Uw zoekacties: Blader door de toegangen Blader door de toegangen Structuurcommissie midden- en kleinbedrijf Noorden des Lands... Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie,...
691 Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, 1934 - 1990
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis van het archiefvormend orgaan
De voorbereiding
691 Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, 1934 - 1990
Inleiding
Geschiedenis van het archiefvormend orgaan
De voorbereiding
De oprichting van de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie (NETO) en de Economisch-Technologische Instituten (ETI's) in verschillende andere provincies hing deels samen met de economische crisis van de jaren dertig.
Deze crisis leidde in Nederland en ook in het Noorden des lands tot grote werkloosheid en een daling van de levensstandaard van een groot deel der bevolking. Ten gevolge van deze economische crisis werd de overheid geleidelijk gedwongen tot een actievere rol in de economie. Het was gewenst dat ook de overheid zich bezig hield met het stimuleren van de economische ontwikkeling.
In verschillende delen van Nederland werden intussen al initiatieven ontwikkeld, om in ieder geval op een meer regionaal niveau te komen tot stimulering van de industriële ontwikkeling. Dit leidde ondermeer tot de oprichting van de eerste provinciale economisch-technologische organisatie in Nederland, te weten het ETI in Limburg. Naast emigratie werd verdere industrialisatie gezien als een mogelijkheid om de groeiende bevolking toch werk te bieden.
In de drie noordelijke provincies werd eind 1934 een commissie geïnstalleerd ter voorbereiding van de oprichting van een Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie (NETO).
De commissie stond onder leiding van prof.dr. D. van Os.
Na vele jaren werkzaam te zijn geweest in de industrie, was deze vervolgens lange tijd hoogleraar in de chemie aan de Rijksuniversiteit te Groningen.
Vanuit de grote praktijkkennis die Van Os in het bedrijfsleven en het onderwijs opdeed, was hij zeer goed op de hoogte van de industriële ontwikkelingen in binnen- en buitenland. Tevens was van hij een vooraanstaand lid van de begin jaren dertig opgerichte Nijverheidsorganisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO). Op 29 januari 1934 hield Van Os voor het Departement Groningen van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel een lezing over "De toekomstige ontwikkeling van de nijverheid in het Noorden van ons land", waarbij hij een krachtig pleidooi hield voor de oprichting van een economisch-technologische organisatie in Noord-Nederland. Deze lezing trok veel aandacht.
Van Os was van mening, dat er in Nederland plaats was voor regionale instellingen, welke zich konden wijden aan een systematisch onderzoek naar de mogelijkheid van de bevordering van de welvaart in het betreffende gebied.
Dit leidde er toe, dat op 14 juni 1934 door het genoemde Departement Groningen op het provinciehuis te Groningen een vergadering bijeen werd geroepen teneinde de wenselijkheid en mogelijkheid van de stichting van een economisch-technologische organisatie voor de noordelijke provincies te bespreken.
Deze vergadering sprak als haar oordeel uit dat een economisch-technologische organisatie van groot nut kon zijn voor de noordelijke provincies. Er werd een speciale commissie benoemd, onder voorzitterschap van prof.dr. D. van Os, met de opdracht de wenselijkheid te onderzoeken van een noordelijke economisch-technologisch organisatie. De commissie moest zowel de organisatorische en financiële opzet als de taak van een eventueel op te richten economisch-technologische organisatie onderzoeken.
In deze commissie namen verder zitting de heren mr. J. Cramer, H.A. Stheeman, dr. G.J. Otten, R.A. van der Sluis, D.H. Botje en O.O. Meijer. De heer Cramer werd benoemd als secretaris. De commissie bracht in juli 1935 een rapport uit, waarin de oprichting van een economisch- technologische organisatie voor Drenthe, Friesland en Groningen werd aanbevolen, terwijl verder richtlijnen werden aangegeven voor opzet en inrichting van de op te richten organisatie.
Na bestudering van het rapport door de drie provinciale besturen, vond in december 1935 een gezamenlijke vergadering plaats van de drie colleges van Gedeputeerde Staten. Het bleek dat Gedeputeerde Staten van Friesland er weinig voor voelden om medewerking te verlenen aan de uitvoering van de plannen van de commissie-Van Os.
In de winterzitting van 1935 besloten de Provinciale Staten van Friesland, overeenkomstig het advies van de Gedeputeerde Staten, geen medewerking meer te verlenen aan de oprichting van een noordelijke economisch-technologische organisatie.
De colleges van Gedeputeerde Staten van Groningen en Drenthe stelden daarna een commissie in met de opdracht aan hen een nader pre-advies uit te brengen, aangaande de wijze waarop eventueel een noordelijke economisch-technologische organisatie kon worden opgericht en de wijze waarop deze zou hebben te funktioneren.
Deze commissie stond onder voorzitterschap van de heer E.H. Ebels, lid van het college van Gedeputeerde Staten van Groningen. Als leden werden benoemd de heren K. Brok, J. Knoppers, mr. A.G. Menzel, mr. M.W. Scheltema Jzn., prof.dr. D. van Os en mr. J. Cramer.
De heer Cramer verleende ook deze commissie zijn diensten als secretaris.
Als resultaat van haar werkzaamheden kwam de commissie met een ontwerp-Statenbesluit met bijbehorende ontwerp-statuten voor een op te richten Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie.
Dit leidde tot een voorstel van Gedeputeerde Staten van Groningen en Drenthe aan Provinciale Staten van beide provicies in de zomerzitting van 1936 om tot het in het leven roepen van de Stichting "Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie" over te gaan, een voorstel, waarmee de Staten van beide provincies instemden. Hun gezamenlijke voorstel tot oprichting van een Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie werd 19 december 1936 door de Kroon goedgekeurd.
Door allerlei omstandigheden duurde het nog tot 29 april 1937 voordat de uitvoering van dit besluit kon plaatsvinden.
Op 29 april 1937 werd de stichtingsakte van de NETO gepasseerd en vond de stichting van de NETO plaats in een zitting in het provinciehuis te Groningen.
De taakuitvoering
Geschiedenis van het archief
Verwerving
Selectie
Verantwoording van de inventarisatie
Openbaarheid
Bijlagen
Literatuur
Lijst van directeuren vanaf 1937

Kenmerken

Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Stichting Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie, in 1971 voortgezet als Stichting Economisch Technologisch Instituut Groningen
Bewerker:
R. Jonker en S. Koorn
Behoort tot collectie:
Provincie Groningen
Laatste Publicatie:
1997
Omvang:
7,25 m standaardarchiefberging