leest men dit opschift:

Harmannus Borgel Pastor

Aeilko Tiadens  
  Kerkvoogden
Wubbo Fockens  

Kelderman het my gegoten in de namen
der Hillig-e d p e voldicheit 1603.

op de kleine:
Samuel Neyts Pastor Antwerpen

Aeilko Tiadens  
  Kerkvoegden in Sotvroek.
Wubbo Fockens  

Harmen Relferman Me fecit
Merten Jakobs Anno 1610. –

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, maren of Kolken vindt men in deze Gemeente niet: het Winschoterdiep loopt van het oosten naar het Westen door Zuidbroek. Voorts schiet nog Zuidwaarts uit het Winschoterdiep eene vaart naar Muntendam enz.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden in den omtrek dezer Gemeente geene gevonden, ook geene die droog gemalen zyn.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Tusschen Zuidbroek en de dorpen Scheemda en Eexta op eenen afstand van ieder derzelver van ruim een half uur ligt van het Zuiden naar het noorden, de oude dyk, hebbende eene uitgestrektheid van nagenoeg een halfuur gaans. Deze dyk tot eene rydweg gebruikt wordende, is weinig hooger, dan de nemens dezelve liggende vruchtbare landeryen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zyn hier van weinig belang. Een echter van kleine omvang, verdient misschien eenige melding: het is het zoogenoemde Kraaibosch, ruim een kwartier ten westen van Zuidbroek, aan het Winschoterdiep, dat door de menigte kraaijen, die er zich in den winter ophouden, dezen naam verkregen heeft.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het ryk der Dieren, heeft men hier paarden, welke hier weinig aangefokt worden, koeijen, schapen en varkens, die echter veel meer worden aangehouden, – voorts vindt men hier honden, katten voorts eenden, hoenders, duiven en eene menigte kleiner gevogelte. Voor liefhebbers van de Jagt vindt men hier hazen, patryzen, kwartels, en zeldzaam vossen. Behalve Snoek en voren, vindt men hier weinig visch.
Uit het groeijend ryk heeft men hier rogge, boekweit en aardappelen voornamelyk in de zandgronden, en op de klei, tarwe, garst, koolzaad, haver en boonen; voorts vele en onderscheidene soorten van tuin- en boomvruchten.
Het Delfstoffelyk ryk levert alleenlyk turf.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is wat de boven grond betreft, zand, klei of veengrond, en naar de kant van Muntendam rooddoorn. – De beneden grond is zand darg, potklei, op de diepte van sommige plaatsen van 80 groninger voeten, en leem.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Onder de Kunsten wordt hier alleenlyk het horologiemaken beoefend. –
De Wetenschappen, welke alhier door personen, die in een dezer vakken geplaatst zyn, beoefend worden, zyn Godgeleerdheid, Regtsgeleerdheid, Reken-, Stel- en Wiskunde.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de Fabryken telt men hier eene Bierbrouwery:
onder de Trafyken eenen Wynkooper en een’ Tabakskooper; deze beide laatsten brengen wy onder de Trafykanten, omdat de eerste de wyn koopt en verkoopt, dezelve bewerkt, afklaart, in flesschen aftapt enz: de laatste de tabak in bladen, rollen of karotten uit de Tabaksfabryk ontvangt, en dezelve kerft of tot snuif maalt.
Handwerken worden hier in menigte uitgeoefend. Er zyn behalve eenen molenaar, een grutter, brood-, beschuit- en wittebroodbakkers, spinsters, een garentwynder, linnen- en wollennaaisters, kleermakers, linnenwevers, schoen- en laarzemakers, timmerlieden, smeden, verwers en glazemakers, wagenmakers, kuipers, leerlooijers, Goud- en Zilversmid, Gouddraadwerker, Blikslager, blaauwverwer, Wolkammers, Klompenmakers enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier aan vele, en soms spoedige verandering onderhevig, zynde dezelve naar de zeekusten echter nog meer veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In deze Gemeente is eene kerk, twee scholen en twee leesgezelschappen, die ieder thans 18 leden tellen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn verschillend. In Uiterburen een groot en volkryk gehucht, waar algemeen schoone boerderyen gevonden worden, bestaan de meeste inwoners van den landbouw. Het eigenlyke Zuidbroek, waar behalve verscheidene aanzienlyke boerderyen, eenige renteniers wonen, en waar vooral aan het trekdiep, veel doortogt van schuiten en rytuigen plaats heeft, treft men eenige goede logementen en verscheidene kleine herbergen aan, terwyl deze streek van goede kruidenierswinkels en kooplieden ruim voorzien is. Het Oostënde en Tusschenloegen, bevat meest kleine boerderyen en de inwoners bestaan derhalve mede van den opbrengst der veldvruchten. –

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

In de platte volkstaal wordt de oe veelal in ou, de ei in ai, de ie in ij, en de oo in eu verandert; terwyl nog eene menigte verkeerde uitdrukkingen onder geene regelen kunnen gebragt worden. Eenige voorbeelden zullen dit het best ophelderen.: van eene fraaije koe, of van schoon weder sprekende, hoort men soms zeggen: “het is een mal mooije kou”, “het is üsselik mooi weer”. – “Hesse guster oet west?” vraagt de eene wel eens aan den ander, die een reisje gedaan heeft. Dat de o veelal in eu verandert wordt is reeds gezegd, zoo spreekt men: “het is maar een olle meulen, die hier stait.” Nog wordt de oe somtyds in ui verwisseld, b.v. Het gras is grúin en de harde ee in y, b.v. het vuur is hyt enz.
Genoemde platte Volkstaal hoort men meest onder oude eenvoudige lieden, daar dezelve onder de jeugd meer en meer verloren gaat en door eene betere uitspraak vervangen wordt.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het Karakter der inwoners verschilt, naar mate hunne levenswyze onderscheiden is. Onder verscheidene landbouwers treft men vele beschaving aan, veroorzaakt door het lezen van goede boeken, alsmede door onderlinge verkeering met lieden van hunnen en die van anderen stand. De arbeiders, benevens de geringe handwerkslieden, zyn echter minder beschaafd, hoe wel ook hier eenige uitzonderingen plaats hebben. – Aan het diep vindt men echter de meeste uiterlyke wellevendheid onder de burgery, veroorzaakt misschien door de meerdere gemeenschap, die de bewoners met reizende lieden, uit andere oorden hebben.
De tyd van opstaan en naar bed gaan is zeer onderscheiden: de boeren, daglooners, en handwerkslieden staan gewoonlyk in den zomer des morgens van 4 tot 5 uren op, en gaan des avonds van 9 tot 10 uren naar bed, terwyl in den winter deze van 5 tot 6 uren het bed verlaten en des avonds min of meer op den zelfden tyd te bed gaan als in den zomer. Aan het diep vooral, staan de bewoners in den Zomer meestal van 6 tot 7 en in den winter van 7 tot 8 uren op, terwyl de tyd van naar bed gaan, het geheele jaar door, meestal niet vroeger, dan te elf uren plaats heeft.
De tyd van morgen-, middag- en avondeten is by de landbouwers enz. in den zomer, doorgaans te 5, 12 en 6 uur. In den winter ’s morgens plm. half zeven, ’s middags te 12 en ’s avonds om half vyfuur.
De gegoede ingezetenen hebben de gewoonte elkanderen dikmaals, vooral in den winter, te bezoeken. Dit geschiedt doorgaans des avonds van 7 tot 10 uren, en deze bezoeken worden hier ook onder de vermaken en uitspanningen gerekend. – Bezoekt een man en zyne vrouw een ander huisgezin, zoo genieten zy gewoonlyk, behalve een kopje koffy nog een boterham etc. en by het scheiden een glas genever of brandewyn. By het trouwen en begrafenisplegtigheden worden doorgaans zeer weinige der aanverwanten genoodigd.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

In deze Gemeente is eene burgt, toebehoorende aan den heer Mr van Iddekinge. – Deze burgt moet in 1438 reeds bestaan hebben welke toen behoorde aan eenen heer Gockinga, die toen het gezag over een gedeelte van het Oldambt had.

(get) W. Zuidema
J.M. van Liessent.