Zoek op de website

De wereld van Samuel Victors van der Reis

Van der Reis maakt bekend dat zijn pleegzoon de zaak overneemt (uit: Algemeen Handelsblad van 9 oktober 1877) Van der Reis maakt bekend dat zijn pleegzoon de zaak overneemt (uit: Algemeen Handelsblad van 9 oktober 1877)

Samuel Victors van der Reis overleed in 1888 op 87-jarige leeftijd in het Drentse Nietap, een klein dorp op de grens van de provincies Groningen en Drenthe dat aansloot op de bebouwing van het grotere Groningse dorp Leek."1" Hij was in 1800 in Nietap geboren en hij zou er tot zijn dood blijven wonen. In deze plaats bouwde hij een bloeiende zaak in manufacturen op, die later onder de naam van Firma S. van der Reis zou worden voortgezet door zijn pleegzoon Samuel Asser Lehmans (1839 - 1898). Dat betekende allerminst dat zijn horizon beperkt was tot dit stukje platteland aan de rand van Nederland. Het hier uitgegeven verslag dat hij bijhield van een reis naar Engeland in het voorjaar van 1851 getuigt hiervan. Hoewel er weinig bronnen zijn overgeleverd die meer kunnen vertellen over de grenzen van zijn geografische wereld vóór en na 1851, bevat het reisverslag in elk geval verwijzingen naar eerder ondernomen zakenreizen binnen Nederland. Deze voerden hem vooral naar Holland, ook toen al het economisch hart van Nederland.

Van der Reis' pleegzoon Samuel Asser Lehmans (1839 - 1898) nam in 1877 de manufacturenwinkel over Van der Reis' pleegzoon Samuel Asser Lehmans (1839 - 1898) nam in 1877 de manufacturenwinkel over

Leek ligt in een veengebied ten zuiden van het veel oudere Midwolde op de grens van de provincies Groningen en Drenthe. Grootgrondbezitter in dit gebied was de jonker Wigbold van Ewsum. Hij begon hier al in de 16e eeuw met de ontginning van de uitgestrekte veengebieden en liet er de borg De Nienoord bouwen.  Op de plek waar de weg van Tolbert naar Roden het veenstroompje De Leecke passeerde ontstond de nederzetting Leek. Op de andere oever, in het landschap Drenthe en aan weerszijden van de weg, kreeg het gehucht Nietap langzaam vorm. Het dorp Leek ontwikkelde zich vooral in de 17e en 18e eeuw tot een economisch gezien bloeiende nederzetting. De turfafgravingen en turfvaart bood werk aan vele handen. In het spoor van een groeiende bevolking en hun toegenomen koopkracht vestigden zich eveneens ambachtslieden en kooplieden in het dorp. Evenals in de veenontginningen in het zuidoosten van de provincie Groningen was een relatief groot deel hiervan immigrant, waaronder ook Joodse kooplieden en slagers. Het aantal Joden in Leek was echter relatief bescheiden. Gegevens over de 18e eeuw ontbreken, maar in 1813 telden de dorpen Leek/Nietap niet meer dan 67 Joden, die bijna allemaal behoorden tot de families Van der Reis (21 personen) en Van Dam (15 personen). Het merendeel van de volwassenen was werkzaam als koopman of slager. Ondanks het geringe aantal Joden, ontwikkelde zich toch een vorm van een Joodse Gemeente. Al in 1783 huurde men grond voor de aanleg van een begraafplaats. Vóór 1783 was men aangewezen op de Joodse begraafplaats in de stad Groningen. En afhankelijk van de weersomstandigheden kon dat een bezwaarlijke reis zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat gedurende de tweede helft van de 18e eeuw in het huis van Philip Abrahams en later in dat van zijn zoon Victor Philippus van der Reis te Nietap ook al synagogediensten werden gehouden. Het zou evenwel nog tot 1809 duren eer de Joden in Leek en omgeving een eigen gebedsruimte kregen. In dat jaar kocht de eerder genoemde Victor Philippus namens de ‘gemeente der Joden op de Leek’ voor een bedrag van 1000 gulden een huis en grond ten behoeve van de bouw voor een synagoge.

De 'wereld' van Samuel Victors van de Reis weergegeven op een uitsnede van de provinciekaart van Beckeringh (bron: RHC Groninger Archieven Tg. 1536 inv. nr. 6314) De 'wereld' van Samuel Victors van de Reis weergegeven op een uitsnede van de provinciekaart van Beckeringh (bron: RHC Groninger Archieven Tg. 1536 inv. nr. 6314)

Bij zijn besnijdenis in 1800 werd Samuel vernoemd naar zijn overgrootvader Samuel Victors. Deze is waarschijnlijk in het Oostfriese Leer geboren. Na wat omzwervingen vestigde hij zich buiten de stadsmuren in het rechtsgebied van de stad Groningen, waar hij als slager de kost verdiende. Daarnaast verleende hij onderdak aan Joodse reizigers, die kennelijk niet altijd van onbesproken gedrag waren. In 1742 verbande het stadsbestuur van Groningen Samuel Victors uit de stad wegens ‘het onderdak bieden aan personen van slechte naam en faam’. Mogelijk gold zijn verbanning voor de hele provincie Groningen en was dat de reden om zich in het Drentse Nietap te vestigen. Immers, de juridische en bestuurlijke bevoegdheden van een stad- of provinciaal bestuur eindigden destijds bij de stads- of provinciegrenzen.

Besluit waarbij het stadsbestuur overgrootvader Samuel Victors uit het rechtsgebied van de stad Groningen verbant (bron: RHC Groninger Archieven; Archief Volle Gerecht van Groningen: Toegang 1534 inv. nr. 983) Besluit waarbij het stadsbestuur overgrootvader Samuel Victors uit het rechtsgebied van de stad Groningen verbant (bron: RHC Groninger Archieven; Archief Volle Gerecht van Groningen: Toegang 1534 inv. nr. 983)

Zijn grootvader van vaderszijde, de veekoopman Philip Abrahams, was gehuwd met Sara Samuels; een dochter van Samuel Victors en diens vrouw Rebecca Isaac. Over Philip Abrahams is weinig bekend. Maar gezien het feit dat zijn kinderen tussen 1751 en 1754 te Leek zijn geboren en zijn echtgenote hier in 1806 overleed, mogen we aannemen dat ook hij gedurende het grootste deel van zijn werkzame leven te Leek heeft gewoond. Een van hun kinderen was de al genoemde Victor Philippus. Hij is omstreeks 1754 te Leek geboren en trouwt later met Lea Salomons (Wijnberg) uit het Drentse Hoogeveen. Tussen 1785 en 1800 kreeg dit echtpaar, voor zover we weten, vijf kinderen. Na de dood van zijn vrouw hertrouwt Victor in 1809 met de te Veendam geboren Henderina Hartogs Elkan. Bij deze vrouw verwekt hij twee kinderen. Aangezien ten tijde van zijn tweede huwelijk drie kinderen minderjarig waren, gold de wettelijke verplichting om een overzicht van zijn bezittingen te maken. Uit de in 1809 opgemaakte inventaris van de boedel weten we dat het vermogen van Victor Philippus 5729 gulden bedroeg. Hier stond wel een bedrag van bijna 4097 gulden aan schulden tegenover, zodat zijn daadwerkelijk bezit een waarde van 1632 gulden vertegenwoordigde. Om een idee van de waarde te geven: een gemiddelde werknemer verdiende destijds ongeveer 15 stuiver per dag en voor een bedrag van 1632 gulden kon men in Leek een redelijke woning kopen. Dit kleine vermogen zou evenwel niet lang in stand blijven: vooral de door Napoleon gevoerde oorlogen kosten handenvol geld en uiteindelijk was het onvermijdelijk dat de burgers hiervoor in de vorm van verhoogde belastingen en gedwongen geldleningen de rekening betaalden. Het is waarschijnlijk dat Victor Philippus hard door deze maatregelen werd getroffen, want in 1815 moest hij uiteindelijk zijn faillissement aanvragen. De slechte gang van zaken binnen het gezin Van der Reis zal de oorzaak zijn geweest dat de kinderen moesten bijdragen aan het gezinsinkomen. Samuel Victors schreef in zijn reisverslag dat hij op 13-jarige leeftijd ging werken. Overigens was dit op zich niet ongewoon. Het merendeel van de kinderen had op die leeftijd in elk geval lager onderwijs genoten en slechts een gering deel van hen volgde een hogere vorm van onderwijs. Wie geluk had kon de noodzakelijke kwalificaties voor een beroep binnen het familieverband leren of was anders veroordeeld tot ongeschoold werk.

Grens tussen Leek en Nietap, circa 1904 (bron: RHC Groninger Archieven, Foto's en prentbriefkaarten (Tg.1986) nr. 12344) Grens tussen Leek en Nietap, circa 1904 (bron: RHC Groninger Archieven, Foto's en prentbriefkaarten (Tg.1986) nr. 12344)

De periode 1815 – 1830 was voor de agrarische sector een tijd van crisis. Door import van goedkoop graan uit de gebieden rond de Zwarte Zee nam vooral op het platteland het besteedbare inkomen af. Ook de familie Van der Reis ondervond de gevolgen van de vermindering van de koopkracht. De erfgenamen van Victor Philippus waren zelfs gedwongen diens huis te verkopen om hun schulden te kunnen betalen. Vanwege deze slechte economische toestand vertrokken steeds meer Joden uit Leek: in 1833 was hun aantal tot 40 geslonken. Dit leidde er uiteindelijk toe dat ook deze kleine gemeenschap haar schulden niet meer kon betalen. En in 1832 werd zelfs beslag gelegd op de synagoge. Dankzij een toelage van 300 gulden door koning Willem I kon de gedwongen verkoop van het gebouwtje worden voorkomen. Na 1830 verbeterde het economisch klimaat enigszins. Dit kwam vooral door de toename van de vraag naar agrarische producten in Engeland, waar de industriële revolutie tot een snelle groei van de bevolking had geleid.

Van der Reis vermeerderde zijn vermogen o.a. door de koop en verkoop van onroerend goed (uit: Groninger courant van 26 december 1845) Van der Reis vermeerderde zijn vermogen o.a. door de koop en verkoop van onroerend goed (uit: Groninger courant van 26 december 1845)

Samuel Victors, een van de erfgenamen van Victor Philippus, was inmiddels in 1822 getrouwd met de te ‘s Gravenhage geboren Henriëtte Asser Lehmans. Zij bracht een uitzet van bijna 2000 gulden in het huwelijk mee. In de eerste decennium van het kinderloos gebleven huwelijk bouwde Samuel Victors zich een positie op als koopman in manufacturen. Hij betrok zijn waren voornamelijk van grossiers in Holland. Rond 1833 was de periode van opbouw van zijn eigen zaken in voltooid. Zijn succes op economisch gebied ging gepaard met sociaal aanzien binnen en buiten de Joodse gemeenschap van Leek/Nietap. Het lag dan ook in de lijn der verwachting, zoals zo vele Joodse notabelen voor en na hem dat deden, dat hij zitting nam in het bestuur van de Joodse Gemeente. Ook hier was hij succesvol: in korte tijd wist hij haar deplorabele financiële toestand te saneren.
De verbeterde economische toestand na 1830 bleef voor Leek niet zonder gevolgen: het dorp ontwikkelde zich tot klein centrum van handel en nijverheid met een groeiende bevolking en het aantal Joden verdubbelde zelfs tot 84 in 1848. In het nabijgelegen Zevenhuizen werden veenafgravingen ter hand genomen en omgezet in landbouwgrond. Ook de zaken van Samuel Victors ontwikkelden zich steeds voorspoediger: hij opende een winkel in Nietap, organiseerde openbare verkopingen, trad op als vervener en verwierf meerdere woningen. Zijn verbeterde economische positie vond zijn weerspiegeling in zijn sociale positie binnen de niet-Joodse Leekster gemeenschap: rond het midden van de 19e eeuw behoorde hij tot het selecte gezelschap van notabele burgers. Hij werd in correspondentie aangesproken als ‘de heer’. In een tijd en wereld zo scherp bewust rangen en standen was dit belangrijk.

Rond 1850 ontstond bij Samuel Victors de wens om zijn in 1796 geboren zuster Mietje te bezoeken. Zij was omstreeks 1835 met haar gezin naar het Noord-Engelse Sunderland verhuisd en sindsdien had hij haar niet meer gezien. Bovendien zou hij op deze reis het aangename met het nuttige kunnen verenigen. Tot nu toe betrok Van der Reis zijn waren van tussenhandelaren in Holland en hij vermoedde dat inkoop in Engeland goedkoper zou zijn. In het voorjaar van 1851 voegde hij de daad bij het woord.

1.

Voor deze inleiding is voornamelijk gebruik gemaakt van de studie van Van Klinken, De joodse gemeenschap in het Groninger Westerkwartier.