Naast de meer landelijk georganiseerde nationale militie werd in 1814 ook een lokale verdediging georganiseerd in plaatselijke schutterijen. In normale tijden waren dit gemeentelijke instellingen en behoorden niet tot de strijdkrachten. Hun taak was het weinig ontwikkelde politieapparaat bij te staan bij de handhaving van de openbare orde en rust maar alleen in gemeenten van meer dan 2500 inwoners zou de schutterij dienstdoende zijn. In kleinere gemeenten kende men zgn. rustende schutterijen die in normale tijden nooit bijeenkwamen. Stukken betreffende inschrijving en loting zijn te vinden in de gemeentelijke archieven.
Bij dreigend oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden konden de schutterijen worden losgemaakt van hun plaatselijke bindingen om bij de landmacht te worden ingedeeld. De compagnieën schutters werden dan in bataljons verenigd en onder militair bevel geplaatst. Deze situatie heeft zich voorgedaan tijdens de Belgische opstand. Op 11 november 1830 verklaarde koning Willem I de 1e ban (ongehuwden) van de dienstdoende schutterij mobiel en deze werden naar het zuiden gedirigeerd. In 1832 werden zelfs de rustende schutterijen opgeroepen. Op 25 juli 1834 besloot de Koning om de schutterijen met onbepaald verlof naar huis te sturen. In 1839 volgde de algehele demobilisatie. Tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870 werd nogmaals de 1e ban van de dienstdoende schutterijen gemobiliseerd. Door de op 1 april 1903 in werking getreden landweerwet van 1901 werden de schutterijen opgeheven.