De verhouding met de collator in het begin van de 19e eeuw was matig. Toen de Algemene Synode in 1843 een enquête hield over de wijze van predikant-benoemen, deelde Oterdum mee * , "dat tot dusverre is geërbiedigd het regt en de unike collatie zonder tegenspraak of tegenkanting wordende uitgeoefend door Jan Rengers H. Siccama, burgemeester van Hoogezand die zich de titel geeft van unicus collator; hij benoemt de predikant na vrije keuze zonder met iemand in onderhandeling te treden, welke benoeming door de kerkeraad in een kerkelijk beroep wordt veranderd".
In 1853 begonnen de moeilijkheden. De kerkenraad wilde niet hetzelfde lot ondergaan als Heveskes in 1845 en 1846 en wilde niet vallen onder de onhandelbaarheid van dezelfde collator en een predikant op het dak geschoven krijgen. "Het is net als met de Roomsen met hun toegezonden priesters".
Tussen 1873 en 1878 speelden zich hernieuwde moeilijkheden af met de collator * . Dominee J. Eikema was in december1873 met emeritaat gegaan. De kerkenraad wilde zelf 2 kandidaten voor verkiezing aan Hora Siccama voordragen, maar deze verwierp dit voorstel.
Het provinciale kerkbestuur gelastte in 1875 de kerkenraad om de kerkvoogdij te ontzetten, omdat zij het was die weigerde de verklaring volgens art.41 van het reglement op de vacatures over te leggen. Deze verklaring had betrekking op de inkomsten verbonden aan de predikantsplaats en diende te worden overgelegd alvorens er werd beroepen. Ook Siccama kon daarzonder niks. De zaak bleef hangen, kerkenraad en kerkvoogdij mochten wel 2 kandidaten voor de predikantsplaats aan de collator voordragen, maar wanneer de kandidaten de collator niet aanstonden, behield hij zich het recht voor zelf te kiezen.
In januari 1878 kwamen de partijen eindelijk na 5 jaar tot overeenstemming: de collator ging akkoord met de keuze van kerk en gemeente en C.J. Bleeker werd benoemd. Ietwat teleurgesteld konstateerde de kerkenraad dat zij weliswaar zelf had gekozen maar dat zij toch de keuze door de collator had laten sanktioneren.
Oterdum was een vrijzinnige gemeente. UIt de "Handelingen" van de kerkenraad van 1906 blijkt dat de kerkenraad oordeelde dat de "prediking van hel en verdoemenis een zeer bruikbare zweep is, niet aan te bevelen echter, omdat deze prediking scheinheiligheid en farizeïsme bewerkt".
In 1919 wenste de kerkenraad een dominee van "moderne richting". Een voorstel om voor 10 jaar een kombinatie aan te gaan met die andere vrijzinnige gemeente, Heveskes, werd aanvankelijk afgewezen, maar in 1922 ging men er uiteindelijk toch toe over.
Maar de diaconie raakte door haar geld heen en had in 1850 een schuld van fl. 516,-. Noch de gemeente Delfzijl, noch Gedeputeerde Staten waren genegen de diaconie te steunen, ze moesten maar land verkopen. Dit bracht maar voor korte tijd soelaas. In 1854 was het weer mis maar de gemeente Delfzijl wees alle subsidieaanvragen van de hand: er moest maar vaker gekollekteerd worden. Dit bracht fl. 2,81,- op.
De kerkenraad werd nu werkelijk boos en viel de gemeente Delfzijl aan: " Weg met het verderfelijk burgerlijk armbestuur, dat aan Joden, Roomsen en andere vreemde godsdiensten geld geeft". De gemeente sloot de diskussie en G.S. zei onbevoegd te zijn om in te grijpen in de huishouding van de gemeente. Voor de kerk van Oterdum had dit bovendien tot gevolg dat niemand de diaconie-administratie wilde doen.
Over de samenwerking en latere samenvoeging met Heveskes en Weiwerd, zie Heveskes.
Zie verder: "De Kombinatie" etc. blz. 32.
Mijn Studiezaal (inloggen)



Public Domain Dedication
Oterdum, hervormde gemeente, 1594 - 1967